~:§:~
Reeds in 1975 vond Antoine Verroken na contact met taalkundige dr. Maurits Gysseling een zeer vroege vermelding van de familienaam vander Roeke in 1396 in Berchem bij Oudenaarde.
Het heeft echter enkele decennia geduurd eer we het juiste verband hebben kunnen leggen tussen deze oudste Jacop vander Roeke uit Berchem en onze 15de en 16de eeuwse rechtstreekse voorouders.
Na intensief speurwerk hebben wij het juiste familieverband gevonden in de stad Gent.
~:§:~
We kwamen in de hoofdstukken over de betekenis en de oorsprong van onze naam tot de conclusie dat de oorsprong van de familienaam van de roke in het Picardisch taalgebied lag, daar het lemma van deze naam, het woordje roke, een Picardisch woord is, met als betekenis steengroeve.
We konden aantonen dat de familienaam de le roke ontleend werd aan het toponiem roke in het zuidwesten van Flobecq, en dat de familie de le Roke reeds in het begin van de 13de eeuw ook in Doornik aanwezig was.
We stelden vast dat leden van de familie de le Roke in het derde kwart van de 14de eeuw in Vlaanderen werden geregistreerd als vander Roke : hun achternaam werd gedeeltelijk vertaald.
Naast Willem vander roke, een Doorniks burger die een lening op lijfrente had op de stad Brugge in 1379, en Jehane vander Roke die op eenzelfde manier in 1392 geld had geleend aan de stad Kortrijk, en die bovendien ondubbelzinnig kon geïdentificeerd worden als Jehenne de le Rocque uit Doornik, werd te Gent op 28 juli 1379 Jacop vander Roken geregistreerd in het register van de Gentse schepenen van de Keure :
"Kenlic zij dat ten vervolghe van piers presters so was vluchtich bekent Jacop vander Roken -of Denijs-
also men sculdigh was te doene vi dG, xxviij dach in hoymaend anno lxxix"
Een eerste vaststelling is de opmerkelijke vorm van Jacop vander Roken -of Denijs- zijn dubbele achternaam.
Dit wijst erop dat hij een zoon was van een mijnheer vander Roken, en een mevrouw Denijs.
Een dubbele achternaam kon gebruikt worden om twee redenen : om een onderscheid te maken met een andere -ongetwijfeld nauw verwante- Jac(op) vander Roken, of om aan te duiden dat Jacop een bastaardzoon was.
Waarbij dient opgemerkt dat bastaarden dikwijls een dubbele achternaam hadden, maar dat niet iedereen met een dubbele achternaam noodzakelijk een bastaard was!
De moeder van Jacop vander Roken of Denijs behoorde wellicht tot de familie Denijs die we zowel in Gent, Doornik en Ath aantreffen.
Jacob van Artevelde was in 1345 vermoord door de aanhangers van Geraerd Denijs, de deken van de wevers.
Een dochter van Geraerd Denijs was gehuwd met Guillaume Pillard, en dit gezin zou met 4 kinderen in 1362-'63 in Ath hebben gewoond.
Jacquemart en Jaque Pillart stelden in 1374 en 1413 hun testament op te Doornik.
In 1382 werd in Doornik het testament opgemaakt van Jehan Denys, in 1383 dit van Grars Denis en in 1391 dat van Nicolle Denise.
Reeds in 1289 betaalden li hoirs pieron denise een rente aan het groot officie van de Cellier van het kapittel van Doornik, op een huis in de parochie St.-Nicaise... net als Jakemes de le Roke, de vader van Jak, de meersenier.
In 1332 was Pierre Denis connetable in de parochie Ste.-Margueritte, net zoals Jak de le roke dat was in de parochie St.-Nicaise.
Jacop vander Roken -of Denijs- was in 1379 "vluchtich bekent".
De politieke situatie in Gent was in 1379 bijzonder gespannen.
Graaf Lodewijk van Male was er in 1348-'49 in geslaagd de macht weer naar zich toe te trekken, ten nadele van de opstandige steden Gent, Brugge en Ieper.(zie ook : andere families van (der) Roken)
Al diegenen die tijdens de regering van Jacop van Artevelde nadeel hadden ondervonden, trachtten wraak te nemen.
De wevers moesten een strenge repressie ondergaan, en werden economisch, fiscaal en politiek onderdrukt.
Zo verviel de laatste afbetaling van de schadevergoeding die de wevers dienden te betalen slechts in 1375!
Er heerstte een algemene sfeer van ongenoegen en latente spanningen, en de sociale misstanden leidden regelmatig tot een heroplaaien van de troebelen in Brugge en Ieper.
De sociale onrust smeulde ook in Gent, en de krachtmeting tussen de graaf van Vlaanderen, Lodewijk van Male, en de Gentse bevolking culmineerde toen de graaf aan de stad Brugge de toestemming gaf een verbindingskanaal te graven met de Leie.
Daardoor zou het graan dat uit Noord-Frankrijk werd uitgevoerd niet meer langs Gent passeren, en zou de stad haar stapelrecht op deze gestage aanvoer verliezen.
De Gentse stadsmilitie, de witte kaproenen, voerden onder leiding van Jan Yoens begin augustus 1379 een raid uit op de Brugse delvers en legden de werkzaamheden aan dit kanaal manu militari stil.
Deze schermutseling was het begin van een 6-jarige oorlog tussen graaf Lodewijk van Male en de stad Gent.
Verbolgen gaf de graaf zijn baljuw Roegier van Outrive de opdracht een witte kaproen gevangen te nemen.
In de stad laaiden de conflicten hoog op, en als vergelding werd baljuw Roegier van Outrive op 5 september 1379 vermoord.
