~:§:~
In het hoofdstuk over de Nederlanden in de 16de eeuw konden we reeds lezen dat in de 16de eeuw een grote
emigratie uit de zuidelijke Nederlanden plaats vond.
Een eerste grote uittocht vond plaats rond 1548 - 1550, gevolgd door een tweede golf rond 1568 - 1572, later culminerend in de massale volksverhuizing
van 1582 - 1585.
De historici zijn het er algemeen over eens dat de personen die vóór 1568 de Zuidelijke Nederlanden verlieten, dit deden wegens zuiver religieuze redenen.
De migranten die nà 1568 onze contreien verlieten kunnen dit ook om economische redenen gedaan hebben.
In volume X van de "Publications of the Huguenot Society of London", uitgegeven op slechts 450 exemplaren, en in drie delen : in 1900, 1902 en 1907,
gevolgd door een (meestal ontbrekende) index uit 1912, beschrijven R.E.G. Kirk en Ernest F. Kirk de "returns of aliens, dwelling in the city and suburbs of London, from the reign of Henri VIII to that of James I".
Ze publiceerden in deze drie volumineuze delen alle teruggevonden namen van vreemdelingen die tussen 1522 en 1625 in London verbleven.
De meeste voornamen werden "verengelst" en vele achternamen werden fonetisch genoteerd volgens de Engelse spelling, zodat veel namen zwaar verbasterd geregistreerd
werden.
De heren Kirk noteerden al deze namen minutieus en letterlijk zoals ze voorkomen in de originele documenten.
Wanneer op een deel van een belastingrol de tekst vervaagd was, brachten ze een speciale applicatie aan, waardoor
de tekst voor een korte periode weer leesbaar werd.
Helaas brachten ze daarmee permanente schade aan aan het document, zodat de vervaagde teksten nu nóg moeilijker of helemaal niét meer leesbaar kunnen gemaakt worden, zelfs niet met de meest moderne belichtingstechnieken...
De heren Kirk worden echter zo'n autoritiet toegedicht, dat de originele documenten -die vaak in heel slechte -en steeds slechter wordende- staat verkeren, nog slechts zelden worden geraadpleegd.
Het zal u wellicht niet verbazen dat wij tóch van plan zijn ze in te kijken!
In het boek van Andrew Spicer over "The French-speaking Reformed Community and their Church in Southampton 1567 - c.1620" wordt door de auteur zeer duidelijk
uitgelegd dat de vluchtelingen-om-het-geloof door de wet beschouwd werden als vreemdelingen, omdat ze overzee geboren waren, en dus getrouwheid verplicht waren aan een vreemde vorst.
Er werd hen bij wet een aantal discriminaties opgelegd, zowel op politiek, economisch als socio-cultureel vlak.
De "aliens" mochten geen politiek mandaat uitoefenen en konden geen zaak aanhangig maken bij een rechtbank, ze konden geen huizen huren of eigendommen kopen, ze waren onderhevig aan allerlei commerciële restricties, dienden
dubbel zoveel belasting te betalen in de "lay subsidy" als de autochtone bevolking, en ook de locale heffingen waren hoger voor "aliens". Dezelfde regels golden voor hun kinderen, zelfs als die in Engeland geboren waren.
Een "straunger" kon zich door "denization" aan bepaalde beperkende maatregelen onttrekken : een "denizen" kon een huis huren (en soms kopen), hij mocht een ambacht uitoefenen en had het recht om meer dan 4 vreemde "servaunts" te werk te stellen. Bovendien kon een "denizen" zijn verworven bezit bij testament overmaken aan zijn in Engeland geboren kinderen. De procedure tot het verkrijgen van "patent of denization" was vrij duur en duurde verscheidene maanden.
Slechts
enkele vreemdelingen deden een aanvraag tot naturalisatie, omdat dit nog duurder was, en nog langer duurde.
           Op 22 april 1549 werd een inventaris opgesteld van de belastingen betaald door de vreemdelingen in het district Surrey.
Reeds in deze belastinglijst van de "straungers there beyng householders", in de burgus de Southwarke, meer bepaald in de "Seynt Olaves Parysshe", vinden we een eerste vermoedelijke verwant van onze voorouders...
De waarde van de bezittingen in goederen van John Vanrock werd geschat op 20 stuivers, en hij betaalde daar 12 schellingen belastingen op.
![]() |
Op deze anonieme gravure uit 1612 zien we de stad London vanaf de zuidelijke oever van de Thames. Op de voorgrond bevindt zich de wijk Soutwark, met links van het begin van "London Bridge" de Sint Olaves kerk.
In de 13de, 14de en 15de eeuw was de heerlijkheid Southwark met zijn tavernes, publieke tuinen en weidse open ruimtes, een prachtige lokatie en de verbijfplaats van de begoede klasse.
In 1550 kocht de stad London de heerlijkheid voor 647 £ van koning Edward VI, en Southwark werd bij de stad ingelijfd als 26ste district van de "Bridge without ward", de wijken "buiten de brug".
Hoewel de inwoners dezelfde rechten verkregen als de Londenaars, werd het district Southwark niet vertegenwoordigd in de Londense Common Council, en mocht men er geen eigen schepenbank verkiezen. Op gerechtelijk gebied bleef Southwark afhankelijk van het graafschap Surrey en de bisschop van Westminster.
Er waren 4 parochies : St-Thomas, St-Georges, St-Saviours en St-Olaves (waar er een Vlaams kerkhof was!).
Vanaf de tweede helft van de 16de eeuw stroomden de immigranten in London toe. Wegens economische motieven kwamen duizenden van het Engelse platteland naar de metropool, en van het continent kwamen de godsdienstige vluchtelingen.
Zoals steeds bij zo'n bevolkingstoeloop was er voor de nieuwkomers geen plaats binnen de stadsmuren, en ze vestigden zich vooral in de buitenwijken.
Tussen 1550 en 1630 verdrievoudigde het aantal inwoners van Southwark, vooral Nederlandse en Vlaamse vluchtelingen vestigden zich in dit district.
Buitenlandse ambachtslieden en handelaars,
die in London-stad niet mochten werken, omdat ze er geen leertijd hadden doorgemaakt bij een Londense meester, konden in deze voorstad wel hun beroep uitoefenen, en er de vele buitenlandse leerjongens aan het werk zetten.
Het resultaat was een zeer dicht bevolkte wijk, met groezelige tavernes, prostitutie, bedelaars en vagebonden.
Door de slechte hygiënische voorzieningen waren er in 1577, 1603, 1625,'35,'36,'37 en '41 opstoten van pest.
Er waren regelmatig vechtpartijen, overvallen, straatrelletjes en regelrechte oproer, vooral op rust- en feestdagen, wanneer de leerjongens niet moesten werken.
