De genealogie van
Marcus van Roocke


de schare Zuid-Hollandse nakomelingen
van een Elzeelse emigrant


~:§:~



De eerste generatie



I.      Morick van der Roecke=Marcus vander roecke


           Marcus of Morick van der roecke werd in 1590 en 1591 als vader en getuige vermeld in Leiden, bij de huwelijken van zijn zonen Jaecques van der roecke en Bartelmeeus van Roucke.

Naast deze twee registraties als getuige bij het huwelijk van zijn zonen, konden wij van Marcus van (der) roecke voorlopig geen andere sporen terugvinden in de Leidse archieven.
Wanneer Marcus' dochters Adriaentgen van de rouke en Lurens Rocque te Leiden (her)trouwden in 1592 en 1596, was hij geen getuige. Wellicht was Marcus ondertussen overleden.

Aangezien zijn zonen die in Leiden trouwden werden geregistreerd als afkomstig van "Elsylle bij Ronse" en van "Henegoue bij Ronse", behoorde deze stamvader Marcus ongetwijfeld tot de familie de le Rocque uit Ellezelles.
Marcus moet daar geboren zijn rond 1550.

Marcus,of Morick,of Maercq de le Rocque werd voorlopig evenmin in de Elzeelse archieven teruggevonden. Er werden reeds heel wat archieven doorzocht, maar de zoektocht is zeker nog niet ten einde! (zie de familie de le Roke in Flobecq en Ellezelles).
Soms is het feit dat je ergens niéts vindt veelzeggend : misschien wàs de gezochte persoon er effectief ook niet aanwezig...
Ik vermeld hier echter onmiddellijk dat er door oorlogen en branden enorm veel archieven van deze streek -la terre des débats- verloren zijn gegaan.

Een goede "kandidaat-vader" van Marcus lijkt mij Jehan de Rocq of le roch die om-het-geloof in 1568 in Doornik werd gevangen genomen, waarbij zijn eigendommen en goederen werden geconfisceerd.
Jehan de Rocq was gehuwd met Geneviève Varlut, dochter van de reeds in 1531 om-het-geloof verbannen Raimond Varlut en zus van de beroemde Doornikse godsdiensthervormer François Varlut.
Jean le Rochs vrouw Geneviève werd in 1564 eveneens in de gevangenis opgesloten omdat ze haar broer onderdak had verleend. (zie de familie de le Roke in Doornik).

Misschien was deze Jehan le roch of Jean de Rocq ook dezelfde persoon als de religieuze vluchteling John Vanrock die we in 1549 in London aantroffen... (zie een zwervende familie van Roken).
Deze familie was immers zeer mobiel :
François Varlut studeerde in 1550 in Genève.
In 1559 en 1560 verbleef hij samen met één van zijn zussen en een schoonbroer (Jean de Rocq?) en enkele vrienden in Orléans.
In 1561 keerde hij terug naar Doornik om de jongeren er te onderwijzen in de leer van Calvijn.
In 1562 werd François Varlut er gevangen genomen en terecht gesteld wegens heresie.

J. Briels leert ons dat na de repressie van 1567-'68 een tweede migratiegolf op gang is gekomen van de Nederlanden naar Duitsland en Engeland.
De meeste vluchtelingen keerden na een tijdje terug naar hun thuisbasis waar zij erin slaagden om Calvinistische besturen te organiseren, om dan na de herovering van deze steden door Alva in 1581 definitief hun vaderland te verlaten.
Deze passage is mogelijk zeer toepasbaar op de tak van onze familie die we hier nader bestuderen :

Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was het deze Jehan de Rocq die in 1582 in Colchester getuige was bij het opstellen van het testament van Henry Ozell, waarbij hij werd geregistreerd als Jan van Rooke.
In de "Essex Wills" gepubliceerd door Frederick George Emmison in samenwerking met de Friends of Historic Essex, onder de auspiciën van het Essex Records Office, lezen we dat het testament van Henry Ozell werd goedgekeurd op 26 oktober 1582.
De "alien" Henry Ozell schonk 10 s. aan the poor people of the Dutch (i.e. Flemish) congregation in Colchester en eenzelfde som aan de armen van de Nederlandse (Vlaamse) congregatie in Halstead.
Aan al zijn kinderen die hij had in Colchester liet Henry 10 s. na.
Zijn overige goederen wees hij in drie gelijke delen toe aan zijn drie dochters Jakemynken, Gaengen en Mayken. Deze laatste duidde hij samen met haar man Christian De Frend aan als executeurs van zijn testament.
De getuigen waren de scribent Willem Vigerus, Edmond Smythe, Jan Van Rooke en Joos Myner.