(De zoon van Roegier van Outrive, ridder Jehan d'Auterive was in 1349 gehuwd met Aelis Mouton, de kleindochter van de kleinzoon van Watier Mouton, de buur en vermoedelijke verwant van Johannes de le Roke die rond 1227 enkele tuinen nabij de Doornikse wijk Bruille pachtte van de Sint-Maartensabdij.)
De poorters en rijke ambachtslui kwamen in opstand tegen de graaf omdat ze streden voor sociale opgang, het gemeen revolteerde voor meer sociale en economische rechtvaardigheid, de bewoners van het platteland kwamen in opstand tegen de uitbuiting door de lokale heren en stedelijke of kerkelijke grootgrondbezitters.
Jacop vander Roken -of Denijs- werd als zoon van een Doorniks -en dus Frans- burger ongetwijfeld verdacht, en hij was eind juli 1379 de politieke heksenketel in de stad Gent ontvlucht.
Het was ten vervolghe van Piers Presters dat eind juli 1379 te Gent genoteerd werd dat Jacop vander Roken -of Denijs- hem nog geld schuldig was.
De familie De Prester treffen we aan in Berchem, de heerlijkheid bij Oudenaarde waar ook de familie van de roke op het einde van de 14de eeuw was gevestigd.
Er was een Jan de Preester, poorter van Gent, die in 1421 gehuwd was met Anneese van der Moten.
Jan de Prester was in 1422 voogd van de kinderen van Gillis van der Moten fs. Gillis uit Berchem.
In 1417 was een Jan de Preester leenman van Berchem, en in 1422 was daar een Jan de Prester schepen, samen met Jan vander Roken.
in 1444 erfden de kinderen van Pieter van der Brugghen, uit Oudenaarde, broer van Jan, die gehuwd was geweest met Anneesse de Prester, van Jan de Prester, poorter van Gent.
In 1477 woonde wever Gheerd de Prestere in de wijc crommenessche te Gent, naast Joos Tucman (deze familie Tucman ontmoeten we verder nog).
Op 1 oktober 1477 verkocht ene Gilles le Presbtre, wonende te Berchem, aan Jacquemart Massich de helft van twee huizen, gelegen in de rue Perdue te Doornik.
We mogen hieruit besluiten dat ook Jacop vander Roken of Denijs behoorde tot de familie van de roke die in het derde kwart van de 14de eeuw in Berchem aanwezig was.
In het register van de schepenen van Gedele van Gent van 1380 werd volgende passage geschreven :
Hughe vander Mersch contra Jac van de roke van den ijen payemente
omme dat hij tgelt per manu mortuum ontfanen heeft den xiv febr."
De voornaam Jac is opvallend, en letterlijk vreemd te noemen.
We constateerden dat in de familie de le roke een klassieke manier van voornaamkeuze gevolgd werd.
De voornamen werden doorgegeven van grootvader op kleinzoon en van vader op zoon.
Generatie na generatie noemde de eerst geboren zoon Jehan, Colart of Jakemes, of een variant van deze namen.
Bovendien werd Jakemes de le Roke, li merchier, in 1332 geregistreerd als Jak de le Roke.
Deze vaststellingen leiden tot de conclusie dat deze Jac van de roke, de stamvader van de familie van de roke, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de zoon was van Jak de le roke, de meersenier uit Doornik.
Het bewijs zwart op wit daarvan hebben we (nog) niet gevonden, en de kans dat dit ergens werd genoteerd is zéér klein.
We vonden echter voldoende grote en kleine aanwijzingen die deze theorie ondersteunen.
Zoals reeds aangehaald is de achternaam van de roke de Middelnederlandse vertaling van de Picardische naam de le Roke.
Er moet dus op een bepaald moment een lid van een familie de le roke naar Gent zijn gekomen.
Uit onze zoektocht naar families de le Roke in de streek waar in de Middeleeuwen Picardisch werd gesproken bleek al gauw dat enkel de familie de le Roke, gevestigd in Doornik en in oorsprong afkomstig uit Flobecq zo'n telg kon leveren.
Wanneer we dan vaststellen dat er in Doornik in het tweede kwart van de 14de eeuw een meersenier Jak de le Roke bestond, blijkt dit een toch wel uitzonderlijk geschikt kandidaat-vader van Jac van de roke te zijn :
E. Van Der Hallen bespreekt in "het Gentse meerseniersambacht (1305-1540)" het beroep van meersenier.
Een meersenier was de meest oorspronkelijke vorm van handelaar : ze kochten goederen bij hun fabrikanten en verkochten die dan -meestal in een andere stad- aan hun klanten.
Ze waren "vendeurs de tout, faiseurs de rien", ze mochten zowat alles verkopen, doch niks produceren of assembleren.
Hun klanten waren de adel, de geestelijken en de rijke poorters.
Het was in Gent aan vreemde meerseniers toegelaten hun waren in het groot te verkopen.
Tijdens de Gentse jaarmarkten waren zij ontslagen van het stalle- of kraamgeld, indien zij op de hen toegewezen plaatsen stonden, en hun kraam niet groter of hoger was dan vastgelegd.
Bij het reizen van de ene stad naar de andere dienden deze kooplui het "ongeld" te betalen, een onrechtstreekse belasting op de produktie, invoer en verkoop van goederen in de stad.
Sinds 21 maart 1350 werd door het Gentse stadsbestuur de verplichting opgelegd alle meerseriewaren die in de stad werden ingevoerd, aan te geven aan de pachter van de meerserie.