Toch genoot Southwark ook een goede reputatie : door zijn lokatie aan de zuidelijke oever van London Bridge, op het eind van de 16de eeuw de enige brug over de Thames, waren er veel degelijke "inns", waar de reizigers die uit de zuidelijke graafschappen kwamen even halt hielden en zich verfristen
alvorens de stad London binnen te trekken, en waar anderen provisie voor hun reis opsloegen bij het verlaten van de metropool. Bij het vallen van de duisternis luidde Bow Bell bij het sluiten van de stadspoort, de valbrug werd opgehaald en de late aankomers en de vroege vertrekkers waren verplicht de
nacht in Southwark door te brengen.
![]() |
Soutwark was ook de wijk waar op het eind van de 16de eeuw 4 schouwburgen werden gebouwd.
In 1587 werd "The Rose" gebouwd, in dit theater werden de toneelstukken Titus Andronicus en Henry VI van William Shakespeare opgevoerd, en dr. Faustus, Tamberlain the Great en The Jew of Malta van Marlowe.
"The Swan" dateert van 1594, en in 1599 werd door The Lord Chamberlain's men, een compagnie van acteurs, onder wie William Shakespeare, de bouw gefinancierd van "The Globe".
Iets later volgde ook "The Hope", in een omgebouwde arena waar voordien beren- en stierengevechten werden georganiseerd.
Het is bijna onmogelijk dat iemand die in 1549 in Londen werd geregistreerd met de naam John Vanrock niét tot onze genealogie zou behoren.
John Vanrock is de Engelse interpretatie van de naam Jan van Rocke.
In de overwegend Vlaamse Saint-Olaveswijk in Southwark kan die naam eventueel reeds de vertaling zijn geweest van Jean de Rocq...
We konden in de latere belastingrollen geen vermelding van "householder" John Vanrock en zijn gezin vinden.
Toen de katholieke "bloody Mary" in 1554 de troon besteeg, waren de gereformeerde religieuze vluchtelingen niet langer welkom in Engeland.
Ten einde aan de bloederige vervolging te ontsnappen zijn bijna alle "aliens" verder gevlucht naar Duitsland of Zwitserland, of teruggekeerd naar hun geboorteland waar de repressie tegen de gereformeerden toen iets in hevigheid was afgenomen.
De emigranten "van het eerste uur" stichtten vluchtelingenkerken in Engeland (in 1550 eerst in Londen, later ook in Sandwich, Colchester, Norwich, Halstead, ...) en Duitsland (Emden, Frankfurt, Wesel,...), en oefenden van daaruit een grote invloed uit op de organisatie van de (clandestiene) protestantse gemeenschappen in Vlaanderen.
![]() |
Toen de Engelse koning Edward VI in 1553 overleed, werd hij opgevolgd door zijn katholieke halfzus Mary Tudor.
Onmiddellijk kregen alle vreemdelingen die niet genaturaliseerd waren het bevel Engeland te verlaten, en er ontstond een bloederige vervolging, waaraan de konigin haar bijnaam
"bloody Mary" te danken heeft.
De Nederduitse vluchtelingenkerk te London werd opgedoekt, en in november 1553 vluchtten 145 leden onder leiding van de beroemde Johannes a Lasco en Gentenaar Jan Utenhove in drie boten over de winterse Noordzee van London naar Kopenhagen.
Door theologische meningsverschillen tussen de gevluchte Calvinisten en de Deense Lutheranen, waren ze er niet welkom, en mochten enkel de zieken en hoogzwangere vrouwen aan land.
In zijn boek "bannelingen en vluchtelingen uit Ronse" verwijst J. Bekouw naar de Proceedings of the Huguenot Society vol III, waarin op pagina 585 tot 595 de lijst met
de deelnemers aan deze reis werd gepubliceerd...
Ze komt voor in de inleiding door Bishop Harboe tot een zeldzaam boek, waarvan in 1754 enkel het eerste deel werd gepubliceerd in Kiobenhavn : "Det Siellandske Cleresie"
door Detlev Gotthard Zwergius.
Men zou er het volgende kunnen lezen :"Det vil voere een og anden curieus Loesere behaglig, at loese en Fortegnele paa dem, som den Tid reiste herfra, hoorfor jig og vil
tilfere samme af Originalet, som voresloerde Hr Archivarius Langebek har communiceret.
Thiise eptherstreffne Folck komme fran Engelandt paa Moriann och thenn liilde Kregher, och tiil Kiopnehaffnn, och nu ther fraae ignienn och indt till Tytzland, requendis
huor mange ther er paa huerth Skiis."
Een eerste grote boot bevatte voornamelijk Walen en Fransen, die doorvaarden naar Rostock, waar ze evenmin werden toegelaten.
Een tweede groep vaarde met de schuit van Andreas Pratz naar Lübeck, waar ze ook niet gewenst waren.
Een derde groter schip vaarde naar Wismar in Mecklenburg (nabij Hamburg) met volgende personen aan boord :
Naast de superintendant Johannes a Lasco en Jan Uijten Hoven, zijn voorname vriend Seijger Sijgers, Willom van Ruck, Godfried van Wijnen (=Wingen), de schoolmeester met
de twee zonen van a Lasco, Caecilia de Kleyne, zus van Martin Micronius, de beroemde Gentse diaken, de drukkers Bartholomeus Huesman en Gillis van der Erven, en de families de Pottere, Van Hasselt, Bauwens, Bruneel, Slosse, Van Coppenolle,...
en Backo.
Ook in deze lijst valt de dikwijls fonetische weergave van de namen op.
Bovendien lezen we in de tekst Willom van Ruck, maar in het register van personen staat Willom van Ruok (Ruck), wat aantoont dat de namen van Ruok en van Ruck
door de auteur gemaakte interpretaties zijn van een vermoedelijk moeilijk leesbare naam, die wij -voorlopig zonder het origineel document te hebben gezien- met evenveel recht,
en vermoedelijk met meer reden- interpreteren als van Rook, de door een Deense scribent fonetisch neergepende versie van de naam van Roken.
Uit "de eerste protestanten uit de Lage Landen" van Johan Decavele onthouden we dat Jan Uten Hove deze reis kleurrijk beschreef in een boek !
Dit werk uit 1560 heet "Simplex et fidelis narratio de institvta ac demvm dissipata Belgarum, aliorumque peregrinorum in Anglia, Ecclesia : et potissimum de susceptis posteà illius nomine itineribus,quaeque eis in illis euenerunt. In qua multa de Coenae Dominicae negocio, aliisque rebus lectu dignissimis tractantur. Per Ioannem Vtenhovium Gandauum".
We zullen er verder naar refereren als "simplex et fidelis narratio"...of kortweg "narratio"
In 1912 publiceerden S. Cramer en F. Pijper deze narratio in de bibliotheca reformatoria neerlandica.
In de inleiding leren we dat dit geen lieflijke geschiedenis was.
De onderlinge verwijten tussen de Lutheranen en de Calvinisten hebben het protestantisme een wonde toegebracht die nooit helemaal is geheeld!
Eén van de redenen daarvoor is net de publicatie van deze narratio, waardoor veel gereformeerden te weten kwamen wat daar in Denemarken en Noord-Duitsland was gebeurd.