Dr. Raingard Esser stelt in haar boek over de "Niederländische Exulanten im England des 16. und frühen 17. Jahrhunderts" dat in de vluchtelingengemeenschap van Norwich dikwijls "Politijcke Mannen" werden gekozen als getuigen bij het opstellen van testamenten.
Er werd hen dan verzocht de testamenten uit het Nederlands of het Frans naar het Engels te vertalen, en in enkele gevallen fungeerden zij ook als opsteller van de inventaris der goederen van de overledene.
In de andere Nederduitse gemeenten in Engeland bestond het instituut der Politijcke Mannen niet, en werden hun taken uitgevoerd door de ouderlingen.
Dr. Esser berekende dat in 45% van alle testamenten opgesteld door religieuze vluchtelingen, diakenen, predikers of ouderlingen werden gekozen als getuigen.
Misschien was Jan van Rooke tot ouderling verkozen in de vluchtelingencongregatie van Colchester of Halstead.
Verder archiefonderzoek zal daarover misschien meer zekerheid brengen...

De nederduitse gemeenschap in Colchester startte rond 1565 toen 11 uit de Nederlanden gevluchte textielondernemers met hun ervaren, goed opgeleid personeel en hun families door het stadsbestuur werden uitgenodigd zich in de stad te vestigen.
In 1571 waren er in Colchester 185 "Dewchmen", in 1573 reeds 431, in 1586 waren er 1291 en in 1616 1571.
Ze waren gespecialiseerd in het weven van baaistoffen van zeer hoge kwaliteit, meestal wit, en gebruikt voor het vervaardigen van kledij.
De strenge kwaliteitscontrole gebeurde in the Bay Hall onder de autoriteit van de Nederduitse congregatie.
De productie van hoogwaardig textiel door de Vlaamse inwijkelingen creëerde rechtstreekse werkgelegenheid voor de verarmde locale bevolking, en gaf een belangrijke impuls aan de economie van Colchester door de verhoogde activiteit in de toelevering van grondstoffen en de toename van de (overzeese) handel in deze "new draperies".

De vluchtelingengemeente in Halstead bestond uit een groep van 11 families die op uitnodiging van het stadsbestuur van Halstead uit het nabij gelegen Colchester waren overgekomen.
Doordat er in Halstead reeds een bloeiende locale baaiindustrie bestond, werden "the Dutch" verplicht hun productie te laten keuren door de locale overheid, wat aanleiding gaf tot grote onenigheid en veelvuldige conflicten.
Deze immigratie verliep allerminst succesvol en in 1588 verlieten de inwijkelingen Halstead.
Sommigen keerden terug naar Colchester, anderen emigreerden naar Leiden.

We weten dat François Varlut, de schoonbroer van Jean de Rocq, als arbeider tewerkgesteld was in de Doornikse weefindustrie.
Zijn vader Raymond Varlut, verbannen en veroordeeld wegens heresie, was meersenier, een handelaar in onder andere luxueuze stoffen.
We weten ook dat Bartelmeeus van Roocke, de zoon van Marcus van der roecke, in 1602 in Leiden een middelgroot weefgetouw had in zijn woning.
Zowel de aangetrouwde familie van Jean de Rocq in Doornik (en hij zelf dus wellicht ook), als de Nederduitse religieuze vluchtelingen in Colchester waren actief in de textielsector, net als vele van de nazaten van Marcus van der roecke te Leiden.

We meldden reeds in het hoofdstuk over de de familie de le Roke in Doornik dat de familie Varlut op het eind van de 16de eeuw naar Hanau nabij Frankfurt in Duitsland was gevlucht. Toch vonden we ook enkele vermeldingen in de Zuidhollanse archieven :
Op 2 november 1674 ondertrouwden saaiwerker Jacob Varlus, afkomstig uit Leiden en wonend in de Achtergraft, met Maria Fix uit Orsie.
De getuige voor de bruidegom was zijn vader Jacob Varlus.
Antoinette Varlus huwde in 1623 te Delft, in 1637 en 1659 was ze er doopgetuige.