Wanneer we deze gegevens concreet toepassen op de families de le roke en van de roke, kunnnen we volgende vaststellingen doen :
Al deze aanwijzingen bevestigen dat het zeker niet onwaarschijnlijk is dat Jehan de le Roke, li paternostier, en Jak de le Roke, li merchier, in Gent hun waren kwamen verkopen.
Internationale en interregionale handelaars openden dikwijls een permanent filiaal in een andere stad, waar een zaakwaarnemer dan continu aanwezig was.
Dikwijls was zo'n "factor" een zoon, bastaardzoon of schoonzoon.
Waarschijnlijk kwam Jac van de roke op die manier in Gent terecht.
We kunnen hier een eerder ambitieuze vraag stellen :
Hoe groot is de kans dat de Doornikse meerseniersfamilie de le Roke (letterlijk) haar zonen uitzond naar handelssteden als Gent, Brugge en Rijsel ten einde er een permanente zaakwaarnemer te hebben... ?
We verwijzen hier naar de pagina over de andere families van (der) Roken waar we -zeker vanuit dit perspectief- enkele zeer bijzondere vondsten bespreken.
~:§:~
In deze vermelding uit februari 1380 verklaarde Huughe vander Mersch dat hij een tweede betaling "per manu mortuum" had ontvangen.
Deze merkwaardige uitdrukking betekent letterlijk vertaald "door de dodehand", en bij uitbreiding zijn dit de verwanten van een overledene.
Huughe vander Mersch had dus één of andere vordering op Jac van de roke, en deze werd hem na Jacs dood blijkbaar in 2 keer uitbetaald.
In 1376 en 1389 werd Huughe vander Mersch geregistreerd in de Gentse stadsrekeningen omdat hij een verbuerde boete moest betalen, dit zijn boetes die werden opgelegd bij vermogensdelicten.
In 1381 had hij een geschil met lievijn van den hecke, en in 1387 met Jacop van ruteghem.
In 1398 betaalde hij een schuld aan Martin Everaerts.
In 1398 waren gerom utenhove en hughe vander mersch borgen voor godevert van der bruggen.
Huughe vander Mersch had een zus Alijsse en een broer Gillis.
Huughe van der Mersch was gehuwd met Kateline, dochter van Pieter de Smed van heyne, lid van een Gentse koopmansfamilie met handelscontacten in Brugge.
Op 27 januari 1377 "kende en lijde hughe vander Mersch dat hem Pieter de Smed van heyne heeft betaalt & vernoucht van alle den goed en geloften die hij hem met siere dochter geloofde te huwelike, en hij scelt quite deraf ten eeuwighen daghe."
In 1400 betaalden Kateline, weduwe van Huughe vander Mersch en zijn broer Gillis een achterstallige schuld aan Pieter Amelric, deken van de Sint-Jorisgilde.
Gillis vander Mersch was in 1407 lid van de Gentse Sint-Jorisgilde, in 1408 betaalde hij de "surgie" van Huughes verwondingen.
In Berchem kwam reeds vroeg een familie van (der) Meersch voor : in 1382 had ene Arent van der Mersch hout verkocht dat niet zijn eigendom was, en in het begin van de 15de eeuw waren de broers Lanceloot en Jan vander Mersch baljuw en onderbaljuw van Berchem.
Zoals blijkt uit de staat van goed, opgemaakt na het overlijden van ene Gillis van Merssche in 1407 in de Oudenaardse zusterstad Pamele, was deze gehuwd met Janen van Roke.
Wegens het uitbreken van de Gentse Opstand, bevatten de registers van de schepenen van Gedele en van de Keure geen registraties tussen 5 september 1379 en begin januari 1380.
Als we dan in de acte uit februari 1380 lezen dat Jac van de roke is overleden, mogen we daaruit vermoedelijk besluiten dat hij tijdens deze onlusten om het leven is gekomen.
In combinatie met de vermelding van juli 1379 waaruit blijkt dat Jacop vander Roken -of Denijs- "vluchtich bekent" was, lijkt het zeker niet onmogelijk dat beide actes over dezelfde persoon gaan.
We vonden als vermoedelijke kinderen van Jac van de roke : Jacob (volgt onder VI.A), Pieter van de roke (volgt onder VI.B) en Jan van de roke (volgt onder VI.C), zij hadden ook minstens twee zussen.
In 1394 werd Jacop van der roke opgetekend als één van de 214 vrije brouwers van Gent.
De originele ledenlijst is verloren gegaan, een kopie uit 1453 bleef bewaard.
De gilde der brouwers behoorde tot de Gentse sociale klasse der kleine neringen en hun deken, Anthonis Plattijn, zetelde in de schepenbank van Gedele.
Jacop van de roke komt in de boeken van de gilde der Gentse brouwers niet voor als leerjongen of als gezel, maar werd direct geregistreerd als meester-brouwer.
Er bestond een overeenkomst tussen de steden Gent, Doornik en Lille waarbij ambachtslieden die in de ene stad hun leertijd hadden doorgebracht en hun meesterwerk hadden afgeleverd, ook in de andere steden als meester in hun vak aan het werk konden.
Voorlopig vonden we van leerjongen of brouwersgezel Jacop evenmin een spoor in deze andere steden.
Bier was in de Middeleeuwen de volksdrank bij uitstek.
Wijn was te duur en water was doorgaans niet overal beschikbaar en bovendien bijna steeds vervuild of bacterieel besmet -de hygiënische omstandigheden in een Middeleeuwse stad waren verre van ideaal!
Bier was, zoals de bijnaam "vloeibaar brood" laat vermoeden, zeer voedzaam, en werd in de middeleeuwen ook geconsumeerd als bierpap en biersoep.