Utenhove schreef aan Calvijn : "de geschiedenis van onzen tocht uit Engeland naar Denemarken verdient aan de gehele wereld bekend gemaakt te worden. Wij zien ons door de onbeschaamdheid onzer tegenstanders gedwongen haar te laten drukken."
Deze is, na al de ellende die wij hebben uitgestaan, zóó groot geweest, dat het de broeders zeer zou spijten als wij de openbaarmaking achterwege lieten.
Op meedogenloze wijze werden de mannen, vrouwen en kinderen in de gure decemberdagen uit Denemarken verdreven!
Er volgde een hopeloos ronddolen door Noord-Duitsland, en uiteindelijk werd de uitgeputte groep vluchtelingen in april 1554 (!) warm onthaald in de stad Emden.
![]() |
| Emden in Oost-Friesland |
Marcus van Vaernewijck verwoordde in het tweede deel "van die beroerlicke tijden in de Nederlanden" de situatie in Emden als volgt :
"Sommighe, die van over Hemden tot Gendt haer vrienden gescreven hadden, verclaerden alsdat daer tvleesch, den visch ende tzuvel zeer ghoedencoop was, dan alleene de huushuere was daer diere,
omdat de stadt te cleene was om te logiere al tvolc, dat daer ghevlucht quam.
Als daer eenighe vreemdelijnghen quamen, daer waren mannen toeghestelt om haer tontfanghen ende wilcomme te heeten
ende te wijzen an wie zij wilden, hadden zij daer kennesse; en hadden zij gheen kennesse, zoo verleenden zij hemlien van der stede weghe eenen dach of twee logijst ende den cost, totdat zij logiment vonden hadden, ende moesten daartoe helpen.
Johannes à Lasco fungeerde enkele jaren als predikant van de Emdense gereformeerde kerk, en week later met enkele getrouwen uit naar Frankfurt.
Of Willom van Ruok à Lasco gevolgd is, of in Emden is gebleven weten we niet.
Toen in 1559 de Nederduitse vluchtelingenkerk in London terug werd opgericht, werd Johannes à Lasco opnieuw hun predikant en superintendant.
In de acten en kerkeraadsprotocollen der Londense gemeente, gepubliceerd in de werken der Marnixvereniging door A. Kuyper voor de periode 1569-'71 vinden we op 13 mei 1571 de verkiezing tot ouderling van Willem Rouck.
Zijn naam werd ook geregistreerd als Willem Roucke en hij werkte er samen met ondermeer Remeus Celosse, ouderlingen Lucas de Heere, Lucas van Peene, Hercules Fremault en minister Godfried Van Wingen.
We herkennen onmiddellijk een aantal namen van personen die aan de tocht van Londen naar Emden hadden deelgenomen in 1553 en het lijkt dus zeer aannemelijk dat Willom van Ruok en Willem Rouck(e) één en dezelfde persoon waren, en dat die waarschijnlijk Willem of Willaume van Roucke zal hebben geheten...
We vinden in de periode 1571 - 1580 een aantal acta waarin Willem Roucke werd geregistreerd in zijn functie als ouderling :
![]() |
In de ledenlijst van 1574 van de Nederlandse vluchtelingenkerk te Londen vinden we nog een aantal namen van families die we in combinatie met leden van de familie van Roocke zullen ontmoeten hetzij in Londen, in Colchester of in Leiden : Godfried van Wingen, Jacques Bouquet, Jacob Hoste en zijn vrouw, Jan Celot of Celosse, Jacob Schuddematte, Jacob en zijn vader Jan Godschalck, Roegier van Peene en zijn zonen Charles en Jan, ...
In de lijsten met leden die in december 1582 een bijdrage hebben gestort ten voordele van de Brusselse kerk en in 1584 ten voordele van de gereformeerde gemeenten van Gent en Oostende vinden we nog Adam der Kinderen en ouderlingen Christiaen van Straselle en Lowys van Wingen.
In de acta vinden we vermeldingen van Pieter en Jan de Pruet junior en senior van Ronse in 1571, van Pieter Wellens in 1573, van Mayken Borcheljoens in 1574, van vader en zoon Hermes Celosse in 1575, van Jasper van der Hagen als ouderling van Ronse in 1580, van Pieter Batailge en zijn zoon Joseph in 1582, van Jan Rijselinck van Ronse in 1584 en van Charles Braems, ouderling in de kercke van Dover in 1585.
In 1559 was queen Elisabeth in Engeland aan de macht gekomen, en er werd opnieuw een uitnodigend beleid gevoerd ten aanzien van vluchtelingen om-het-geloof.
De werkelijke reden was natuurlijk de stimulans die de aanvoer van vele geschoolde arbeiders en bekwame ambachtslui en ondernemers de Engelse economie kon geven!
De Nederduitse vluchtelingenkerk werd opnieuw opgericht te London, en later volgden nog vestigingen in Sandwich, Colchester, Halstead, Norwich,... veel vluchtelingen kwamen eerst in London terecht, en reisden
van daar dan door naar andere plaatsen in Engeland.
De heer Herweijer stelde de kwartierstaat op van Alijda van de Klashorst, geboren op 7 oktober 1898 te Amersfoort. Vooral de levenswandel van haar stamouder (14de generatie), Leonard der Kinderen, is voor ons interessant...
In het boek "de genealogie van het geslacht der Kinderen" door W.A. van Rijn kan men lezen dat Leonard der Kinderen in 1548 naar London was
gevlucht, en daarna naar Emden in Duitsland, waar hij in 1563 zijn bijbel uitgaf.
![]() |
Volgens Biblia Neerlandia werd in 1563 een versie van de naar de drukker Nicolaes Biestkens genoemde "Biestkensbijbel" uitgegeven en gedrukt -in een voor die tijd zeer ongewoon cursief lettertype- door Lenaert der Kinderen.
Het lettertype was zo ongewoon dat het aanleiding gaf tot de legende als zou het boek gedrukt zijn met zilveren letters, of op een schip op de Rijn.
Lange tijd werd door historici aan het bestaan van Lenaert der Kinderen getwijfeld; H.F. Wijnman suggereerde dat de naam der Kinderen een pseudoniem kon zijn.
R. Van Roosbroeck stelt in zijn boek "emigranten : Nederlandse vluchtelingen in Duitsland 1550 - 1600" dat Gaillard en Mierdman drukten in de kelder van het gemeentehuis van Emden.
Wanneer hij leest dat bij Lenaert der Kinderen te Emden, of bij Nicolaes Biestkens te Diest Calvinistische geschriften werden gedrukt, meent hij te maken te hebben met Jan Gaillard. Ook de naam Mattheus Jacobsz wordt door hem aanzien als een pseudoniem voor Gaillard. Jan Gaillard was afkomstig uit Brugge, en was in 1554 naar Büderich aan de Nederrijn gevlucht. In Emden was hij ook koopman in specerijen en laken, en hij werkte er als drukker
samen met Wouter Deelen (Delenius) van Gent en Huysmans uit Ronse.
Mierdman was vanuit Antwerpen in 1546 naar London gevlucht, en kwam in 1554 te Emden aan.
