de stamboom van de Homo sapiens



~:§:~



           Op deze pagina gaan we nog veel verder terug in de tijd...


Homo sapiens sapiens


           Wanneer we twee willekeurige mensen uitkiezen, en hun voorouders opzoeken, zullen we vroeg of laat op een "meest recente gemeenschappelijke voorouder" stuiten.
Tenzij we twee nauwe verwanten uitkiezen, vereist het vinden van deze meest recente gemeenschappelijke voorouder waarschijnlijk een enorme stamboom, waarbij een omvangrijk deel van de voorouders onbekend zal blijven.
Dit geldt meer in het bijzonder voor het vinden van de gemeenschappelijke voorouder van alle mensen.

Door het aanwenden van technieken uit de toegepaste wiskunde berekende men dat deze meest recente voorouder van alle nu levende mensen waarschijnlijk enkele tienduizenden jaren geleden leefde, mogelijk een flink aantal tienduizenden jaren, maar niet meer.

In de praktijk gebeurt de zoektocht naar deze voorouder via genetisch onderzoek.
In tegenstelling tot een menselijk individu dat steeds twee ouders heeft, heeft een gen slechts één ouder!
Elk gen uit uw DNA is afkomstig óf van uw vader óf van uw moeder, van één en slechts één van uw 4 grootouders, van één en slechts één van uw 8 overgrootouders enz. enz.
Zo gedragen ook achternamen zich als genen : onze achternaam volgt de dunne lijn van de mannelijke afstamming doorheen onze volledige groep voorouders.
Genen doorlopen de generaties echter met evenwaardige kansen voor de vrouwelijke en de mannelijke donoren.
De enige twee uitzonderingen hierop vormen het Y-chromosoom, dat net als een achternaam enkel via de mannelijke lijn wordt doorgegeven, en het mitochondriaal DNA dat enkel en alleen via de vrouwelijke lijn wordt overgeërfd.

Mensen die nauw met elkaar verwant zijn, hebben een groot aantal gemeenschappelijke genstambomen, en het grootste deel van onze genstambomen delen we met onze naaste verwanten.
Sommige genen zijn zo nauw met elkaar verbonden dat ze als één geheel door het DNA van onze vele generaties voorouders zijn meegereisd, men noemt dit haplotypen.

Zo komen we via de mannelijke lijn tot de een gemeenschappelijke voorouder van alle nu levende mannen, de Y-chromosomale Adam uit het hoofdstuk over onze ultieme stamboom, die ongeveer 60000 jaar geleden leefde in Afrika.
De gemeenschappelijke voorouder van de volledig vrouwelijke afstammingslijn wordt dan de mitochondriale Eva genoemd.
Deze Adam en deze Eva waren zeker geen koppel, en waarschijnlijk leefden zij verscheidene tienduizenden jaren na elkaar, met behulp van de "moleculaire klok" schat men dat Eva ongeveer 140000 jaar geleden heeft geleefd, eveneens in Afrika.
Deze namen Adam en Eva dient u niet te beschouwen als namen van individuele individuen, maar eerder als eretitels die kunnen verschuiven : indien morgen het laatste lid van een bepaalde menselijke afstammingslijn overlijdt, kan deze Adam of Eva plotseling enkele tienduizenden jaren in de tijd verschuiven.

De grote strekkingen over de oorsprong van de mens zijn de "out of Africa"-theorie die stelt dat alle nu buiten Afrika levende mensen afstammen van één migrant die ongeveer 100000 jaar geleden Afrika verliet, en de multiregionale theorie, waarbij men er van uit gaat dat de menselijke rassen die nu in Azië, Australië en Europa leven van oudsher van elkaar gescheiden waren en onafhankelijk van elkaar uit de Homo erectus tot Homo sapiens zijn geëvolueerd.

Allan Templeton leidt uit zijn genetisch onderzoek af dat een "out of Africa again and again"-theorie de waarheid dichter benadert.
Zeer technisch gesproken berekende Templeton voor 13 haplotypen een genstamboom, en dateerde de verschillende coalescentiepunten met behulp van de moleculaire klok.
Uit deze gegevens en de geografische verspreiding van de monsters trok hij conclusies over de genetische geschiedenis van de menselijke soort gedurende de laatste paar miljoen jaar (!!).
Zijn voornaamste conclusie is dat er niet twee belangrijke migratiebewegingen uit Afrika waren, maar drie.
Naast de exodus van de Homo erectus ongeveer 1,7 miljoen jaar geleden, en de recente migratie van de Homo sapiens ongeveer 100000 jaar geleden, moet er tussen 840000 en 240000 jaar geleden nog een grote trek vanuit Afrika naar Azië hebben plaats gevonden.
Tussen deze drie grote migraties uit Afrika zijn er genetische signalen die erop wijzen dat er continue bewegingen bestaan hebben tussen Afrika, Zuid-Europa en Azië en weer terug.