Het gemiddeld bierverbruik per hoofd wordt voor de 14de en 15de eeuw geschat op 250 liter per jaar.
In de licenciaatsverhandeling uit 1991 van Gert de Vos over "Het bier in de 14e en 15e eeuw in Vlaanderen : in het bijzonder in Gent", leren we meer over de toenmalige productieproces van dit edele vocht.
Graan (gerst, haver of tarwe) werd enkele dagen geweekt.
Het werd tot kiemen gebracht op een lemen vloer en regelmatig met water besprenkeld.
Na het ontkiemen werd het graan eerst gedroogd op een droogzolder en later boven een oven, in een eest of ast.
Dit ontkiemde gedroogde graan heet men de "mout".
In een volgend proces werd de mout fijngemalen in een molen en met warm water overgoten in een werkkuip.
Nadat dit vocht wat had getrokken, werd het met behulp van stro gefilterd.
Deze vloeistof, de "wort" werd gekookt, en afgekoeld in koelbakken, en vervolgens aan het gisten gebracht.
Na een drietal dagen werd het bier in vaten overgetapt, waarin het nagistte.
Aan het bier werd toen de gruit toegevoegd, een planten- en kruidenmengsel dat het bier meer smaak gaf, en de bewaarbaarheid verhoogde.
Daarna was het bier klaar en werden de vaten dichtgemaakt.
Het tijdens deze bewerkingen overblijvende residu van de mout, de "draf" werd gebruikt als veevoeder.
In het 15de eeuwse Leuven mochten enkel de brouwers nog varkens houden binnen de stadsmuren, net om de grote hoeveelheden (vermoedelijk kwalijk ruikende) draf zo vlug mogelijk te kunnen doen verdwijnen.
Uit boedelbeschrijvingen van twee Gentse brouwerijen uit 1331 en 1379 vermeldt Gert de Vos als "bruallame", de werktuigen gebruikt bij het brouwproces : een grote en een kleine ketel, een "meescupe", een "scepcupe", "merscupen", een "gijlcupe", biervaten, koelvaten, gistvaten, een kariseel (een kleine ton), gramstanden (een naar boven nauw toelopende ton), een lekvat, een stortvat, manden, een trechter, een vork, spanen, emmers en inhoudsmaten.
Toen Jacop van der Roken en zijn tweede vrouw Clare de Poorter in februari 1427 de brouwerij 't "Paerdekijn" verkochten aan Willem Bruusch, werd "den brualame" wel vermeld, doch niet gespecifieerd.De gruitstof bestond voornamelijk uit de moerasplant gagel, wilde rozemarijn, salie, duizendblad en dennenhars of andere aromatische kruiden.
Het verstrekken van de gruit aan de brouwers was een door de koning aan de landsheren toegestaan monopolie, dat soms tegen betaling werd overgedragen aan steden, of verpacht of in leen gegeven aan "gruitheren".
In de tweede helft van de 14de eeuw kwamen de inkomsten van de gruitheren onder druk te staan door de massale invoer van vreemde, vooral Noord-Duitse (hop)bieren.
In de hanzesteden Lübeck, Rostock, Hamburg, Wismar en Bremen had zich een bloeiende brouwindustrie ontwikkeld.
Door het gebruik van hop kon het bier langer bewaard worden en dus verhandeld worden over lange afstanden, en de brouwers uit de Nederlanden bleken niet in staat om aan de grote vraag naar bier te voldoen.
Vanaf de eeuwwisseling van de 14de naar de 15de eeuw werd ook in Vlaanderen de gruit als onmisbaar ingrediënt van het bier langzaam aan verdrongen door de hop.
Als compensatie voor deze omzeiling van het gruitrecht werd dit door de machtige gruitheren omgevormd tot een belasting op de produktie en invoer van bier .
In Brugge was het gruitrecht vanaf de 14de eeuw in handen van de familie van Gruuthuse, in Gent ontleende ook de familie de Grutere toen haar naam aan deze activiteit.
Beide families komen later nog ter sprake.
Op het eind van de 14de eeuw had een Gents brouwer met enkele specifieke veranderingen te kampen.
Ondanks de tegenwerking van de gruitheren overspoelden de Noord-Duitse bieren de Vlaamse markt tussen 1380 en 1420.
Het Hamburgs bier had zijn aandeel op de Vlaamse markt tussen 1380 en 1411 verhoogd van 25%, of 7000 hectoliter, tot 90%, wat toen 90000 hectoliter vertegenwoordigde.
Na 1420 kon aan deze concurrentie het hoofd worden geboden door de opkomst van de lokale hopbrouwerij, in combinatie met een verhoging van de invoerbelastingen op vreemde bieren, en allerlei invoerbelemmeringen.
Zo was er te Gent in november 1404 in een voorgebod besloten dat het verboden was bier in de stad in te voeren, behalve "gerecht eesterbier" (Duits bier), Amborchbier, jupenbier ofte Ingelsche hale.
Op 16 maart 1398 was Jac van der roke samen met Pieter ackenijs alias van de Kerkhove, gillis van der brucgen en Jan van Coppenhole verschenen voor de schepenen van Gent.
Zij traden op "in soendinc" als "maghen sijnde goessin van winendaele in derde of naere alse onschuldighe jeghen maghen en vrienden van everdey diederixsone".
"Also men seeght" had Everdey Diederixsone Goessin van Winendaele "butenslants" gedood.
De vrienden en maghen van Everdey en Jane Diederix, zijn broer, betoogden dat ook Everdey "buten der stede van ghend" ter dood was gebracht, en dat daarvoor "binnen Ghend noit wettelichede af ghedaen en was".