Lenaert der Kinderen staat echter vermeld op de loonlijst van "de Gouden Passer",
de "Officina Plantiniana", het bedrijf van de beroemde Antwerpse drukker Christoffel Plantijn, die de titel
van "koninklijk aartsdrukker" mocht voeren, maar er toch van verdacht werd in het geniep ketterse boeken te
drukken.
Chrisophe Plantin, circa 1520 geboren in Saint-Avertin bij Tours, Frankrijk, had zich in 1548 in Antwerpen gevestigd als boekbinder.
Hij was lid van de geheime heterodoxe sekte "het Huis der Liefde", waarvan Hendrik Niclaes de leider was.
De bijbelvertaling van 1563 zou in opdracht van Christoffel Plantijn door zijn werknemer Lenaert der Kinderen
gedrukt zijn in een drukkerij in Kampen, nabij Zwolle, waarvan Plantijn mede-eigenaar was.
Uit veiligheidsoverwegingen vermeldde hettitelblad Lenaert der Kinderen als drukker en uitgever. Het jaar
daarna is Lenaert naar Emden vertrokken, waar hij zijn drukkersactiviteiten verder zette en er fungeerde als verbindingsman tussen de Emder
drukkers en Christoffel Plantijn.
In de artikels van Paul Valkema Blouw, verschenen in het tijdschrift Quaerendo, over de geheime activiteiten van Plantin 1555 - 1583"
"the secret background of Lenaert der Kinderen's activities 1562 - 1567", lezen we dat Christoffel Plantijn een drukkerij in Kampen had, samen met Hendrik Niclaes, waar in 1562 op naam van
Lenaert der Kinderen, één van Plantijns zetters, een Nieuw Testament verscheen, het jaar daarop gevolgd door een complete Bijbel, bewerkt naar protestantse vertalingen. Lenaert der Kinderen
stond er samen aan het zetblok met Augustijn van Hasselt. Na de druk van deze twee bijbeluitgaven werd de pers er opgeheven, en der Kinderen bracht
Plantijns lettermateriaal terug naar Antwerpen.
Daar kreeg hij van zijn meester de beschikking over een deel van de typenvoorraad en de houtgesneden initialen. Hij reisde er eind 1563 mee naar Emden, en ging nog enkele jaren door met het drukken
van Bijbels, onder andere twee Nieuwe Testamenten die er in 1565 op zijn naam verschenen. Daar hij ook materiaal gebruikte van Willem Gaillart, zoon en opvolger van Jan Gaillart, nemen wij met de
heer Valkema Blouw aan dat deze activiteiten zich afspeelden in de drukkerij van Gaillart.
In 1566 was Lenaert alweer bij Plantijn in Antwerpen, en nog datzelfde jaar vertoefde hij in Sedan, een toevluchtsoord voor protestanten in de Franse Ardennen, waar een Nederlandse drukkerij bedrijvig was
die door P. Valkema Blouw wordt besproken in "a Haarlem Press in Sedan 1561 - '69". Toen deze pers overgebracht werd naar Emden, verhuisde der Kinderen mee.
Deels met eigen materiaal en deels met dat van zijn gastheer, drukte hij daar twee folianten met als merk : "Christus als Levensbron" en met het omschrift "comt ende drinct vvt die fonteyne des levenden waters".
Eén van die twee uitgaven is een clandestiene nadruk van van de zeer succesvolle "Emdense Bijbel" van de in 1554 naar Emden gevluchte drukker Gillis van der Erven (zie hoger). De andere publicatie was
een vertaling van de Sermonen op alle zon- en feestdagen van de Duitse musicus Joannes Tauler.
Vermoedelijk zijn deze werken, althans gedeeltelijk, gedrukt voor rekening van Christoffel Plantijn. Opvallend is dat in de boekhouding van Plantijns bedrijf "de Gouden Passer" der Kinderen in Emden gedebiteerd
staat voor enkele grote partijen papier, zonder dat die leveringen ooit betaald werden.
Lenaert der Kinderen is geen burger van Emden geworden en een eigen drukkerij heeft hij nooit gehad.
Na 1567 is men het spoor van Lenaert der Kinderen bijster...
David Stoker bespreekt in "Anthony de Solempne : attributions to his press", gepubliceerd in The Library, een boek dat in de 19de eeuw werd aangetroffen in de bibliotheek van het Trinity College in Dublin,
en dat vermoedelijk heeft behoord tot de bibliotheek van James Usher, de aartsbisschop van Armagh. Het volume bestond uit de Solempnes uitgave van de psalmen, zijn eeuwigdurende kalender, en een anoniem Nieuw
Testament.
Antonius de Solemme was in 1567 als vluchteling-om-het-geloof met zijn vrouw en twee zonen aangekomen in de Nederlandse protestantse gemeenschap van Norwich in Engeland. Hij kocht er in 1570 het poorterschap, en
staat er vermeld als de eerste beoefenaar van het beroep van drukker, en tevens handelaar in Rijnse wijnen. Vóór hij naar Norwich is gevlucht, was Antonij handelaar in specerijen te Antwerpen.
Henry Cotton, de 19de eeuwse bibliothecaris van Trinity College schreef het anonieme Nieuwe Testament toe aan de drukpers van de Solempne in Norwich.
Maar Cotton vergiste zich! Het is afkomstig uit een reeks Nederlandse Nieuwe Testamenten, waaronder een "octavo" en een "duodecimo" uitgave van 1567 en 1568, en een "sextodecimo"editie uit 1567, allemaal met de
zeer distinctieve houtgesneden titelpagina. De in 1567 uitgegeven "octavo" editie verschilt lichtjes van de andere door de vermelding "Gedruckt by Lenaert der Kinderen".
Alle lettertypes en houtsnij-initialen die in dit werk voorkomen, vindt men terug in boeken die met zekerheid zijn toegewezen aan de pers van Mierdman, Willem Gaillart en Lenaert der Kinderen in Emden.
De relatie tussen deze mannen was eerder obscuur : waar Gaillart de opvolger was van Mierdman, was Lenaert der Kinderen waarschijnlijk zelf geen meesterdrukker. David Stoker vermoedt dat hij een soort rondreizende
uitgever was die aan verschillende drukkers opdrachten gaf, onder meer aan Willem Gaillart uit Emden.
David Stoker constateert dat er verrassend veel gelijke letters gebruikt werden in de drukkerij van Solempne in Norwich en de drukkerij van Gaillart in Emden.
Misschien moest men eens onderzoeken of Christoffel Plantijn aan Lenaert der Kinderen ook opdracht had gegeven om in de Engelse vluchtelingengemeenschappen "ketterse" werken te produceren... de gebruikte letters
lijken dit zeker te suggereren, en de levenswandel van Lenaert der Kinderen sluit deze mogelijkheid zeker niet uit.
In de kroniek der drukkunst in de Nederlanden tot 1600, door J. Machiels lezen we dat op 7 december 1971 bij veilinghuis Beijers in Utrecht het tweede deel van de Library of the Mennonite Church of Amsterdam geveild werd. Een Nieuw Testament door L. der Kinderen in 1563 in Emden gedrukt ging er onder de hamer voor 1900 gulden...