We vonden nog meer verbanden :
Op 28 november 1586 huwden te Leiden ene Matheus van Reulo uit Belle (Noord-Frankrijk), wonend te Emmerick, en Catalina de Heere eveneens uit Belle.
Catalina de Heere was weduwe van N.N. Ouzeel.
De getuigen van de bruidegom waren zijn "couzijn" Willem Endt en Huybrecht van Aelst, de getuigen voor de bruid waren Tanneken en Proentgen Verstrasselo.
Hester, de dochter van Bartelmeus van Roocke was gehuwd met Jan Enten uit Colchester...
De families Van Rooke, Ozell en Enten verbleven op het eind van de 16de eeuw in Colchester, in de Nederduitse vluchtelingegemeeschap van ongeveer 1300 personen.
De families Enten, Ouzeel en van Roocke vinden we iets later ook samen in Leiden... dat lijkt me een stevig verband!

In Leiden, op 30 juni 1637, waren Sara en Abraham Ozel getuige bij de doop van Anneken, dochter van David Ozel en Susanna Andriesdr.

De familie Buket uit Eeklo, de schoonfamilie van Marcus' oudste zoon Jacques van Roocke was op het eind van de 16de eeuw aanwezig in de Nederlandse vluchtelingengemeenschap te London.
Diens zoon Marcus Jacobsz van Roocke was gehuwd met Judith Braems die afkomstig was uit Noorwits.
Marcus' dochter Anneke van Roocke en haar schoonzus Elijsabeth van Roocke-Buket waren in Leiden getuigen bij het huwelijk van Hester Moreels uit Noorwits.
Grietgen van Roocken, de vrouw van Marcus' zoon Bartelmeeus was getuige bij het huwelijk van Jan du Moleyn uit Noorwits, haar dochters Hester en Judith van Roocke waren gehuwd met mannen uit Colchester.
Dit zijn toch wel allemaal zeer sterke aanwijzingen dat de Leidse familie van Roocke onmiskenbaar connecties had met de Nederlandse vluchtelingenkerken in Norwich en Colchester in Engeland, en waarschijnlijk niet rechtstreeks van Ellezelles naar Leiden is gekomen.

Leiden had immers zelf de naar Engeland gevluchte Vlamingen uitgenodigd : eind 1576 had het Leids stadsbestuur onderhandelingen aangeknoopt met de vluchtelingengemeenschappen in Colchester en Norwich om een aantal textielondernemers te overhalen zich in Leiden te vestigen.
Daarbij werd hen gratis poorterschap aangeboden en werd er op gewezen dat er in de stad geen gilden bestonden.
De opeenvolgende uitbreidingen van de stad Leiden op het eind van de 16de eeuw dienen in dit perspectief te worden begrepen : de magistraten wouden het risico niet lopen dat de aangetrokken textielondernemers zich in andere Zuidhollandse steden zouden vestigen wegens woningnood voor de arbeiders.
Reeds in 1577 lieten de eerste vluchtelingen uit Colchester en Norwich zich als poorter in Leiden registreren.
Helaas konden we in de Leidse poortersboeken geen leden van de familie van Roocke vinden.

De gangbare manier van voornaamgeving in de Elzeelse en Doornikse familie de le Rocque en de Leidse familie van Roocke verliep duidelijk volgens een klassiek stramien : de oudste zoon kreeg de voornaam van de vader van zijn vader, de tweede zoon kreeg de voornaam van de vader van zijn moeder, de oudste dochter had dezelfde voornaam als haar grootmoeder langs moeders zijde, waarna de volgende dochter de naam kreeg van de moeder van haar vader.
Daarna kwamen dikwijls de voornaam van moeder en vader zelf aan de beurt.

Naast deze traditie werden door de om-het-geloof gevluchte zuidelijke Nederlanders dikwijls namen gekozen uit het Oude Testament.
Er werd immers intensief aan bijbellectuur gedaan, en de parallellen in de lotgevallen van het Oudtestamentisch Joodse volk, en hun eigen wedervaren tijdens hun vlucht waren vermoedelijk niet echt ver gezocht ! (zie de paragraaf over de vluchtelingen op de pagina over de Nederlanden in de 16de eeuw).
Dit verklaart dan weer het voorkomen van namen als Salomon, Abraham en Isaac en wellicht ook de “eerste keer” Marcus bij de jongens, en Judick en Hester bij de meisjes.
Door de keuze van de naam Marcus voor zijn zoon kunnen we met stellige zekerheid besluiten dat Marcus' vader het gereformeerd geloof beleed.