Verder "waert dat coepen ende handel dies te diversschen stonden voor hemlieden"...
Om dus een einde aan deze wederzijdse vijandelijkheden te brengen, en zich terug te kunnen concentreren op hun onderlinge handel, beslisten beide partieën voor de schepenen "wettelike soendighe" te zweren "in goeden payse sonder nemen ofte gheven".
Pieter Ackenijs, Gillis vander brugghen, Jacop vander roke, Jan van coppenhole sloten hier als "maghen" van Goessin van Winendaele officieel vrede met Jane Diederix en zijn partie.
Op 6 mei werd er nog aan toegevoegd dat ook Jan willaus (zijn trouw jegens) Goessin van Winendaele afzwoer en deelnam in deze zoending.
We leren hier dus een aantal personen uit de brede familiekring van Jacop van de roke kennen.
De families Van Winendaele, Van de Kerkhove, Van der Brugghen en Van Coppenhole komen allen voor in Berchem.
Goessin van Winendaele bevond zich in het buitenland toen hij werd "gebracht van live ter dood", ook Everdey Diederixsone was "buten ghend" toen hij werd vermoord, en deze vijandelijkheden stonden duidelijk de "coepen ende handel" tussen deze partieën in de weg.
De familiale trouw schaadde de economische belangen van deze handelaarsfamilies zo danig dat ze allen besloten officieel vrede te sluiten en de vijandelijkheden te stoppen.
In een acte van 4 juli 1401 rapporteren Claeys Daens, Jacop de Iuede en Raes Colpaert, vinderen van de opperkosterij van de Gentse Sint-Michielsparochie dat hun voorgangers Jan van Huffelgem, Jan Haddine en c.s. op 3 april 1399 Jan Tucman hadden veroordeeld tot het betalen van "7 schellingen en 3 denieren groten" aan Jacop van Oestrem.
De borgen daarbij waren Jacop van der roke en Inghel Damman.
Jacop van der roke stond hier dus borg voor Jan Tucman.
De familienaam Tucman konden we buiten Gent enkel aantreffen in ... Flobecq!
In 1275 werd in de Veil Rentier van 1275 werd een Gossars li Tuquemans vermeld die nabij de halle van Flobecq gronden en een hoeve -de masure Tuqueman- bezat.
Een duidelijke band tussen de Gentse familie van de roke en hun streek van oorsprong, Flobecq!
Jacop van de roke was rond 1390 gehuwd met Willegemme Hemerijs.
We vonden haar achternaam genoteerd als "Hemerijs", "Hamerijs", "Emmerijs" of kortweg "Meerijs".
Deze naam kwam in die periode in Gent nauwelijks voor : we vonden enkel een Simoen Meerijs die er in 1399 overleed, en gehuwd was met marie van herroer (=orroir).
Hij had een schuld aan gobiers willaert uit Berchem.
De vormen "Hemerijs", "Hamerijs", "Emmerijs" en "Meerijs" kunnen fonetische interpretaties zijn van de naam Aimeries.
In zijn crayons généalogiques tournaisiennes verdiepte graaf P.A. du Chastel de la Howarderie zich in de familienaam Aimeries, die hij beschouwde als alternatieve schrijfwijze van Aumeries, net als Aymerie, Omeries, Dameries, Dameuries, dou Meries, ...enz.
De oorspronkelijke vorm van deze familienaam is wellicht dou Meris of Doumeries.
Hij verklaart deze naam als verwijzend naar een toponiem : naar het domein van Odomer, een naam die door samentrekking evolueerde tot Aymar, Aymer of Omer.
In de streek rond Doornik is er een domein d'Aumerie met gelijknamig kasteel in Kain, er is een gehucht Damerie in Grandmetz, een Aimeries in Houdeng-Aimeries en een Aymeries nabij Chièvres.
In 1257 leefden in de heerlijkheid d'Aumery of d'Oumeries, aan de voet van de mont Saint-Aubert te Kain nabij Doornik, Alis, weduwe van Symon (!) Doumeries en Jakemin Doumeries, hun zoon.
Zij hadden een wapenschild van azuur met drie gouden luipaardhoofden...
In 1323 kocht Maryen, dochter van Phelippron dou Meries, wonende te Kain, een rente van Jehan Amourries.
Om ons even te doen watertanden vermeldde graaf P.A. du Chastel de la Howarderie dat hij door combinatie van gegevens uit verschillende acten, gepasseerd voor de schepenen van Doornik-stad uit 1355, 1362, 1404 en 1416, en voor de schepenbank van St.-Brice uit 1328, 1338, 1382, 1395, 1398, en een aantal testamenten uit 1337, 1349, 1362 en 1409, in combinatie met de rekeningen van de uitvoering van het testament van Jehan dou Meries uit 1355, tot een genealogie is gekomen met als stamvader Jehan Domeries of dou Meries, poorter van Doornik, overleden vóór 1337.
Een Willemine vinden we in deze genealogie niet onmiddellijk terug, maar de voornaam Symon uit de oudste vermelding is zeer opmerkelijk.
We kunnen enkel betreuren dat de actes die graaf P.A. du Chastel de la Howarderie als bronnen vermeldde zijn verloren gegaan tijdens de totale vernietiging van het Doornikse stadsarchief tijdens de stadsbrand ten gevolge van de bombardementen van de Luftwaffe in mei 1940.
In Doornik vonden we in de pestjaren 1348 en '49 nog de testamenten van ene Marien "Aimery", en van Simons Demeri, waarbij deze voornaam opnieuw in het oog springt.