In het jaarverslag van 1995 van de Nationale Koninklijke Bibliotheek van Nederland staat onder de rubriek "bijzondere aanwinsten" : "Dat Nieuwe Testament ons Heeren Jesu Christi", gedrukt in Emden door Lenaert der Kinderen in 1565.
In december 2004 is er bij boekhandel Asher en C° B.V. uit Ijmuiden een exemplaar van een door Lenaert der Kinderen in 1563 clandestien gedrukte Biestekensbijbel te koop voor de som van 4750 €.
Deze boekverkoper constateert samen met Paul Valkema-Blouw dat deze editie een prachtig werk is. Zowel het papier, de compositie als het drukwerk zelf zijn van een hoge kwaliteir , en er is duidelijk bijzondere zorg besteed
aan het typografisch design.
Leonard der Kinderen had een zoon Adam.
In de eerste ledenlijst van de Nederduitse vluchtelingenkerk te London, gedateerd op 1550, vinden we naast mede-oprichter Joannes Vtenhovius, superintendens Joannes à Lasco, ouderlingen Martin Micronius, Hermes Backerheel en Egidius van der Erue
ook Adam der Kinderen en zijn vrouw Cornelia, zij woonden in "Suutwerck", en werden er ook vermeld in de lijst van 1551.
Deze Adam der Kinderen had ook een zoon Adam, geboren in London, en die trouwde op 27 mei 1571 in de Dutch Reformed Church Austin Friars te London met Elijsabeth van Roken, afkomstig uit het land van Gulick.
Het land van Gulick was de streek rond de huidige Duitse stad Jülich, en bevond zich in de driehoek gevormd door Venlo, Keulen en Aken.
Ik vermeld hier een belangrijke opmerking die professor Marcel Backhouse maakt in zijn studie over de vluchtelingengemeenschap te Sandwich in Engeland, waarbij de auteur er op wijst dat er dikwijls door de vreemdelingen
zelf verwarring werd veroorzaakt, omdat zij zich soms registreerden als afkomstig uit hun geboortedorp, en soms als afkomstig uit het toevluchtsoord waar zij laatst verbleven.
Adams zus Sara der Kinderen huwde er op dezelfde dag met Jan Wessels.
Op 4 september 1588 werd een lijst van gezinshoofden opgesteld, die lid waren van de Nederduitse vluchtelingenkerk te London. We vinden er Adam en Abraham der Kinderen.
Ook op 31 oktober 1594 werd een "catalogue" opgesteld van alle leden van de Nederduitse Kerk in London.
We vinden er Adam der Kinderen and his wyfe, wonende in de Nightingale Lane en zijn vermoedelijke broer, of toch zeker nauwe verwant Abraham der Kinderen and his wyfe in Lymstreet.
Abraham der Kinderen betaalde in 1591 en 1595 een vrijwillige jaarlijkse contributie van 12 stuivers, telkens voor een periode van 4 jaar, waarmee de "Nederduytsche Ghemeynte te Londen" voorzag in de onderhoudinghen van hun studenten.
Adam der Kinderen en Elijsabeth van Roken hadden drie kinderen : Adam, gedoopt te London op 21 januari 1578, Abraham gedoopt te London op 13 augustus 1581, en Isaac, gedoopt te London op 28 april 1583.
Zoon Adam woonde in de Pieter Jacob Dwarsstraat in Amsterdam, waar hij overleed op 12 maart 1644. Hij was gehuwd met ene Anna, die in 1644 achterbleef met één kind : Adam der Kinderen, gedoopt in de Engelse Kerk
te Amsterdam op 4 juli 1621, en aldaar begraven op 19 oktober 1691.
Hij was op de dag dat zijn vader stierf geondertrouwd met Rachel Murryday, gedoopt te Amsterdam op 17 mei 1620 en er overleden in 1688.
In 1617 vinden we een Abraham der Kinderen en zijn vrouw Lucretia en hun 2 kinderen in de ledenlijst van de Nederlandse vluchtelingenkerk in London. Abraham was een koopman, geboren in Engeland uit Neerlandsche ouders, en woonde in Limestreet Warde. In 1618 was hij nog steeds lid, maar bevond hij zich "beyonde sea".
Het huwelijk van Adam der Kinderen en Elijsabeth van Roken werd opgetekend in "The marriage, baptesimal and burial registers 1571 - 1874 of the Dutch Reformed Church Austin Friars London.", uitgegeven door
William J.C. Moens, de voorzitter van de Huguenot Society of London.
Voorlopig kon ik enkel de indexen op deze publicatie vinden in de uitgebreide VVF-bibliotheek te Melle. Misschien staan er in het origineel document of in de publicatie in extenso
wel de naam van Elijsabeths vader en moeder en/of enkele getuigen bij.
Er staan in deze doop-, huwelijks- en overlijdensboeken duidelijk veel familienamen uit (de streek rond) Ronse!
In de publicatie van de kerkeraadsprotocollen der Hollandse gemeente te Londen door A. Kuijper vinden we 'sDonderdaechs 10en may 1571 de aangifte van het voorgenomen huwelijk tussen Adam der Kinderen en Elisabeth van Cokere, "vuyt landt van Cleven", wellicht de verkeerd gelezen Elisabeth van Roken (de auteur leest bvb ook van Reene in de plaats van Van Peene).
Van Adams zijde verscheen de weduwe van Adam Der Kinderen, zijne moedere, en van Elisabeths zijde Mecheleynken, weduwe van Wouter Elst, "haere overgesettede".
"De dienaers hebben huerlieden versouck verwillicht" en "d'1ste uutroupinghe" werd vastgelegd op zondag.
Zeer merkwaardig is dat Willem Rouck in 1571 ouderling, en dus dienaer van deze Hollandse gemeente te Londen was.
Na John Vanrock en zijn gezin in 1549 en Willom van Ruok in 1553 is de registratie van Elijsabeth Van Roken in 1571 de derde vermelding die we in de 16de eeuw in Londen aantreffen.
Vermoedelijk waren deze personen zeer nauw verwant.
In de publicaties van de British history on line, de digitale bibliotheek van Britse geschiedkundige bronnen, bevindt zich een artikel uit 1911 over de geschiedenis
van het maken van muziekinstrumenten in het graafschap Middlesex.
Reeds in de 16de eeuw werden muziekinstrumentenbouwers vermeld, die zich in London hadden gevestigd, en sommige van deze personen waren met zekerheid overzee geboren.
Kirk & Kirk vermelden in het derde deel van de Publications of the Huguenot Society in hun dissertatie “Returns of Aliens” dat William Treasurer, een virginall-maker in 1568 terugkeerde naar Holland, nadat hij 50 jaar in Engeland had verbleven.
Zijn leerling Jasper Blanckart zal hem in zijn zaak opgevolgd hebben, want hij werd in 1582 –’83 vermeld in Aldgate Ward als een virginall-maker.