Bijna in elke gezin van de familie van Roocke kunnen we deze klassieke gewoonte van naamgeving volgen en ze geeft dan misschien wel geen bewijs, maar toch zeker een sterke aanwijzing aangaande de vader van de “oude” Marcus…waarbij we mogen veronderstellen dat die dezelfde voornaam had als één van Marcus’ zonen Jaecques of Jan.
We vonden trouwens als jongste (en enige) vermeldingen van de familie de le Rocq in de parochieregisters van Ellezelles in 1598 een Jacques en een Jan de le Rocq.
In Delft vonden we in 1602 de registratie van een Jacop van Roqus, die waarschijnlijk ook tot de familie behoorde.
Louter afgaand op hun voornamen durven we besluiten dat deze Jannen en Jacops of Jacques ongetwijfeld allen nauw verwant waren.

Wanneer we de voornaam van Marcus' tweede zoon Bartelmeeus beschouwen, lijkt dit op zijn minst een “vreemde” keuze …
Dit wijst er volgens mij op dat vader Marcus van der roecke (of diens vader, want dikwijls bepaalden de grootouders de voornamen van de nieuw geborenen) zeer geschokt moet geweest zijn door de gebeurtenissen in Frankrijk gedurende de Bartholomeusnacht in 1572, toen zo’n 20000 Hugenoten werden vermoord.
Als blijvend aandenken daaraan -denk ik- heeft men de rond die tijd geboren zoon Bartremieu of Barthélémy genoemd.

Deze vondsten zijn allemaal grote en kleine aanwijzingen die zeker niet tegenspreken dat de in 1568 om-zijn-geloof veroordeelde Jean de Rocq uit de Doornikse familie De le Roke dezelfde persoon kan zijn als Jan van Rooke die in 1582 in de vluchtelingengemeenschap van Colchester verbleef... en dat die vader kan geweest zijn van Marcus van der Roecke die met zijn uit Elsylle afkomstig gezin vanaf 1590 in Leiden leefde.

Ellezelles in Henegouwen / a° 1601

De familie de le Rocque had haar oorsprong in Flobecq, een buurgemeente van Ellezelles, waar zij reeds sinds het midden van de 12de eeuw aanwezig was. (zie de familie de le Roke in Flobecq en Ellezelles).

De familie de le Roke ontleende haar naam aan het toponiem "roke" in het zuidwesten van Flobecq, nabij het bos de le Roke, op de grens met Ellezelles. (zie het toponiem roke).

Flobecq in Henegouwen / a° 1601


Uit "de genealogie van de familie Verroken 1379-1993" gepubliceerd door Erik Verroken weten we dat toen een deel van de familie de le Roke in het derde kwart van de 14de eeuw migreerde naar Gent en Berchem (bij Oudenaarde), hun achternaam vertaald werd in het Vlaams tot van de Roke.
We vonden deze stelling bevestigd in laat 14de eeuwse registraties in Kortrijk en Brugge, waar de naam de le Roke eveneens werd vertaald tot van de Roke.

Blijkbaar is op het eind van de 16de eeuw in Leiden hetzelfde gebeurd.
De oudst voorkomende vorm van de achternaam in Leiden is "van der Roecke", waarbij de "oe" als [o:] moet worden gelezen, zoals de "ue" als [y:] in Verschueren, en de "ae" als [a:] in Verstraeten.
De naam "van der Roecke" is dan ook duidelijk de letterlijke vertaling van de naam "de le Rocque".
In de Zuid-Hollandse archieven heb ik dikwijls fonetische schrijfwijzen van vreemde achternamen -al dan niet vervormd of zwaar verbasterd- gevonden, maar geen vertalingen van achternamen.
Twee prachtige illustraties hierbij zijn de registratie te Leiden op 4 mei 1602 van het huwelijk tussen Jan de la Roche uit Reims met Jenne Mahieu uit Armentiers, en op 27 juli 1627 van het huwelijk tussen Emanuel Philib. de la Roocka uit Turijn, Piemondt, en Marytgen Willems uit Leyden, waarbij onmiddellijk opvalt dat de familienamen van de bruidegoms niét werden vertaald.
Ik vermoed dat onze familie tweetalig was, en zelf haar naam heeft vertaald van de le Rocque naar van der roecke en van Roocke. Zij waren immers afkomstig uit het taalgrensgebied, en bovendien was Jaecques in 1625 schoolmeester.