Sommige van onze genen die zich in ons DNA bevinden kunnen zelfs stammen uit de periode van toen wij nog helemaal niet op mensen geleken.
Een verbluffend "alledaags" voorbeeld daarvan is onze bloedgroep A, B of O.
Onze verschillende bloedgroepen zijn prachtige voorbeelden van een polymorfisme (variatie om de variatie, met als doel een grotere kans op overleven bij -bij voorbeeld- epidemieën ten gevolge van bepaalde ziektes) dat zo stabiel is dat het zeer waarschijnlijk de overgang van een voorouderlijke soort in een daarvan afstammende soort heeft overleefd.
Zo is het ABO-polymorfisme van de verschillende bloedgroepen ook bij de chimpansees aanwezig, en het is meer waarschijnlijk dat wij dit beiden van een gezamenlijke voorouder hebben overgeërfd, en het onafhankelijk van elkaar gedurende 6 miljoen jaar hebben in stand gehouden, dan dat we dit polymorfisme onafhankelijk van elkaar zouden hebben ontwikkeld.
De merkwaardige conclusie die men daaruit kan trekken is dat elke mens voor bepaalde genen nauwer verwant zou kunnen zijn aan sommige chimpansees dan aan bepaalde andere mensen!

Meestal noemt men de menselijke soort waartoe wij heden ten dage behoren de Homo sapiens sapiens, of de moderne Homo sapiens.
Ongeveer 150000 jaar geleden zijn wij geëvolueerd uit de archaïsche Homo sapiens.

Eén van de eigenschappen waarop men het onderscheid baseert om een individu tot de moderne mensen of de archaïsche mensen onder te brengen is de herseninhoud : die van de Homo sapiens sapiens is gemiddeld ongeveer 1400 cm3.

Een voor de hand liggende opmerking die in de indeling van genussen en soorten soms over het hoofd wordt gezien is dat de overgang van de ene soort in een andere, en zelfs van het ene genus in een ander natuurlijk niet plotseling gebeurde.
Zo werd uit een koppel ouders die tot de soort Homo erectus behoorden niet plotseling een kind geboren dat tot de soort Homo sapiens behoorde, en baarde een Australopithecus-moeder niet plotseling een Homo-kind, deze overgangen zullen zich geleidelijk hebben voltrokken.
Door de slechts in de tijd fragmentarische beschikbaarheid van gevonden fossielen "past" elke vondst beter onder de ene benaming dan onder een andere... en kan er logischerwijs ook al eens onenigheid bestaan over het onderbrengen van een bepaald fossiel bij deze of gene soort.


Homo sapiens


           De Homo sapiens of archaïsche mens wodt beschouwd als de gemeenschappelijke voorouder van de moderne mens -de Homo sapiens sapiens- en de Neanderthaler -de Homo sapiens neanderthalensis.
De gemeenschappelijke voorouder van deze twee mensensoorten leefde ongeveer 500000 jaar geleden, en tot minstens 100000 jaar geleden hebben archaïsche mensen en moderne mensen samen geleefd.

Fossielen van de archaïsche mensen zijn overal ter wereld gevonden, en stammen uit verschillende periodes verspreid over de laatste paar honderdduizend jaar.
Voorbeelden zijn de Duitse Heidelbergmens, de Zambiaanse Rhodesiëmens en de Chinese Dalimens.

De archaïsche mens had grote hersenen, ongeveer 1200 tot 1300 cm3, en door individuele variatie bestaat er een geruststellende overlapping met de Homo sapiens sapiens die een geleidelijke overgang van de ene soort in de andere bevestigt.
Hun lichamen waren robuuster dan de onze, hun schedels waren dikker, ze hadden minder geprononceerde kinnen en grotere wenkbrouwenbogen.
Ze vormen de ideale tussenpersonen tussen hun nazaten Homo sapiens sapiens en hun voorouders Homo erectus.