Andere virginall-makers waren duidelijk vluchtelingen om-het-geloof, zoals Lodewyke Tyves in 1568 en in 1582-’83 “Polle Fyeld and Marie his wief, he was born in Loven, in England 3 yeares at september last, and came for religion;
he ys a sejourner with John James, a virginall-maker, no denizon and of the Dutche Church”
Buitenlandse luit- en harpsnarenmakers waren ook niet ongewoon, zoals de Siciliaan
Norde Pallarum in 1568 en de Hollander Audrien Daniell en de twee Antwerpse mannen Joyce vanderoke en Peter Wellence in 1571.
Professor Patricia Croot gaf ons als bron voor deze vermelding de publicatie over Aliens in London van Kirk & Kirk op.
Inderdaad kunnen we daar lezen dat in mei 1571 op last van koningin Elisabeth in de stad London een inventaris opgesteld werd van alle vreemdelingen die er verbleven. Wijk per wijk, parochie per parochie werden alle vreemdelingen
geregistreerd.Het document begint als volgt :
"To the Right Honorable the Lordes and others of the Quenes Maiestes moste Honorable Pryvey Counsell.
May it please your Honoures to be advertised, that accordinge to the tenour of your Honoures lettres, I have caused a true and pefecte viewe and note to be taken of all the Straungers that are presentlie abidinge within the Cytie of London and the Liberties and Suburbes of the same, the particularytie whearof, with the circumstaunces of the same, accordingly maye appeare vnto your Honoures hearafter wrytten, viz. :--"
Hierna begint dan per wijk de opsomming van de er verblijvende vreemdelingen.
In het district Bridgewithout ward werd de samenstelling genoteerd van alle huishoudens van de 67 vreemdelingen die er woonden in St-Thomas hospital, één van de parochies van Southwark, waaronder :
Peter Wellens, gonnmaker, and Marie his wif, borne in Braband, haith one child named Abram, and a maid named Katheryn Riches, borne in Braband, and haue byne here ij yeres ; and Joyce Vanderoke, maker of harp stringes, born
in Andwerpe, haith byne here ij yeres, and Marie his wif, borne in Fraunce, iiij yeres.
Dutch, v French, j
Reeds op 10 november 1571 volgde een nieuwe telling. We vinden er in de Saint Thomas the Apostel Parishe :
Peter Wellence of Andwerpe, of thage of xxviij yeres, in England v yeres, came over for religion, a harp stringe maker, Marie his wif, borne where he was, of thage of xxxv yeres, and a child called Abraham Frieste which they kepe
of almes of thage of vj yeres, and a maid called Alexandra Derick, there borne also, of thage of xx yeres.
Dutch, iiij
Wat verder, in de Sainte George Parishe vinden we de registratie van :
Joise Friese, of Andwerpe, of thage of xxv yeres, a harpstringmaker, Marie his wif, borne in Brabant of thage of xxxiij yeres ; he in England iij yeres, she vij yeres, came for religion.
Dutch, ij
Van harpsnarenmaker Joyce Vanderoke en zijn Franse vrouw Marie geen spoor meer... vermoedelijk reisden zij door naar één van de andere vluchtelingenkerken in Engeland, of verlieten zij Engeland, wegens de hoge belastingdruk en de andere discriminerende maatregelen ten opzichte van de "straungers".
![]() |
Het fabriceren van harpsnaren is niet zo eenvoudig als men op het eerste gezicht zou denken.
De snaren voor de hoge tonen werden gemaakt van (katten)darmen.
De bassnaren bestonden uit een kern van darm, die spiraalvormig omwonden
was met een fijne ijzerdraad, zoals bij een pianosnaar. Bij een harpsnaar bevindt zich echter zijde tussen de kern en de metalen omwikkeling, wat het typische dromerige geluid van de harp veroorzaakt.
Het maken van harpsnaren lijkt een nevenactiviteit van een ambachtsman die over het fijne gereedschap van een metaalbewerker (bvb een wapenmaker) kan beschikken, waarmee de bassnaren met ijzerdraad konden worden omwikkeld.
Wellicht maakten deze handige lieden ook snaren voor de populaire virginalen, een soort clavecimbel waarbij de toetsen, die dwars op de snaren staan, een soort wipmechanisme bedienen, waarbij de snaren worden aangeplukt door nokjes.
Hiernaast ziet u een schilderij met een vrouw aan een virginaal van de laat 16de eeuwse Delftse schilder Johannes Vermeer.
Aangaande de geboorteplaats van Joyce Vanderoke nog het volgende fragment uit de lay subsidy van 1571 :
Jacob van Aken, a man of 37 yeares, born in Henego, came to London in februarie 1558, he came for religion, an arras worker, no denizen, one of the Douche Churche, Levyne his wief, a Flemynge borne ; Jacob his sonne, borne in Brussels, a
boye Abraham his sonne, borne in Antwerpe, a boye David, his sonne, and Anna, his daughter, borne in London.
De "pauvre" Mahieu de le Rocq die in 1540 werd meegeteld als inwoner van Ellezelles, werd als Mahieu de le Rocke in 1567 en 1573 veroordeeld in Mesen.
Ongetwijfeld had Mahieu in 1566 deelgenomen aan de beeldenstorm, en was hij daarvoor veroordeeld.
In de "stukken betreffende de diaconie der vreemdelingen te Emden" uit de periode 1560-1576, gepubliceerd in de Werken van de Marnixvereeniging, bevindt zich een namenlijst die werd opgesteld tijdens een "extra ordinaire bedeeling".
Eén van de namen uit die lijst is De la Rocke of De la Roche Mathieu.
Zonder twijfel was Mathieu de la Rocke ook zo'n religieuze vluchteling.
Pieter Bast maakte in 1599 een schets die ons een prachtig zicht geeft op de Emder haven :
![]() |
In samenwerking met de "Friends of Historic Essex" heeft George Emmisson alle testamenten gepubliceerd die tussen 1550 en 1650 werden opgemaakt in het graafschap Essex en goedgekeurd door "the archdeacony Courts".
In zijn inleiding vermeldt de auteur dat de welgekende emigratie van vrome Vlamingen naar Colchester en Halstead bevestigd wordt in twee testamenten, dat van Henry Ozell en dat van Charles Godscalk.
Het testament van Henry Ozell werd opgemaakt op 7 september 1582. Hij werd omschreven als "alien" en was dus niet geboren in Engeland. Hij woonde in Colchester.
Henry Ozell schonk 10 s. aan the poor people of the Dutch (i.e. Flemish) congregation in Colchester en eenzelfde som aan de armen van de Nederlandse (Vlaamse) congregatie in Halstead.
Zijn overige goederen wees hij in drie gelijke delen toe aan zijn drie dochters Jakemynken, Gaengen en Mayken. Deze laatste duidde hij samen met haar man Christian De Frend aan als executeurs van zijn testament.
De getuigen waren de scribent Willem Vigerus, Edmond Smythe, Jan Van Rooke en Joos Myner.
Het testament van Henry Ozell werd door "the archdeacony Courts" goedgekeurd op 26 oktober 1582.