Als kinderen van Marcus van der Roecke vonden we in Leiden : Jaecques, Bartelmeeus, Adriaentgen, Lurens, Jan en Anneken.
In Amsterdam vonden we een Marcus Marcusz Rocquius, waarschijnlijk de zoon van de jongste zoon Marcus van stamvader Marcus.
Jaecques en Bartelmeeus waren bij hun huwelijk afkomstig van Elsylle bij Ronse en uit Henegoue bij Ronse, Adriaentgen was afkomstig van Alcksielant, Jan en Anneke waren afkomstig uit Leiden, Marcus Marcusz Rocquius was een Mosel lantsberger.
Deze plaatsen van herkomst kunnen ons misschien aanwijzingen leveren bij het reconstrueren van de migratieroute die Marcus van der roecke met zijn gezin heeft gevolgd op hun tocht van Ellezelles naar Leiden.

(klik hier voor een schematische weergave van dit gezin)
Op de pagina met de genealogische tabellen vindt u alle nakomelingen van Marcus van der roecke.

We bespreken in de volgende hoofdstukken de belangrijkste en markantste personen uit zijn rijke schare nazaten.


~:§:~


I.A Jaecques van Roocke (x1590)

        Jacques is de stamvader van de Delftse tak.

De personen die tot deze Delftse tak behoren zijn herkenbaar aan de letter "D" net na het Romeins cijfer in hun generatienummer.


I.B Bartelmeeus van Roocke (x1591)

        Bartelmeeus is de stamvader van de Leidse tak.

De personen die tot deze Leidse tak behoren zijn herkenbaar aan de letter "L" net na het Romeins cijfer in hun generatienummer.


I.C Adriaentgen vande roucke (xx1592)


        In het kader van zijn onderzoek naar zijn om-het-geloof uit de Vlaamse stad Ronse gevluchte voorouders met als naam "Baccau", noteerde J. Bekouw in zijn boek "Bannelingen en vluchtelingen uit Ronse" de namen van zeer veel uit Ronse geëmigreerde personen, die verwant waren aan de Baccau's of er (economische) contacten mee hadden.

We kunnen in het perspectief van ónze genealogische opzoekingen enkel maar betreuren dat de voorouders van de heer Bekouw niet afkomstig waren uit Ellezelles of Berchem...
Doch hier stip ik een opmerking aan van Bram Coquyt, die bij de bespreking van de streken waaruit het zeevarend personeel van de VOC in de 18de eeuw afkomstig was, constateert dat de Vlaamse zeelui bijna allemaal een grote stad opgaven als plaats van herkomst, in tegenstelling tot de Noord-Nederlandse matrozen, die soms zeer kleine dorpjes of gehuchten opgaven.
Ongetwijfeld gaven de uit Ellezelles of Berchem afkomstige vluchtelingen als plaats van herkomst dikwijls Ronse of Oudenaarde op...
Zo staat ook de voormalige pastoor van Berchem, Simon van Habosch "uit Oudenaarde" op de lijst van aanwezigen op de protestantse synode in Wezel a°1568, en werd in Leiden in 1591 als geboorteplaats van Bartelmeeus van Roocke "bij Ronse in Henegou" genoteerd.
Eén van de redenen daarvoor zou kunnen zijn dat deze inwijkelingen wel wilden meewerken met de administratie in hun toevluchtsoord, maar -deels uit schrik, deels uit achterdocht- niet té specifiek wilden aanduiden van waar ze afkomstig waren, misschien om te vermijden dat deze gegevens bij hun vervolgers zouden terechtkomen, of om nadelige gevolgen voor hun achtergebleven familie te vermijden.
De meesten onder hen waren ten slotte op de vlucht, en velen onder hen zouden zeker ter dood zijn gebracht indien ze werden gesnapt.
Daarom werd bij nieuwe poorterinschrijvingen steeds de assistentie van één of meer getuigen vereist, zodat men toch een zekere vorm van controle over de juistheid van de verstrekte gegevens had.
Marcel Backhouse vermeldt in zijn boek over de Vlaamse en Waalse vluchtelingenkerk te Sandwich op het eind van de 16de eeuw dat er dikwijls door de vreemdelingen zelf verwarring werd veroorzaakt, omdat zij zich soms registreerden als afkomstig uit hun geboortedorp, en soms uit het toevluchtsoord waar ze laatst verbleven.
Bovendien kon eenzelfde persoon gekend zijn onder zijn erfelijke achternaam, een patronym, zijn beroepsnaam, of volgens zijn plaats van herkomst...