Zoals reeds vermeld is de Homo sapiens sapiens niet de enige nazaat van deze archaïsche mensen : ook de Homo sapiens neanderthalensis stamde van hen af.
Zij zijn tussen 100000 en 200000 jaar geleden geëvolueerd uit de archaïsche mens.
Ze hadden een herseninhoud van gemiddeld 1500 cm3, ze hadden enkele kenmerken van de archaïsche mens behouden die wij hebben "verloren", zoals de geprononceerde wenkbrouwboog.
Ze hadden enkele typische aanpassingen aan een koude leefomgeving ontwikkeld, zoals een gedrongen lichaamsbouw met korte benen en enorme neuzen om de ingeademde lucht wat op te warmen.
Ze hulden zich in dierenvellen en leefden van de jacht.
Bepaalde verwondingen aangetroffen bij fossiele individuen wijzen erop dat gewonde en oude Neanderthalers door de groep werden verzorgd en er zijn vage aanwijzingen dat ze hun doden ceremonieel begroeven.
Men heeft nog geen bewijs gevonden dat de Homo sapiens neanderthalensis één of andere vorm van taal gebruikte.
Sommige wetenschappers denken dat de moderne mens verantwoordelijk is voor het uitsterven van de Neanderthaler, hetzij door hun rechtstreeks te doden, hetzij door concurrentie voor de zelfde schaarse goederen.


Homo erectus


           Van ongeveer 1,8 miljoen jaar geleden tot ongeveer 250000 jaar geleden leefde de mensensoort Homo erectus, de enige waarschijnlijke kandidaat voorouder van de Homo sapiens, met wie deze een hele tijd hebben samen geleefd.
Sommige wetenschappers duiden de Afrikaanse exemplaren aan met de benaming Homo ergaster, een deel verliet ongeveer 1,7 miljoen jaar geleden Afrika, en men vond fossielen van de Homo erectus in het Midden en het Verre Oosten, waar men ze wel eens als Javamens of Pekingmens noemt.

De Homo erectus liep op twee benen, en had een herseninhoud die varieerde van gemiddeld 900 cm3 bij de oudste exemplaren tot ongeveer 1100 cm3 bij de jongere.
Hun schedels waren platter en minder achteruitstekend dan de onze, ze hadden terugwijkende kinnen en vooruitspringende wenkbrouwbogen, ze hadden brede gezichten met een vernauwing van de schedel achter de ogen.

Er werd op wetenschappelijk onderbouwde manier aangetoond dat de Homo erectus zowel in Afrika als in Azië reeds bijna 1,5 miljoen jaar geleden het gebruik van het vuur had verworven en kampvuren aanlegde die herhaaldelijk werden herbruikt.
Ze gebruikten zeker stenen gereedschap, en vermoedelijk ook werktuigen van been en hout.

Onderzoek naar gefossiliseerde hersenlijnen in het brein van de Homo erectus toont aan dat de spraakgebieden in de hersenen van de Homo erectus reeds vergroot waren, doch de vorm van zijn ribben en de kleine centrale holten in de ruggenwervels waar de zenuwen doorlopen suggereren dat hij de benodigde fijne controle over zijn ademhaling om te kunnen spreken niet bezat.

Een bekende fossiele vertegenwoordiger van deze mensensoort is de Turkanajongen, het door Kimoya Kimeu op 22 augustus 1984 aan de oever van het Turkanameer gevonden bijna volledig menselijk skelet.


Homo habilis


           Ongeveer 2,6 tot 1,8 miljoen jaar geleden leefde in Afrika de Homo habilis, de zeer waarschijnlijke voorouder van de Homo erectus, met wie hij ook een lange tijd heeft samen geleefd.

De Homo habilis had een herseninhoud van ongeveer 750 cm3, en heeft daarmee een theoretische kloof overbrugd.
De Homo habilis was 1,20 tot 1,55 m groot, en de verhouding van de grootte van zijn hersenen ten opzichte van de grootte van zijn lichaam ligt ver boven wat in vergelijking met andere zoogdieren te verwachten zou zijn.
Zelfs in vergelijking met de reeds (te) grote hersenen van de andere apen zijn de hersenen van de Homo habilis buitenmaats groot.
Het is dan ook deze eigenschap die de Homo habilis als eerste heeft ondergebracht in het genus Homo, en de meeste paleantologen zien de overgrote hersenen als het meest onderscheidende kenmerk van ons genus.

In de Olduvaikloof in Tanzania en in Kenia werden stenen werktuigen bij de fossiele resten van de Homo habilis gevonden.
Deze oudste mensachtige had door de combinatie van grotere hersenen en het lopen op twee benen als eerste mensachtige de benodigde fijne motoriek en -letterlijke- handigheid ontwikkeld die het maken en gebruiken van werktuigen mogelijk maakte.