In 1565 had het stadsbestuur van Norwich onder leiding van burgemeester Thomas Sotherton 30 meester-wevers uit de "Lowe Countrys of Flaunders" met hun familie en arbeiders uitgenodigd zich in hun stad te vestigen.
Door de crisis in de textielnijverheid en de ongewoon strenge winter was een deel van de bevolking sterk verarmd, en dreigde de hongerddod te sterven.
De stadsmagistraten hoopten dat de aangetrokken ondernemers de textielbranche een nieuwe relance zouden geven en de stad weer welvaart zouden brengen.
Eén van die 30 ondernemers heette Christian Vrinde.
Raingard Esser stelt in haar boek over de "Niederländische Exulanten im England des 16. und frühen 17. Jahrhunderts" dat in de Nederduitse vluchtelingencongregatie in Norwich "Politijcke mannen" dikwijls werden gekozen als getuigen bij het opstellen van testamenten.
Er werd hen dan verzocht de testamenten uit het Nederlands of het Frans naar het Engels te vertalen, en in enkele gevallen fungeerden zij ook als opsteller van de inventaris der goederen van de overledene.
In de andere Nederduitse congregaties in Engeland bestond het instituut der "politijcke mannen" niet, en werden hun taken uitgevoerd door de ouderlingen.
Ook in die andere vluchtelingengemeenschappen stelde dr. Esser vast dat 45% van de getuigen bij testamenten predikers, diakens of ouderlingen waren.
Misschien was Jan van Rooke tot ouderling verkozen in de vluchtelingengemeenschap van Colchester of Halstead.
De Vlaamse gemeenschap in Colchester startte rond 1565 toen 11 uit de Nederlanden gevluchte textielondernemers met hun ervaren, goed opgeleid personeel en hun families door het stadsbestuur werden uitgenodigd zich in de stad te vestigen.
In 1571 waren er in Colchester 185 "Dewchmen", in 1573 reeds 431, in 1586 waren er 1291 en in 1616 1571.
Ze waren gespecialiseerd in het weven van -meestal witte- baaistoffen van zeer hoge kwaliteit, gebruikt voor het vervaardigen van kledij.
Verder onderzoek naar de naam Ozell en de leden van de vluchtelingengemeenschap van Colchester en Halstead zal misschien een verband aantonen met één van onze familietakken.
Het is een feit dat de familie Van Roocke, een uit Ellezelles afkomstige om-het-geloof gevluchte tak van de familie De le Rocque, die zich op het einde van de 16de eeuw in Zuid-Holland vestigde, zeer duidelijke connecties had met de Engelse plaatsen Noorwits (Norwich) en Colchester waar Nederlandse vluchtelingenkerken waren (zie de genealogie van Marcus van Roocke).
Op 28 november 1586 huwden te Leiden ene Matheus van Reulo uit Belle (Noord-Frankrijk), wonend te Emmerick, en Catalina de Heere eveneens uit Belle.
Catharina was weduwe van N.N. Ouzeel.
De getuigen van de bruidegom waren zijn "couzijn" Willem Endt en Huybrecht van Aelst, de getuigen voor de bruid waren Tanneken en Proentgen Verstrassele.
De dochter van Bartelmeus van Roocke was gehuwd met Jan Enten uit Colchester...
Zeer waarschijnlijk is deze Jan van Rooke dezelfde persoon als Jehan de Rocq of le Roch die in 1568 om-het-geloof in Doornik werd gevangen genomen (zie de familie de le Roke in Doornik).
In de belastinglijst van 1 augustus 1582 staan Gyles vander Ogen en his wief geregistreerd.
Zij waren "straungers by poll" en verbleven in Portsoken warde te London, in de "St-Buttolphes paroche".
Als je vander Ogen in het Engels leest, lees je voor de "g" een soort zachte "k", en hoor je ongeveer Vanderoken.
Als men in de volgende voorbeelden bekijkt hoe zwaar sommige achternamen verminkt en verbasterd werden, vind ik dat men er gerust kan van uit gaan dat vander Ogen een fonetische nabootsing in Engelse spelling is van de naam Vanderoken.
Voorlopig ontbreekt echter elk verband met de hiervoor genoemde personen...
De naam Tierentijn werd ook geschreven als Terrington, Vandereecken werd als vanderhakin en vanderhakyn genoteerd, ...
Martin Maréchal en Pierre le Cat werden eind 1584 of in januari 1585 te London aangesteld tot executeurs van het testament van Mariette le Rocq.
Bij de uitvoering lieten zij de belangen van de achterblijvende alleenstaande zuster van Mariette le Rocq primeren over de aanspraken van de diakenen van de Franse vluchtelingenkerk van Londen.
Het consistorie kon geen begrip opbrengen voor dit 'tekort doen aan de kerk', waarbij de broeders vooral de tekorten van de diakonie op het oog zullen hebben gehad.
Voor Pierre Le Cat, een Waalse glasmaker uit 'Movuse' (Maubeuge ?), betekende dit een eenmalige afhouding van het avondmaal op vijf maart 1585.
Martin Maréchal, een in Lille geboren, maar uit Antwerpen afkomstige zijdewever, die sedert januari 1584 diaken was van de Franse kerk, werd daarenboven geschorst in zijn diakenambt wegens benadeling van de kerk. Bij de eerstvolgende verkiezing van nieuwe ouderlingen en diakenen, in juli van dat jaar, maakte het consistorie de gemeente bekend dat Martin Maréchal oneervol was ontheven uit zijn ambt.
Op http://www.peene.net, de website van Werner Peene, vindt men volgende gegevens :
Jan van Peene, linnenwever, zoon van Rogier was in Roeselare getrouwd met Passchyne Van Hulle fa Jooris. Ze overleed te London op 22 juni 1580, en die dag werd er voor notaris Typpots in London een huwcontract opgesteld, met als medecomparanten Jaques Osten fs Passchiers van Gent, en Karel van Peene fs Roegier.
Jan hertrouwde te London op 7 september 1581 met Josyntgen Dorpes uit Tielt.
Op 25 februari 1583 werd Jan van Peenen door de predikanten, ouderlingen en diakenen van de Nederduitse vluchtelingengemeenschap te Londen voorgedragen als kandidaat opvolger van de overleden ouderlingen Mathijs Luls en Jan Beelen. Jan wou echter "uut de verkiesingen gelaten worden".
Op 21 maart 1583 werd Jan van Peene geregistreerd als zijdewever.
Jan huwde een derde keer te London op 13 december 1586 met Sara Vannuffele van Antwerpen.
Jan huwde een vierde keer te London op 20 augustus 1588 met ene Cathelijne Larocke, borne in Oudenaarde. Zij was weduwe van Arendt Rijckx.
Aangezien het ten zeerste te betwijfelen valt dat er over deze mensen nog meer informatie zal gevonden worden, moeten wij dus durven conclusies trekken uit de voorgaande gegevens...
