de stad Leiden


eind 16de eeuw


~:§:~


Leiden in Zuid-Holland


           In de 10de eeuw werd op de samenvloeiing van de Oude en de Nieuwe Rijn de nederzetting Leithon gesticht.
Deze woonkern ontwikkelde zich gestaag en in het begin van de 12de eeuw werden de eerste dijkjes opgericht en de eerste grondverhogingen verwezenlijkt. Leiden ontwikkelde zich als het belangrijkste centrum van het Rijnland, met een belangrijke marktfunctie. De eerste handelaars en ambachtslieden vestigden zich te Leiden.

In 1266 verkreeg Leiden stadsrechten van Floris V. De voornaamste industrie, de wolnijverheid en al zijn afgeleide taken, ontwikkelde zich verder, en culmineerde vanaf het eind van de 15de eeuw in de productie van het befaamde Leids laken. Deze stof was zeer deugdelijk en niet duur, en werd weldra geëxporteerd door gans Europa.
Door de concurrentie van de Vlaamse saainijverheid, waarbij met nieuwe produktiemethoden een gevarieerd gamma aan lichtere en goedkopere stoffen kon worden geweven, raakte de Leidse textielindustrie in de eerste helft van de 16de eeuw in verval.
Door monocultuur werd de hele stad in de economische depressie meegesleurd, de handelaars verlieten de stad en Leiden verpauperde.

Na de religieuze troebelen van 1566-'67 had het stadsbestuur vele oproerkraaiers uit de stad verbannen, doch in 1572 koos Leiden de zijde van de opstand en werden de katholieke magistraten vervangen door protestantse, en werd "de principale kercke" toegewezen aan de Calvinisten.

In oktober 1573 omsingelden de Spaanse troepen onder leiding van don Fadrique Alvarez de Toledo de stad, en plaatsten Leiden onder beleg. De inwoners hadden de belegering echter zien aankomen, hadden grote voorraden opgeslagen binnen de stadsmuren, en konden maandenlang de belegering weerstaan.
Toen Alva zijn troepen wegtrok om op de Mokerhei slag te leveren tegen Lodewijk van Nassau, dachten de Leidenaars dat het beleg voorbij was.

Eind mei 1574 keerden de Spaanse legers echter terug, en deze keer was de stad minder goed voorbereid. Hongersnood en opstoten van pest hadden tegen juni 1574 6000 doden geëist, en meer dan eens waren de inwoners de wanhoop nabij.
Door een taktiek van moedwillige overstromingen, de Spaanse afkeer van een nakende barre winter, en een aanval van de watergeuzen onder leiding van Louis Boissot, leidden op 3 oktober 1574 tot een "wonderbaerlicke verlossinge", en dit "Leids Ontzet" wordt nog steeds jaarlijks herdacht.

zicht op Leiden a° 1574

Het Leids stadsbestuur stond toen voord de zware taak de gehavende stad te herstellen en de stedelijke economie nieuw leven in te blazen, "daer de hoofdneringhe van draperie, eenige steunsel van dezelve [stad], voor vyftich, tzestich ende langer jaeren herwaerts, gestaedelijcken vermindert, afgeloopen ende tot niet gecomen is" ..."ende dat dezelve stadt deur haer twee belegeringen, een zoo langhen tyt geduyrt hebbende, en deur de armoede en ellende by hare borgeren overgecomen ende geleden, gans uytgeput geworden ende tot zulcken verloop ende t'achterheyt gecomen es, dat zy qualyc middel heeft haer zelven in wezen ende nootelicke getimmerten te onderhouden, veelmin haere schulden te betaelen".

Alle maatregelen die werden getroffen om de stadseconomie te herstellen waren gericht op het stimuleren van de immigratie. Er werd aangepaste accomodatie geschapen om de vele tienduizenden vluchtelingen uit de zuidelijke Nederlanden aan te trekken. Er werd onderhandeld met de vele baai- en sajetdrapeniers die uit Vlaanderen naar Engeland geëmigreerd waren, en de vestiging van inwijkelingen was in 1579 reeds zo massaal, dat er toezicht op de binnenkomst van vreemdelingen werd geregeld, en er werd "belast en bevolen ... opt Raedhuys te comen, ... omme elceen te gerieven ... ende aldaer hem te vertonen de certificaten van de plaetse, stadt, dorp of vleck daer zy laetst geresideert ende gewoont zullen hebben, ... mitsgaders omme vorder te antworden opt gheene hem vorder zal worden afgevraecht, ende ooc omme den eed van getrouwicheyt te doen indien de zelve alsnoch by hem niet gedaen en zy".