Sommige anthropologen hebben de Homo habilis als Australopithecus habilis ingedeeld bij het genus van de Australopitheken, wat -alle discussies ten spijt- een prachtige illustratie is van het feit dat de overgang van de ene mensensoort in een andere een langzaam en gestaag proces was en dat ook hier niet plotseling een Homo habilis werd geboren als kind van twee ouders die behoorden tot het genus Australopithecus.


Australopithecus afarensis


           Ongeveer 3,5 tot 2,3 miljoen jaar geleden leefde in de Afar-driehoek in Noord-Ethiopië de waarschijnlijk rechtstreekse voorouder van de Homo habilis : de Australopithecus afarensis.
De benaming van het genus waartoe deze aapmens behoort, Australopithecus, betekent zoveel als zuidelijke aap.

De voornaamste reden waarom deze voorouders niet tot het genus Homo worden gerekend, is hun beperkte herseninhoud van gemiddeld 400 cm3, ongeveer evenveel als bij een chimpansee.
De Australopithecus afarensis was ongeveer 110 tot 130 cm groot, was tenger gebouwd en liep voornamelijk op twee benen, doch voelde zich nog prima thuis in de bomen.
Ze hadden een niet opponeerbare grote teen, smalle heupen en grote wenkbrouwbogen.
Ze aten een gevarieerd dieet bestaande uit vruchten, knollen, bladeren en noten, en waarschijnlijk waren ze ook aaseters.

Als meest bekende vertegenwoordigers van de Australopithecus afarensis vermelden we Lucy en het onfortuinlijke Taungkind dat op zeer jonge leeftijd ten prooi viel aan een arend.
Wereldberoemd is het 70 meter lange voetspoor dat een gezinnetje van drie Austrolopithecus afarensis maakten in de 3,65 miljoen jaar oude vulkanische as in Laetoli, daarbij onomstootbaar bewijzend dat ze op 2 benen liepen.


Australopithecus anamensis


           Ongeveer 4,1 tot 3,9 miljoen jaar geleden leefde rond het Turkanameer in Kenia en in noordoost Ethiopië de Australopithecus anamensis, die waarschijnlijk de rechtstreekse voorouder was van de Australopithecus afarensis.
Deze tenger gebouwde mensachtige aap wordt eveneens beschouwd als voorouder van de meer robuuste Australopitheken, die tegenwoordig worden geclasseerd onder het genus Paranthropus, en die een andere evolutionnaire richting uitging dan de mensachtigen.


Ardipitecus ramidus


           Ongeveer 4,4 miljoen jaar geleden leefde in de schaduwrijke bossen van noordoost Ethiopië de Ardipithecus ramidus, de vermoedelijke voorouder van de Australopitheken.
De fossiele vondsten van de Ardipithecus ramidus zijn zeer fragmentair, doch op basis van van enkele tanden en enkele botjes en meer bepaald uit de teenstructuur kan men toch afleiden dat de Ardipithecus ramidus verscheidene kenmerken gemeen had met de Australopitheken, en dat dit wezen rechtop liep.
Hij was ongeveer even groot als een moderne chimpansee.

Het rechtop lopen is vermoedelijk geleidelijk aan ontstaan uit het gehurkt fourageren van voedsel, het onder stenen zoeken naar wormen en andere lekkernijen.
Een individu met iets plattere voeten zal wellicht een evolutionnair voordeel hebben gehad ten opzichte van zijn minder "handige" soortgenoten die in barre tijden geen voedsel konden vinden op de grond, en zo door betere overlevingskansen ook meer succesvol zijn geweest in het doorgeven van zijn genen aan een volgende generatie.

Een zeer nauw verwante soort van hetzelfde genus, de Ardipithecus kadabba, was dichter verwant aan de chimpansees dan aan de mensachtigen.
Men leidt dit af uit de vorm van zijn hoektanden.

Met het Ardipithecus-genus zijn we dicht bij de gemeenschappelijke voorouder van de mens en de chimpansee aangekomen.
Een opvallend feit daarbij is dat de fossiele vondsten van de vroegste voorouders van de mens steeds ten oosten van de Grote Afrikaanse Slenk worden gevonden.