Gezien het gemeenschappelijk geografisch voorkomen in de St-Olavesparochie in de Londense voorstad Southwark, op de zuidelijke oever van de Thames, van John Vanrock in 1549 en Jaymes Vanrocus in 1593, en het feit dat
John in 1549 reeds goederen van een zekere waarde in bezit had, en Jaymes in 1593 een leerjongen was,
beschouwen wij hen als grootvader en kleinzoon.
Aangezien Joyce Vanderoke in 1571 verbleef in de aangrenzende St-Thomasparochie, mag die er misschien wel tussen als zoon van John en vader van Jaymes.
De gemeenschappelijke connectie met James (H)Ost(e) brengt Cathelijne Larocke in beeld als mogelijke dochter van John, en tante van Jaymes.
In de belastingrol van 1593 van Surrey werd Jaymes Vanrocus, alien, geregistreerd. Hij betaalde "for his pole" viij schellingen belastingen.
De uitdrukking "for his pole" werd aangewend bij dienstboden en leerjongens. Jaymes Vanrocus
was in dienst bij Jacob Ost, samen met John de Geif, alien, Lawrence Vandaman, alien, en Haunce Verbrugge, alien, ze woonden in zijn huis in the Church Yard in Surrey.
De goederen van Jacob Ost, alien, werden geschat op xx pond, en hij moest daarvoor vj pond vj stuivers en viij schellingen belasting betalen.
In 1582 werden Jacob Ost en his wief Jonakin als strangers geregistreerd in the ward of Bridge without, zij waren lid van de Dutch Church, en Jacob was "whitster".
Het woord whitster is een samentrekking van het woord whitester, dit is een bleker van linnen.
Ook in de ledenlijst van de Dutch Church van 1585 staan James Osten and his wyfe vermeld. Zij woonden in de parochie St. Olave in Short Sowthworke.
In de ledenlijst van de Nederduitse vluchtelingenkerk van London van 1594 vinden we James Hoste and his wyfe, en hun meid Vynken van den Bursen. Ze woonden in St. Lawrence Pontene, net als Charles van Peene en zijn meid Vynken van Moerbeke.
In de belastinglijst van Surrey van 27 oktober 1595 werd Jacob Host opnieuw ingekwartierd. Zijn goederen waren xx pond waard, en hij betaalde iij pond, vj stuivers en viij schellingen belastingen. Als zijn dienstboden werden geregistreerd :
Cornelis Beard and Janekin, his wif, aliens, Jan de Geist, alien, Lawrence van Damma, alien en Tanekin Twitzer, alien.
Cornelis Beard, geboren in "Ardoy in Flanders" vinden we in 1618 terug als "whitster". Hij ondertekende met "by my Cornelis Baert".
We stellen vast dat Jaymes Vanrocus in dienst was bij Jacob Ost, ongetwijfeld als leerjongen in het ambacht van "whitster"...
Deze Jacob Ost was medecomparant bij het huwcontract aangaande het eerste huwelijk van de tweede man van Cathelijne Larocke...
Zeer waarschijnlijk is deze Jaymes Vanrocus dezelfde persoon als Jacop van Roqus, saaiwerker afkomstig uit Waterwijck in Vlaanderen, die op 21 juni 1602 te Delft in Zuid-Holland in het huwelijk trad met Grietge Willems, de weduwe van Jan Ambrosius.
Het enige toponym Waterwijck dat ik tot nog toe heb gevonden in Vlaanderen, is een wijk in Gent.
~:§:~
Wanneer we naar de familie van de roke uit het 16de eeuwse Berchem lonken, waar ene Joos van de Roocke de pater familias was, springt de gelijkenis tussen "Joyce Vanderoke" en "Joos van de Roocke" toch wel erg in het oog!
Ook de andere namen John = Jan, Jaymes = Jacob en Elijsabeth komen in de Berchemse familie voor, de naam Gyles=Gillis kwam voor bij de familie in Kerkhove...
bovendien wijst ook de geboorteplaats Oudenaarde van Cathelijne Larocke zeer sterk in die richting, ... maar het blijft onzeker zo lang er geen bijkomende informatie over deze personen en hun herkomst gevonden wordt.
Hierbij durf ik er op wijzen dat er niet veel families Van (der) Rocke waren in Vlaanderen en omstreken en dat er geen redenen bestaan om aan te nemen dat men in het 16de eeuwse London en in de andere Vlaamse en Nederlandse vluchtelingengemeenschappen in Engeland een àndere familienaam zou kunnen vertaald of verbasterd hebben tot het Nederduitse Van(der) Rocke.
Wel wijst de schrijfwijze Willom fonetisch geïnterpreteerd dan weer eerder naar een Guillaume dan naar een Willem, en hebben we hier misschien tóch net als in de Zuid-Hollandse stad Leiden te maken met verwanten van twee verschillende takken van de bronfamilie de le Roke die door politieke, religieuze en economische factoren op ongeveer hetzelfde ogenblik de zuidelijke Nederlanden verlaten hebben, en zich -zoals zovele anderen- richting Engeland, en meer bepaald naar London hebben begeven...
Het is bijna onmogelijk dat emand die in 1549 in Engeland werd geregistreerd met de naam John Vanrock niét tot onze genealogie behoorde.
John Vanrock is de Engelse interpretatie van de naam Jan van Rocke, maar in de overwegend Vlaamse Saint-Olaveswijk in Southwark kan die naam reeds de vertaling zijn geweest van Jean de Rocq...
... die misschien samen met zijn schoonbroer François Varlut in 1559 in Orléans verbleef, in 1568 gevangen werd genomen in Doornik en veroordeeld wegens heresie...
en misschien in 1582 als (ouderling?) Jan van Rooke in de Vlaamse vluchtelingengemeenschap in Colchester woonde.
De registratie van Jan van Rooke in Colchester in 1582 is een zéér merkwaardige vondst, en schijnt te bevestigen dat de in Doornik om-het-geloof gevangen genomen Jehan de Rocq naar Engeland is gevlucht.
Wellicht is hij de verbindende schakel tussen de Doorniks-Elzeelse familie de le Rocque en de familie van Roocke die we vanaf het einde van de 16de eeuw in Zuid-Holland aantreffen.
Ik merk op dat er in die genealogie van Marcus van Roocke meerdere verwijzingen naar de vluchtelingengemeenschappen in Engeland zijn :
Marcus' dochter Anneke van Roocke en haar schoonzus Elijsabeth van Roocke waren in Leiden getuige bij het huwelijk van Hester Moreels uit Noorwits.
Grietgen van Roocken, de vrouw van Bartelmeeus van Roocke, was getuige bij het huwelijk van Jan du Moleyn, eveneens uit Noorwits.
Marcus Jacobsz van Roocke was gehuwd met Judth Braems, deze familie was afkomstig uit Noorwits.
De twee dochters van Bartelmeeus waren gehuwd met Jan Enten uit Colchester en met Samuel Blare, wiens zus Maeijke uit Colchester afkomstig was.
Vergeten we ook niet dat Adriaentgen van Roucke het nog steeds onvindbare Alcksieland opgaf als plaats van herkomst bij haar tweede huwelijk.
klik hier om naar het begin van deze pagina te gaan.