de stad Gent


in de 14de en 15de eeuw



~:§:~



Gent in Oost-Vlaanderen



            De naam "Gent" is afgeleid van het Keltische woord "Ganda", dat samenvloeiing betekent : op de plaats waar de Leie en de Schelde samenvloeien is de stad Gent ontstaan.

Archeologische opgravingen brachten vondsten uit het steen- en ijzertijdperk aan het licht, die bewijzen dat er toen reeds woonkernen waren.
Tijdens de Romeinse bezetting was er een nederzetting die zich van de samenvloeiing van beide rivieren op een hoge zandrug noordoostwaarts uitstrekte.
Iets meer stroomopwaarts aan de Schelde bevond zich de Romeinse villa van Blandinius, vermoedelijk het centrum van een grote landbouwuitbating.
Door de Germaanse invallen van het begin van de 5de eeuw kwam een einde aan de Romeinse periode en vestigden zich Salische Franken in deze streek.

In de 7de eeuw werden door de heilige Amandus en zijn volgeling Bavo twee abdijen gesticht : de St.-Baafsabdij aan de samenvloeiing van Leie en Schelde, en de St.-Pietersabdij op de Blandijnberg.
Beide abdijen hadden een grote invloed en rond beide abdijen ontstonden dorpen.
Toen reeds had Gent een grote aantrekkingskracht op de omliggende streek.
Tijdens de invallen van de Noormannen, die op het einde van de 9de eeuw via de grote rivieren landinwaarts trokken, werden beide abdijen geplunderd.
Het prille Gent werd volledig van de kaart geveegd.

Na de plunderingen door de Vikings, liet Boudewijn de Kale, graaf van Vlaanderen in de eerste helft van de 10de eeuw op de linker Leieoever een verterkte vesting bouwen.
Deze vestiging werd door zijn opvolgers stap voor stap uitgebreid tot het statige gravensteen.
Deze veilige plek werd uitgebreid met een marktplaats en er ontstond al gauw een nederzetting. Ook de dorpen rond de beide abdijen leefden weer op.
Mede door een grote toevloed aan plattelandsbewoners groeiden deze woonkernen naar elkaar toe, en nam de bevolking in Gent steeds toe.
Vóór het jaar 1000 waren er te Gent reeds 4 kerken : de St.-Janskerk en de voorlopers van de St.-Jacobs-, de St.-Niklaas- en de St.-Michielskerk!
In 1178 wisten de bewoners van Gent stadsrechten te bekomen van graaf Filips van de Elzas.
In tegenstelling tot het platteland, gold er in de stad Gent voor haar bewoners persoonlijke vrijheid en rechtszekerheid.
De stad werd omwald en ommuurd, en rond 1300 had Gent reeds een grondgebied van ongeveer 650 hectare en er waren toen ongeveer 65000 inwoners.
Ten noorden van de Alpen was enkel de stad Parijs van vergelijkbare grootte.

Het panoramisch zicht op Gent uit 1534 geeft een prachtige momentopname van de stad, die er toen in grote lijnen hetzelfde uitzag zoals in de 14de eeuw.
Op de voorgrond prijkt nog de Sint-Baafsabdij, die 20 jaar later in opdracht van keizer Karel zou gesloopt worden, om plaats te maken voor het "Spanjaardenkasteel".

Tussen de jaren 1000 en 1400 verkreeg de stad haar rijkdom door de produktie en handel in wollen lakens.
De beste kwaliteit Engelse wol werd ingevoerd, en door ongeschoolde werklieden gesorteerd, gewassen, gesponnen en gebleekt, en daarna door hoog gekwalificeerde ambachtslieden geweven, vervilt, gekamd, gekaard, geschoren en geverfd, zodat een luxeproduct van ongeëvenaarde kwaliteit ontstond.
Dit Gentse laken werd dan door kooplui verhandeld op de jaarmarkten van de Champagnestreek, het Rijnland en de hanzesteden van de Oostzee.
Via de "westvaart" verhandelde men het Gentse laken langs de Franse westkust, in Portugal en Spanje, en zelfs in Noord-Afrika.
60% van de Gentse bevolking was op één of andere manier betrokken bij de vervaardiging en de handel van deze wollen stoffen.

De families van de welvarende Gentse kooplui trokken ook de politieke en gerechtelijke macht in Gent naar zich toe.

De rijke -en soms pronkerige- levenswijze van deze toplaag van de Gentse maatschappij, was slechts mogelijk door uitbuiting en onderdrukking van de handwerklieden.
Rond 1300 kwam deze lagere klasse in Gent en de andere Vlaamse steden tegen deze situatie in opstand.
In 1302 streden zij aan de zijde van graaf Gewijde van Dampierre op de Groeningekouter te Kortrijk tegen het Franse leger en behaalden er op 11 juli een totale overwinning.
De stedelijke elite, die de zijde van de Franse koning had gekozen, moest een groot deel van haar macht prijs geven en toestaan dat ook de andere standen van de maatschappij in het stadsbestuur werden vertegenwoordigd.