Eén van de meest plausibele van de vele theorieën over het hoe en het waarom de mensachtigen als aparte soort uit de apen zijn ontstaan houdt dan ook verband met het ontstaan van deze Grote Slenk, een kloof die ontstond toen de Afrikaanse tectonische plaat zich begon te splitsten in een westelijke Nubische plaat en oostelijke Somalische plaat.
Door het ontstaan van een hoogteverschil van bijna 3 km werden de klimatologische omstandigheden ten oosten van dit Great Rift plots veel droger, en de dieren die daar bevonden dienden zich aan te passen wilden ze overleven.
Voor onze voorouders betekende dit dus -sterk vereenvoudigd- dat wie ten westen van de Grote Slenk leefde aap bleef, en dat degenen die zich ten oosten van deze onoverbrugbare barrière bevond evolueerde tot mensachtige.



~:§:~



           Regelmatig doet men nieuwe ontdekkingen van (zeer) oude fossielen van hominiden en de vinders zijn meestal overtuigd dat hun vondst een rechtstreekse voorouder van de mens is.

In de Tugen-heuvels in de Keniaanse provincie Baringo, leefde 6 miljoen jaar geleden de Orrorin tugenensis.
Men vond twaalf botten en een stuk gebit met tanden en kiezen van minstens vijf individuen, zowel mannen als vrouwen.
Niet alle onderzoekers zijn ervan overtuigd dat ze rechtop liepen.
De Orrorin tugenensis had, net als de moderne mens, kleine snijtanden en goed ontwikkelde kiezen met een vrij dikke laag glazuur, hetgeen wijst op een dieet van plantaardig materiaal zoals noten, zaden een vruchten met af en toe wat vlees.

De Orrorin tugenensis was een bosdier dat waarschijnlijk zijn nest in de bomen maakte.
Hij was zo groot als een chimpansee, maar met langere benen.
De Orrorin tugenensis maakt mogelijks deel uit van de menselijke stamboom, maar waar zijn juiste plaats is, is niet ondubbelzinnig duidelijk.

In Tchad, ten zuiden van de Sahara, ver ten westen van de Grote Slenk streek, leefde ongeveer 7 miljoen jaar geleden de Sahelanthropus tchadensis, een mensaap die oorspronkelijk geclassificeerd werd als het oudste mogelijke lid van de menselijke stamboom.
Naderhand zag men dat het om een aap uit het Mioceen gaat die slechts een verre verwant was van de mens en de nu levende Afrikaanse mensapen.



~:§:~



           Wanneer we verder in de tijd willen teruggaan op zoek naar de voorouders van onze soort komen we ongeveer 6 miljoen jaar geleden een mensaap tegen die de gemeenschappelijke voorouder was van alle chimpansee-achtigen en de mensachtigen.
Aangezien de chimpansees en de bonobo's meer op de andere mensapen lijken dan wij, is het waarschijnlijker dat deze mensaap meer op een chimpansee geleek dan op een mens.

           Ongeveer 7 miljoen jaar geleden leefde een mensaap die de voorouder was van de gorilla's en de gemeenschappelijke voorouder van de mensachtigen en de chimpansee-achtigen.
Aangezien de gorilla een meer extreme evolutie heeft doorgemaakt dan de andere mensapen, geldt ook hier dat deze gemeenschappelijke voorouder waarschijnlijk meer op een chimpansee zal hebben geleken dan op een gorilla.
Deze mensaap was bij benadering uw 660000e overgrootouder.

           Berekend op basis van de moleculaire klok komen we ongeveer 14 miljoen jaar geleden, midden in het Mioceen, de gemeenschappelijke voorouder tegen van de orang-oetans en de gemeenschappelijke voorouder van de gorilla's en de chimpansees en de mensen.
Als oudste gemeenschappelijke voorouder van alle grote mensapen (de uit Afrika afkomstige mensachtigen, chimpansee-achtigen en gorilla's, en de Aziatische orang-oetans) leefde deze aap mogelijk in Afrika, doch meer waarschijnlijk in Azië.
Men vond in Azië de fossiele resten van de Ouranopithecus en van de Dryopithecus, die allebei schijnen in aanmerking te komen voor de titel van meest recente gemeenschappelijke voorouder van alle grote mensapen.

           Nog verder terug in de tijd, ongeveer 18 miljoen jaar geleden treffen we de gemeenschappelijke voorouder aan van de grote en de kleine mensapen (de siamangs en de verschillende gibbonsoorten), die vermoedelijk ook in Azië heeft geleefd.
Deze voorouders van alle mensapen hadden gemeenschappelijke voorouders met uitgestorven mensaapachtigen als de Kenyapithecus, de Afropithecus en de Proconsul.
Vermoedelijk was één van deze wezens de eerste staartloze aap, maar daarover bestaat geen consensus.