Reeds in 1992 vond Erik Verroken de vermelding van Adriaentgen vande roucke in het boek van de heer Bekouw.

In het Leidse Gemeentearchief vonden we de originele registratie van de kerkelijke ondertrouw op 7 juli 1592 van Adriaentgen vande roucke uit Alcksielandt, weduwe van Jan de Man, met Jan van der Hooge van rontse.
Jan was "vergeselschapt met" Jan de Ryckere, zijn bekende, en Adriaentgens getuigen waren Elijsabeth Buket en Jannetgen Rijsselings.

Getuige Elisabeth Buket was de vrouw van Jaecques van der Roecke, wat onmiskenbaar op een broer-zus verband wijst tussen Jaecques en Adriaentgen.

In het trouwboek van de Nederlandse vluchtelingenkerk Austin Friars in London staat ene Jan Rijsseling van Ronssen, die daar op 1 maart 1584 huwde met Pierijne Neckers uit Tielt.
Emmanuel Degand publiceerde in zijn "étude historique sur la commune d'Ellezelles" een chirograaf uit 1616 waarin Pier Risselin vermeld wordt als één van de zeven schepenen van Ellezelles.
Op 28 november 1642 werd in Russeignies, een zuidwestelijke buurgemeente van Ronse, Antoine Risselin gedoopt, zoon van Antoine en Marguerite Van Hout.
Zijn meter was ene Jacqueline Van Roeck.

De heer Bekouw noteerde het huwelijk van Adriaentgen omdat zowel de familie De Man als de familie van der Haege verwant waren aan de familie Baccau uit Ronse.
Zo waren Willem en Tonis van der Hage kozijnen van Pauwels Bakau van Ronse die in Leiden ondertrouwde met Mayke van Overbeek van Ronse.
We vinden zowel Pauwels Becau als Willem en Anthonis van der Haghe terug in het boek "Leidens weg op" van J. Desreumaulx, waarin hij alle personen van Zuid-Nederlandse afkomst opsomt die poorter werden in Leiden tussen 1573 en 1603.
Noch in dit boek, noch in de originele poortersboeken, konden we iemand van de familie van Roocke vinden die zich als poorter te Leiden heeft laten inschrijven.

O. Delghust ontdekte een akte uit 1566 waarin te Ronse een compromis werd gesloten tussen de protestanten en de aanhangers van de katholieke Kerk.
De acte werd ondertekend door 230 Ronsenaars, onder hen ook een Jan van der Haeghen en een Jehan de Man.
In de rekeningen van de confiscaties in het kwartier van Ronse, wegens "les troubles rebellions et désordres", opgesteld door Jehan du Jardin, escuier grand bailli de la Ville, terre et seigneurie de Renaix, gaende tot Pasen 1570, vinden we in de lijst van de door Zijne Excellentie verbannen personen op 18 februari 1570 : Jehan de Man.

De namen van inwijkelingen werden door de scribenten en de pastoors dikwijls fonetisch genoteerd, en in het Ronsisch dialect klinkt "van der Haege" nog steeds als "van der Hooge", en klinkt "Verroken" eerder als "Vrouken", zodat "van de Roocke", "op zijn Ronsisch" uitgesproken, voor een Zuid-Hollander als "van de Roucke" zal hebben geklonken.
Waardoor wij zoals J. Bekouw "van der hooge" als "van der Haeghe" interpreteren, en " vande Roucke " als "van de Roocke ".

We vonden nog meer verbanden tussen de families van der Hage en Van Roocke :

Bartelmeeus van Rauken was als bekende van de bruidegom op 16 september 1600 in Leiden getuige bij het huwelijk van ene Jan van der Hage, kleermaker uit Ronse met Maycken Verrijckx uit St.-Wynoxbergen.