In 1575 werd door stadhouder Willem van Nassau uit erkentelijkheid voor het dappere verzet tegen de Spaanse bezetter aan Leiden de gunst verleend een universiteit te mogen oprichten. Dit gebeurde natuurlijk ook uit noodzaak : alle universiteiten in de Nederlanden bevonden zich in de door de Spanjaarden bezette zuidelijke provincies, en aangezien studenten moeten kunnen studeren, werd in de eerste Noord-Nederlandse stad die zich definitief van het Spaanse juk kon bevrijden een universiteit opgericht.

Na de Spaanse herovering van vele Zuid-Nederlandse steden tussen 1582 en 1585 kwam een nieuwe, nog grotere golf migranten naar Leiden. De stad hield daarbij, beducht voor onbetrouwbare elementen, de binnenkomende vluchtelingen nauwlettend in het oog, en men noteerde voor de schepenen "naem ende toenaem vande zelve, mitsgaders van de plaetse van zyn geboorte, van waer hy es, hoe lange hy hier geweest heeft, waer mede hy hem geneert ende waer hy hier woont of wonen zal", waarna de eed van trouw moest afgelegd worden.

Al deze vreemdelingen werden in den beginne zo veel mogelijk in de leegstaande kloosters, gasthuizen en begijnhoven gehuisvest, het poorterschap werd hen geschonken indien zij beloofden minstens 5 jaar in de stad te blijven.


Centraal op deze gedetailleerde kaart van Leiden, a° 1600 getekend door de uitgeweken Antwerpse beeldhouwer Pieter Bast, prijkt de Sint-Pieterskerk. Aan deze schutspatroon ontleent Leiden ook zijn bijnaam "sleutelstad".

In 1609 vestigde zich in de onmiddellijke omgeving van de Sint-Pieterskerk te Leiden een grote gemeenschap religieuze vluchtelingen, door koning James I verdreven uit Engeland. Enkele jaren later vertrokken de meeste van deze Pilgrims met twee schepen naar Amerika, waar ze als de founding fathers van de nieuwe natie worden beschouwd.

Door de stadsuitbreidingen van de 13de, 14de en 15de eeuw werden er steeds nieuwe verdedigings-
grachten rond het stedelijk grondgebied gegraven.

Gedurende vele eeuwen werden deze grachten gebruikt als open riolen, als bron van watertoevoer voor de verschillende productiestadia van de wolnijverheid en haar afgeleide bewerkingen. Ze werden ook gebruikt als echte verkeersaders en sloten aan op een wijd vertakt net van grachten en kanalen dat vele Zuid-Hollandse steden met elkaar verbond.

Men merkt onmiddellijk hoe dichtbebouwd de Leidse binnenstad in 1600 was, en om de enorme toevloed aan inwijkelingen te kunnen opvangen en de nieuwkomers te huisvesten, werd het grond-
gebied van de stad uitgebreid in 1596, 1611, 1644 en 1659.


Op de plattegrond van Leiden uit 1614, opgesteld door Jan P. Dou, staan de opeenvolgende uitbreidingen van de stad duidelijk aangegeven.



In tegenstelling met de Middeleeuwse stenen stadsmuren waren de 17de eeuwse stadsgrenzen aarden wallen met bolwerken.
In die bolwerken waren er 8 stadspoorten, onder andere de nu nog bestaande Zijlpoort en Morspoort.

Reeds in 1595 constateerde het stadsbestuur dat vele duizenden vreemdelingen in de stad hartelijk ontvangen waren "mer als off zy van aver tot aver van deser stede gewonnen ende geboiren waren geweest... ontfangen, aangenomen ende onthaelt,... [ende] dat andere steden hun haere poorten geslooten hielden"

De bevolking was er arm en de inwijkelingen balanceerden op de grens van het absoluut bestaansminimum. Op het eind van de 16de eeuw ontving 40 tot 50% van de bevolking goedkoop brood.

De nieuwe impuls die de komst van de Zuidnederlandse immigranten op het eind van de 16de eeuw gaf aan de Leidse stedelijke economie, luidde het begin in van een geheel herstel.
Tussen 1575 en 1620 waren 68% van de nieuwe poorterinschrijvingen er Vlamingen. In 1622 werd in de Republiek der Zeven Provincies het hoofdgeld geïnd, en men kon daarbij vaststellen dat 30000 personen, of ongeveer twee derden van de Leidse bevolking van Zuid-Nederlandse afkomst was.

In de Gouden Eeuw was Leiden na Amsterdam de grootste stad van de Republiek der Zeven Provinciën geworden.
De voorspoedige bloei van de stad werd ook weerspiegeld op wetenschappelijk en cultureel vlak, en vele beroemde vorsers en kunstenaars verbleven in de sleutelstad.

We bespreken de stad Leiden tijdens de Noord-Nederlandse Gouden Eeuw in een aparte bijdrage.



klik hier om naar het begin van dit document te gaan

verder naar de eerste generatie migranten in Zuid-Holland eind 16de eeuw