Op 30 oktbober 1349 werd in Doornik Jehans Bourlais opgehangen ; hij bekende onder meer dat hij van Wattier Méries uit Amougies linnen ter waarde van 2 gros had gestolen, en hij vroeg om Wattier hiervoor te vergoeden.
In het buitenpoortersboek van Geraardsbergen van 1396 werd Mornet Meris geregistreerd als inwoner van Amengijs.
In de rekeningen van de uitvoering van het testament van Wattier Gargate uit 1339 vinden we de naam van Pietre de le Hamerie, die net als Jakemes de le Roke, li merchier een rente diende te betalen aan Jehan Gargatte fs Wattier!
Een duidelijk verband tussen de families de le Hamerie en de le Roke in Doornik enerzijds, en Hamerijs en van de roke in Gent anderzijds!
In de lijst van de Doornikse testamenten vinden we in 1438 de naam van Guillebert de le Hanerie, in de corrigenda verbeterd naar Guillebert de le Haverie...
In een artikel uit 1893 vermeldde A. d'Herbomez dat er zich in 1893 in de gemeentelijke bibliotheek van Douai een manuscript bevond van de hand van Mme. Clément Hémery over "la fête des innocents à Tournai".
Willemine Hemerijs was reeds twee maal weduwe geworden alvorens ze met Jacop van de roke was gehuwd.
Ze was een eerste maal in het huwelijk getreden rond 1360 met Claus Beskins, en had met hem twee kinderen : Jan en Mergriete Beskins.
Hier vinden we de aansluiting met de tip die we kregen van dr. Maurits Gysseling : in het buitenpoortersboek van Geraardsbergen van 1396 staan als inwoners van de gemeente Berchem vermeld : Jacop vander Roeke & uxor Willemine, onmiddellijk gevolgd door Jan boskiin fs Claus en mergriete boskiin Jans zust[er].
Uit de cijfers na deze registratie kunnen we nog afleiden dat Jan boskiin of beskin buitenpoorter was geworden in 1388, en mergriete in 1387, gevolgd door Jacop vander Roeke en zijn vrouw Willemine in 1390.
Gezien men zich doorgaans als buitenpoorter van een stad inschreef bij een verandering in zijn materiële toestand, zoals meerderjarigheid, huwelijk, weduwschap, ... concluderen we daaruit dat Mergriete en Jan Beskins geboren zijn rond 1362 en 1363 en dat Jacop vander Roeke getrouwd is met Willemine Hemerijs in 1390.
In het archief van de Raad van Vlaanderen vonden we a° 1376 een geschil tussen Jan Martins en de weduwe van Jan Boskin enerzijds en Willem Boskine anderzijds, handelend over geleend geld aan lombaarden van Geraardsbergen.
In 1484 werd het testament van Willaume Buskin uitgevoerd in Doornik.
Willemines zoon Jan Beskin had een bastaarddochter bij mergriete coesaerts : Soetine Beskins.
Zij huwde in 1404 met Jacop van der roken, de natuurlijke zoon van brouwer Jacop van de roke.(zie verder)
Willemine Hemerijs was rond 1365 een tweede maal gehuwd geweest met (Jan?) van den Bunre.
Uit dit huwelijk had ze een dochter Anneese van den Bunre, die in 1394 huwde met Jacop van Scorisse fs Jacop.
In 1394 schonken zijn ouders Jacop van den Bunre en Mergriete van der Hagen aan hun zoon een halve stede te Eine, in afkoop als huwelijksgift.
In 1389 "scold" Geraerd van den Bunre de erfgenamen van Jan van den Bunre "quite".
Ene Baerbele van den Bunre was gehuwd met Jan Ruebins.
Rond 1390 huwde Willemine Meerijs voor de derde maal : met Jacop van der Roken.
Jacop en Willemine waren als inwoners van Berchem in 1396 buitenpoorters van Geraardsbergen, en tevens ook binnenpoorters van Gent, wat betekende dat zij op beide plaatsen bezittingen hadden.
Jacop van de roke en Willemine Hemerijs hadden samen geen kinderen.
Dit is waarschijnlijk te verklaren door het verschil in leeftijd.
Reeds vóór 1397 had Willemme Hemerijs een testament laten opmaken in tegenwoordigheid van priester Jan van Merlaer als haar tabellioen, een soort notaris, een ambtenaar van het geestelijk recht, gespecialiseerd in het opmaken van testamenten.
Deze Jan van Merlaer behoorde tot de familie van Andries en Wouter van Merlaer, die samen met onder andere de familie van Wouter de Mey, betrokken waren bij de moord op Jacob Van Artevelde, de jonge.
In 1406 moest Philips de Mey geld dat hij had geleend terug betalen aan Jacop van de roke.
Philips' vader was Jan de Mey, vermoedelijk dezelfde als Jan de Mey, zilversmid en zoon van Wouter de Mey.
In 1393 was Philips "ontfaen in tambachte" van de wijntaverniers.
In 1392 was hij gehuwd met aechte mulaerde, in 1398 met aechte van de sipe.
In 1394 kocht Philips een huis "aan den driesch bij sente-lijsbetten up de gracht", aan het eind van de Burgstraat.
In 1398 werd Jan van Herleghem de oude voogd over de wezen van Wouter de Brabantere, de "messagier", in haar testament schonk Clare de Poertere, de tweede echtgenote van Jacop van de Roke een "faelge" aan Wouters dochter lisbette de brabantere.
Blijkbaar maakten Jacop van de Roke en zijn vrouw Willemme dus deel uit van de anti-Artevelde-partij.