De beroepsverenigingen, die oorspronkelijk waren opgericht om een strenge controle op de werklieden te kunnen uitoefenen, ontpopten zich tot echte gilden en verwierven een economische en politieke macht waar rekening diende mee gehouden te worden.
Deze gilden beheersten in grote mate het dagelijks leven van hun leden : ze maakten in groep deel uit van het stadsleger, gingen naar dezelfde kerk en liepen samen in de belangrijke processies in Gent, de St.-Lievensprocessie naar St.-Lievens-Houtem en de Onze-Lieve-Vrouw-processie in Doornik.
Ze hadden hun eigen gildenhuis, hun kapel gewijd aan hun patroonheilige, hun eigen hospitaal en hun eigen voorzieningen voor wezen en weduwen van de gildebroeders.

Onvermijdelijk barstte er in de 14de eeuw tussen de gilden onderling een strijd om politieke macht uit.
Vooral tussen de wevers en de volders heerste een bitsige rivaliteit.
De 14de eeuw wordt voor Gent dikwijls omschreven als de eeuw der Arteveldes, vanwege de korte periode van 1338 tot 1345 dat Jacop van Artevelde, en van 1379 tot '85 dat zijn zoon Filips in Gent de macht uitoefenden.

De stad Gent was toen één van de drie steden die, samen met Brugge en Ieper, het graafschap Vlaanderen economisch en politiek domineerden.
Regelmatig leidde dit tot conflicten met de overkoepelende autoriteiten.
Staatkundig behoorde Gent tot het Franse koninkrijk.
Voor haar voorziening in voedsel was Gent afhankelijk van de invoer van graan uit Noord-Frankrijk, maar de stad had voor haar lakennijverheid aanvoer van Engelse wol nodig.
Meer dan eens kwam Gent dan ook tussen twee vuren te zitten wanneer Frankrijk en Engeland de 100-jarige oorlog uitvochten.
De Gentse bevolking werd daarbij in twee kampen verdeeld : het gevestigde stadspatriciaat en de rijke lakenproducenten en -handelaars kozen de zijde van de Franse koning, de belangrijke ambachtsorganisaties kozen voor Engeland.

Jacob van Artevelde slaagde erin om gedurende de jaren 1338 - '45 door een diplomatische aanpak een gunstig economisch klimaat te creëren in de stad.
Na een periode van neutraliteit werd hij gedwongen partij te kiezen voor de Engelse koning, die te Gent zelfs officieel als koning van Frankrijk werd erkend.
In deze tijd werden politieke en economische discussies dikwijls opgelost met geweld, daarvan getuigen de vele vetes en vendetta's in alle West-Europese steden.
Jacob van Artevelde werd in 1345 vermoord door de aanhangers van de deken der wevers, Geraerd Denijs.

Graaf Lodewijk van Male kon de macht weer naar zich toe trekken en gedurende de repressie laaiden de tegenstellingen in de stad ongebreideld op.
Na een periode van meer dan 30 jaar relatieve politieke stabiliteit barstte in 1379 weer in alle hevigheid een Gentse opstand los tegen het grafelijk gezag.

In 1383 kwam de hertog van Bourgondië, Filips de Stoute, door zijn huwelijk met de dochter van graaf Lodewijk van Male in Vlaanderen aan de macht.
Het graafschap Vlaanderen was een deel van het Bourgondisch rijk geworden.
Gent moest al vlug ondervinden dat de Bourgondische hertogen een veel sterker gezag hadden, en dat opstanden streng werden onderdrukt.
Door toenemende concurrentie van de goedkopere lakenproduktie op het Vlaamse platteland, en de nieuwe textielcentra zoals Brabant, Holland en Engeland, ging het de stad ook economisch minder goed.
Nog steeds verliep alle handel in graan en wijn tussen Frankrijk en Vlaanderen bijna volledig via Gent, en de Gentse schippers beheersten de Vlaamse binnenwateren.

Wanneer we op het wereldberoemde schilderij van de gebroeders Van Eyck, de aanbidding van het Lam Gods, op één van de panelen aan de achterzijde door het venster naar buiten gluren zien we een zicht op Gent uit 1432.
We zien er de Koestraat, geschilderd vanop het eerste verdiep van de woning van de gebroeders Van Eyck op de hoek van de Korte Dagsteeg en de Vogelmarkt.

In de serie "Gent van toen & nu", uitgegeven in samenwerking met het Gents stadsarchief en de v.z.w. Gent Cultuurstad, vinden we in deel 15 de oudst bekende afbeelding van de Gentse skyline.
Deze schets komt voor in een miniatuur over de slag van Gavere en dateert uit 1453.