           Ongeveer 25 miljoen jaar geleden ontmoeten we de gemeenschappelijke voorouder van alle mensaapachtigen met de gemeenschappelijke voorouder van de ongeveer 100 soorten apen van de Oude Wereld, onze 1,5-miljoenste overgrootouder, de eerste die zeker een staart bezat.
Eén van de eigenschappen die alle nazaten van dit wezen bezitten zijn hun naar beneden wijzende neusgaten, en op basis daarvan kregen ze als wetenschappelijke verzamelnaam de catarrhinen.
We bevinden ons met deze voorouder in het Oligoceen, de laatste periode waarbij het klimaat en de vegetatie op aarde vergelijkbaar zijn met die van vandaag.

           Zo'n 40 miljoen jaar geleden leefde de gemeenschappelijke voorouder van de catarrhinen en de apen van de Nieuwe Wereld, ook wel platyrrhinen genoemd omdat ze een platte of brede neus hebben.
Het klimaat was toen veel groener en vochtiger dan nu.
Deze primaten zijn via eilandbruggen vanuit Afrika gemigreerd naar het toen niet zó veraf liggende Zuid-Amerika, en ze zijn allemaal nauwer verwant aan elkaar dan aan de Afrikaanse aapachtigen.

           De volgende gemeenschappelijke voorouder delen we met de spookdiertjes, zo'n 58 miljoen jaar geleden.
Door vele onderzoekers wordt deze gemeenschappelijke voorouder beschouwd als de eerste primaat.

           Ongeveer 63 miljoen jaar geleden leefde de gemeenschappelijke voorouder van alle primaten, die we delen met de lemuren, galago's en hun verwanten.
Deze voorouder was de eerste die leefde na de overheersing van de dinosaurussen, en leek op een spitsmuisachtig wezentje.
Het plotseling verdwijnen van alle niet-vliegende dinosaurussen heeft de toen levende kleine zoogdieren voorheen ongekende opportuniteiten opgeleverd.

           Zo'n 65 miljoen jaar geleden veroorzaakte een meteoriet op het Mexicaanse schiereiland Yucatán een inslagkrater van 180 km doorsnede met een diepte van 50 km.
De inslag heeft de meteoriet waarschijnlijk verpulverd, en ten gevolge daarvan vindt men overal ter wereld in de geologische strata een irridiumlaag.
Het geluid van de impact maakte waarschijnlijk alle levende wezens, die door de ontploffing niet waren verbrand, verpletterd tijdens de aardbeving of verdronken tijdens de 150 meter hoge tsunami die erop volgde, potdoof.
Door de enorme stof- en aswolken werd de zon twee jaar lang verduisterd, waardoor de meeste planten stierven en de complete voedselketen wereldwijd tot stilstand kwam.
Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat alle dinosaurussen (met uitzondering van de vogels), en zowat de helft van alle andere soorten uitstierven.
Het is juist meer dan verbazingwekkend dat er überhaupt levende wezens waren die deze ramp wél hebben overleefd.

           Ongeveer 70 miljoen jaar geleden, nog tijdens de glorietijd van de dino's, leefde de gemeenschappelijke voorouder van de primaten, lemuren, galago's en consoorten met een tweetal eekhoornachtige zoogdierengroepen : de toepaja's en de vliegende katten uit Zuidoost-Azië.
Sommige wetenschappers beschouwen deze groepen als spitsmuizen, andere zien er reeds primaten in, weer andere delen ze in in een volledig aparte groep zoogdieren.

           Nog verder terug in de tijd ontmoeten we gemeenschappelijke voorouders met de knaagdieren, de laurasiatheren (o.a. nijlpaarden en zeehonden), de xenarthranen (o.a. gordeldieren), de afrotheren, de buideldieren, de monotremen (vogelbekdier), de sauropsieden (vogels), de amfibieën, de longvissen, de coelacanten, de straalvinnige vissen, de haaien, de prikken en slijmprikken, de lancetvisjes, de zakpijpen, de ambulacrarianen, de protostomen, de lichaamsholteloze platwormen, de neteldieren (kwallen), de ctenoforen, de placozoa, de sponzen, de choanoflagellaten, de drips, de schimmels, de amoebozoën en de planten.
Uiteindelijk vinden we gemeenschappelijke voorouders met de archaea en de eubacteria.