In 1397 had Willemme geld geleend aan Lievin Palin.
Lievin Palin was molenaar, in 1416 kocht hij een schip van Jan de Waghenmakere.
Vermoedelijk was Lievin Palin de molenaar van Jacop en Willemme.
Bakkers en brouwers hadden in die tijd een voorkooprecht van een week om hun graan (tarwe, gerst, ...) op het schip zelf te kopen voor het op de markt te koop werd aangeboden.
Willemine Merijs had geld geleend bij mergriete, de weduwe van Jan de Leencnegt.
Jan behoorde tot de beroemde klokgietersfamilie De Leencnegt, die zich rond 1385 te Gent had gevestigd.
Jan de Leencnegt en zijn broers Daneel, Clais en Michiel vervaardigden klokken voor de Sint-Niklaaskerk en de Sint-Pieterskerk te Gent en voor een hele schare kerken op het platteland in het Land van Aalst, Henegouwen, het Rijselse...
Als voorbeelden halen we aan : de kerken van Heusden, Gottem, Ressegem en Rijsel.
De weduwe van Jan de Leencnegt heette Mergriete van Apica, zij kocht in 1410 samen met haar man Jan een huis in "de straat naast de Bilc".
Willemine Hamerij overleed in oktober 1415, en Jacop van de roke regelde "als houder bleven achter Willemine" de erfenis met haar kinderen en kleinkinderen.
De erfgenamen van Willemine Hamerij waren "eendrachtelic comen voor scepenen" waarbij zij "kenden en lijden" dat "van den vorseiden versterfte onderling verhoyrsaedt verheffent en verdeelt zijn" zodat "elc van de houder en hoyre blijft staende in sinen rechte" van "eenen huus staande in de Buerchstraete een brauwerije sijnde met te allame ende toebehorende" ... "en up den vriendeliken deel die de houder en thoyr gedaan hebben van der gereede binnen der herberghe"..."ende scolden elcanderen quite van der selven verst[erfte], mids den eede die den houdere dede up den tax van 10 sc[ellingen] gro[ten] onder of boven".
Op 6 november 1415 hadden Jacop van der roke, mergriete Beskins weduwe gheeraerts van der donct al[ias] de jonghe en pieter van noorthoute als voogd over de wees franskine van scorisse, reeds geregeld dat een schuld van 3 pond groten tours, die Willemine nog had uitstaan bij mergriete, meester Jan Leencneghts clocghieters weduwe, door hen zou afbetaald worden in "drie payementen dats te wetene 20 sch[ellingen] gr[oten] te kerssavond, 20 sch[ellingen] gr[oten] te paeschen en 20 sch[ellingen] gr[oten] 14 nachten voer Sent Jansmisse".
Bij deze beide regelingen valt op dat alles blijkbaar in een zeer serene sfeer gebeurde, en er geen conflicten waren.
Toch merken we op dat mergriete Beskins in de vriendelijke verdeling van december 1415 niet voorkwam, en dat in februari 1416 de schepenen van de Keure Mergriete gheerard wed[uwe] van der donct al de sionghen veroordeelden "te betaelen Jacoppe van der Roke de helft van 9 po[nd] gr[oten] to[urs] en voort 27 sch[ellingen] 6 gr[oten] t[alf]vasten en dandere heelft tsinxene zo ne soude wet up haer doen"...
Jacop van de roke was in 1401 borg voor kateline Maersants in een conflict met Boudin Bertram.
Boudin bleek zijn trouwbelofte aan Kateline niet na te komen.
Boudin Bertram was een "cuper", een kuiper : een tonnen- en vatenmaker, hij woonde in de brouwerij "De Valcke" in de Veldstraat.
Tussen 1415 en 1423 leende hij geld aan de stad Gent, en tot driemaal toe werd hij beboet wegens een vermogensdelict.
De naam Maersant is bijna zeker de Vlaamse versie van de Romaanse familienaam Marchand.
Mogelijk behoorde deze Kateline tot een bevriende Doornikse familie.
Jacop was was in 1408 borg over Marie houcke, de weduwe van Jan Minne en de wezen Liefkine en Betkine Mins.
In 1415 moest Jacop van der roke, brouwere, een vierendeel van 31 lb en 5 sch voldoen voor de koop van een deel van "den huus en stede staende an den coute[re] daer de zelve joncfrou marie ute verstaerf" , en een som van 20 ponden gro principaels en 3 pond groten die hij "deraf heft moeten betalen van weesekinsghelde omme dermede ghequit te sine van den 20 lb groten toebeh[orende] Callekine Mins, Jan Mins dochter".
Bij het overlijden van mergriete van den hecke, vrouw van Jac Doedekins in 1412, werd Jacop van der roke voogd over hun dochter Merkine.
Bij het overlijden van Lisbette van Galaeys, "der wezen groetvrauwe van moederlijke zijde" in 1420, blijkt Jacop van der roken ook voogd te zijn van Grielkin, Jacop Doedekins natuurlijke dochter bij Lisbette van den Hecke.
In 1428, bij het overlijden van Merkine Doedekins waren de erfgenamen Jakomaerde van Galaeys, Thomas van der Aghen, Jan van Tiesnake, Jan Drabbe, Willem van der Fossen en Marie van Oroir.
Marie van Oroir was gehuwd geweest met Simoen Meerijs, een nauwe verwant van Willegemme (Ha)Merijs, Jacops vrouw.
Jacquemart de Gallais maakte op 8 september 1445 in Doornik zijn testament op, hij staat er ook vermeld in het obituarium van de St-Piat-parochie.