In de digitale versie van de Leidense trouwboeken vonden we de vermelding van ene Marck van de Houcke, die als oom van de bruidegom samen met diens andere oom Jan van der Hage, op 9 september 1589 te Leiden getuige was bij het huwelijk van Jaecques Verhage uit Ronse met Meyntgen Swevers, eveneens uit Ronse.
Wanneer Jacob van der Hage op 20 juli 1638 als weduwnaar van Mijntgen Swevers hertrouwde met Marytgen Jansdr, was de getuige van de bruid haar nichtje Gryetgen Beyls.
We hebben de originele acten kunnen inkijken en de naam Marck van de Houcke staat er genoteerd als Marck vān Houcke, waarbij het plat streepje boven het voorzetsel "van" de standaardnotatie is voor "van der", waarbij de naam Marck van der Houcke fonetisch toch wel heel sterk lijkt op Marck van der Roucke.
Toen Adriaentgens zus Laurens in 1596 hertrouwde in Leiden was één van de getuigen van de bruid Geertgen van der Houcke, waarbij bij deze registratie de voorzetsels van en der voluit werden geschreven.
Taalkundig theoretisch klopt de vorm van der Houcke niet, het zou moeten van den Houcke zijn.
Bovendien werd de Vlaamse familienaam van Houcke in Leiden doorgaans genoteerd als van Hoecke.
Misschien was de getuige bij Jacob van der Hages tweede huwelijk, Gryetgen Beyls, wel Gryetgen Bleys, de vrouw van Bartelmeeus van Roocke.

Hier brengen wij echter de wijze woorden van taalkundige dr. Gijseling zaliger, gesproken tot Erik Verroken in herinnering : "mijnheer Verroken, u moet lezen wat er staat geschreven, en niet fantaseren..."
Waarbij ik toch durf opmerken dat deze uitspraak zonder twijfel dikwijls juist en zeer terecht is, maar dat de Zuidhollandse scribenten uit de 16de en 17de eeuw zelf over een niet te onderschatten dosis fantasie beschikten.

Reeds 15 jaar (elk jaar moet ik dit getal aanpassen) speuren wij intensief naar de plaats die Adriaentge opgaf als haar plaats van herkomst : Alcksielandt, zowel in Vlaanderen, Henegouwen, Holland, en zelfs Engeland en Duitsland, meer in het bijzonder in de buurt van de vluchtelingenkerken.
We kunnen immers vaststellen dat vele met de familie van Roocke aantrouwende families letterlijk uit verre en vreemde streken kwamen : we vonden echtgenoten en echtgenotes uit Colcester en Noorwits in Engeland, uit het Sticht van Munster in wat later Duitsland zou worden en uit Valenchyn in Frankrijk. Nergens heb ik dit toponym Alcksielandt tot nu toe gevonden.
Het lijkt vergezocht, maar ik ben tot de conclusie gekomen dat Alcksielandt de fonetische verbastering van een onduidelijk of dialectisch uitgesproken "Elsiele" moet zijn, waarbij een "vettige" "e" door de scribent als een "a" werd geïnterpreteerd... zo kom je tot "Alsiela", en van daar is het maar een kleine stap naar "Alcksielandt".
Het feit dat deze scribent ook "vande roucke" en "van der hooge" neerpende ondersteunt deze theorie : de man schreef fonetisch op wat hij hoorde of dacht te horen.
Als illustratie hierbij het voorbeeld van ene Elijsabeth van Eerenthals, die in 1693 te Leiden werd geregistreerd als Elisabeth van Eterlandt...


I.D Lurens Rocque (xx1596)


           Op 26 oktober 1596 huwden te Leiden voor de Waalse kerk Ysaac Sable uit Valenchyn en Lurens, de weduwe van Jan Delhey.
De getuigen van de bruidegom waren zijn "cozijn" Jaecques Verhaeghe en zijn bekende Remues van Roocke.
De getuigen van de bruid waren haar bekenden Geertgen van der Houcke en Grietgen Boudewijns.

In de digitale versie van het archief van Leiden, staat deze Lurens geregistreerd als Lurens Rock.

Opnieuw stellen we een verband tussen de families v(an d)er Hage en (van) Rock(e) vast.
Waarbij we nog kunnen opmerken dat de naam Delhey wellicht een Leidse versie is van de Franse naam Delhaye, in het Nederlands vertaald : van der Hage!
Remues van Roocke was Bartelmeeus van Roocke, Grietgen Boudewijns zijn vrouw, Geertgen van der Houcke was waarschijnlijk een fonetische interpretatie van de naam van Geertgen van der Roucke, wellicht een zus of nichtje.

Op 8 juli 1601 werd te Leiden Catherine Chabre gedoopt, dochter van Isaac en Laurence Rock.
Eén van de getuigen was Jaque Rocq.

Op 11 mei 1603 werd te Leiden Isaack Chabre gedoopt, zoon van Isaac en Laurence Rock.
De doopgetuigen waren onder andere Baltemier Rocq en Ilisabeth, femme de Jacque Rocq.

Op 14 juli 1617 huwde Jonas "Chabre", saaiwerker uit Leyden, met Mary Carlier uit Moubeulx in Artois.
De getuigen van de bruidegom waren zijn vader Isaack "Chabre" en zijn bekende Gillis Cormaire.
De getuigen van de bruid waren haar toekomstige schoonmoeder Laurens Rocque en haar bekende Jaecqueline Pieter.

Op 3 september 1636 hertrouwde Jonas "Schabel", saaiwerker wonend te Levendeel in Leiden, weduwenaar van Maria Carlyer, met Sara Jansdr.

In 1673 hertrouwde Jannetje Louris van Velsen, weduwe van ene Pieter Sable met Jacob Spijckingh.

In de Leidse trouwboeken vinden we de volgende merkwaardige vermeldingen :
In 1641 werd te Leiden het huwelijk geregistreerd van raswerker Marcus de la Heye met Isabel del Port, beiden wonend in de Haerlemstraat en afkomstig uit Piccardye.
In 1703 vinden we er het huwelijk van Marcus de Hey met Lijsbeth de Bije, beiden uit Leyden en wonend aan de Oostwestgragt.
Zelfs in 1798 was er nog een Marcus de Hey die als weduwnaar van Marijtje Wassenaar hertrouwde met Pieternelletje Hoedaer.
Waren zij afstammelingen van Laurens Rocque en haar eerste man Jan Delhey, en werd de voornaam van stamvader Marcus van Roocke ook in deze tak van de familie generatie na generatie doorgegeven ?


I.E Jan van Roocke (x1614)

        Jan is de stamvader van de Warmondse tak.

De personen die tot deze Warmondse tak behoren zijn herkenbaar aan de letter "W" net na het Romeins cijfer in hun generatienummer.


I.F Anneken van Roocke (1614)


           Zij was getuige bij het huwelijk van haar broer Jan van Roocke te Leiden in 1614.

Anneken van Roocke en Lysbeth van Roocke waren op 7 augustus 1614 te Leiden als bekenden van de bruid getuige bij het huwelijk van Hester Moreels uit Noorwits in Engeland met Willem van den Broucke, weduwnaar van Maertyntgen van Wingen, een kettingscheerder uit Ronse.
Lysbeth van Roocke was wellicht Elysabeth Buket, de vrouw van Jaecques van Roocken.

De familie van Wingen was eveneens afkomstig uit Ronse en telde enkele befaamde hervormde predikanten tot haar telgen.
In 1558 maakte ene Willem van Ruok een avontuurlijke overzeese vlucht uit Engeland mee die na vele ontberingen eindigde in Emden... een medereiziger heette Godfried Van Wingen.(zie een zwervende familie van Roken)


I.G Marcus Marcusz Rocquius (1647)

        Marcus is de stamvader van de Amsterdamse tak.

De personen die tot deze Amsterdamse tak behoren zijn herkenbaar aan de letter "A" net na het Romeins cijfer in hun generatienummer.


Janneken Roocks (x1609)


           Op 12 september 1609 huwde te Leiden Janneken Roocks met Jacop Malvesy.
In Vlaanderen zouden we deze vermelding niet in overweging nemen, doch gezien de fonetische registratietechnieken van de Leidse scribenten neem ik Janneken onder voorbehoud toch op in deze genealogie.

De getuige van Grietge Boudewijns Bleijs bij haar huwelijk met Bartelmeeus van Roocke in 1591 was Proontgen (van) Maerlevoijs.
Nu lijkt Maerlevoijs fonetisch op Malvesy (beide namen hebben qua betekenis echter absoluut niks met elkaar te maken) en Roocks op van de Roocke, en beide variaties twee maal samen lijken té veel toeval...
Een andere vermelding zal hier moeten uitsluitsel brengen.

Ondertussen heeft verder onderzoek inderdaad aan het licht gebracht dat de vader van de bruid Rochus Jans heette, zodat de achternaam Roocks hier duidelijk een patroniem is, afgeleid van de voornaam Rochus, en dus helemaal niks met de naam van Roocke te maken heeft.




~:§:~



klik hier om naar het begin van deze pagina te gaan.