De familienaam van Galaeys ontmoeten we in 1452 ook in het testament van Piettre de Rocque, die gehuwd was met Cathérine de Galois (zie de familie de Rocque in Doornik).
Via de familie van Galaeys - de Galois vinden we hier een duidelijke band tussen de Gentse familie van de roke en de Doornikse familie de Rocque.
Willem van der Fossen vonden we eveneens in Doornik, waar hij in 1415 de rente overnam die de weduwe Romelle betaalde aan het Officie van de Cellier van het kapittel van de kathedraal van Doornik, voor een huis in de parochie St.-Brice, waar ook Colard Rommel en de andere wezen woonden.
We zullen later zien dat lijnwaadwever Jan van de roke sinds 1409 in Gent als voogd was aangeduid over de wezen Rommel.
Een tweede duidelijke band met Doornik.
In 1416 trad Jacop van de roke op als borg voor Kateline Alaerts die een geschil had met Michiel Penync.
Jacop van der rokes naam is in deze acte neergepend in andere, donkere inkt ... vermoedelijk door Jacop eigenhandig bijgeschreven!
Jacop van de roke huwde in 1416 een tweede maal : met Clare de Poertere.
Kort na haar huwelijk met Jacop "so quam int ghemeene geselscap van scepenen Clare spoerters Jacops van der roke wettelike wijf" die "kende en verclaerde dat so geordineert hadde een cedulle inhaudende haer testament ende uterste wille".
We leren er haar familie, kennissen en vrienden in kennen.
Clare verkoos haar "ziele ende ... lichame der kerkelicker sepulture" in haar parochiekerk "tsente Michiels".
Ze wou dat er 30 zielsmissen ter haar ere moesten opgedragen worden, en schonk daartoe 5 sch. gr.
De dag van haar "uutfaert" wou ze dat men "deelen sal den aermen ... dbroet van een mudde taerwen", waarvoor ze (de tafel van) den Heiligen Geest van Sente Michiels 6 sch. gr. schonk.
De priester die haar de laatste sacramenten zal toedienen schonk ze 12 gr, "den uppercoster" 4 gr. en "den ondercoster" 2 gr.
Aan haar bastaardbroeder Lievine den Poertere, die haar "goed niet delen mach", schonk ze 2 lb gr. en zijn kinderen Annekine, Callekine en Claerkine gaf ze elk 20 sch. gr..
Haar schoonzus Lisbette gaf ze haar "roeden pelsroc".
Kateline Baudins die haar "gevisenteert heeft ... in miere ziechede ende altoes alst van noede es" schonk ze 10 sch gr en haar quade faylge.
"Haren lieven rechtzweer" Willemme van der Vondelen schonk ze 6 sch gr. en zijn vrouw Mergriete zou haar "zwarten rieme met zelver besleghen" of haar "roeden caproen metter plinen cnoppen".
Lisbette Brabanters kreeg één van haar twee "besten faelgen".
Joncfrau Alycen van den Hefte kreeg "vut goeder minnen ende vrienscepen" 14 sch. gr.
Hectorre den Smet, haar "lieve vrient", kreeg "vut speciaelre jonsten ende vrienscepen" 3 sch. gr., en elkeen van zijn twee kinderen 6 gr.
De kinderen van Bernaert Boens kregen elk 12 gr.
Johannes Alycen, eveneens een "lieven vrient" kreeg een guldin vrancxe crone.
Haar "cnape" Janne kreeg "vut goeder jonsten" 2 sch. gr., en Betten, haar "joncwive" 3 sch. gr.
Arents wive van den Somple, haar lieve nicht, kreeg een guldin vrancsxe crone.
Callen Poerters haar "lieve rechtswerende" gaf ze haar "groenen froc metter voederinghen die inne es".
Clare de Poertere duidde als executeurs van haar testament haar "sonderlinghe lieve en wel betraude vriende in gode Jacoppe van der roke", haar "lieven wel betraude man", en haar broeder Lieven de Poertere, die daartoe respectievelijk 20 sch. gr. en 6 sch. gr. dienden te ontvangen.
Clare voegde er nog aan toe dat ze "onderstonde der last in kennesse van scepenen ende geloofdent te vulcommene en te vuldoene naer haerlieder macht als scaedelooze testamenteur te haer goeds coste welke kennesse scepenen ontfaen up de verclaeringhe die Clare dede dat haer goed es wert 40 pond groten.
Jacop had geen legitieme kinderen, we vonden van Jacop van de roke twee buitenechtelijke kinderen : Jacop van der roke en Zoetine van der roke
Brouwer Jacop van de roke had een bastaardzoon Jacop bij Lisbette de Smet.
Het doel van het huwelijk in de 14de en 15de eeuw was de bescherming van het (familie)patrimonium en de uitbreiding of versteviging van het familiale en relationele netwerk, en het verwekken van wettige erfgenamen.
De wereldlijke overheden beschermden het huwelijk als basis voor de sociale orde en de Kerk trachtte voornamelijk de spirituele kant van het huwelijk vast te leggen. Ze had in de late Middeleeuwen het monopolie voor de wetgeving en de rechtspraak i.v.m. het huwelijk verworven.
Sinds de 12de eeuw werd het huwelijk beschouwd als een sacrament dat een man en een vrouw met elkaar verbond, op basis van hun wederzijdse toestemming.
Het huwelijk was als sacrament dan ook onontbindbaar.
Sexualiteit -de "consummatio"- en sexuele trouw stonden los van dit sacrament, de essentie van het huwelijk was immers de consensus tussen de partners en geenszins de fysieke relatie.
Er werden vaak "verstandshuwelijken" gesloten, of huwelijken tussen echtelieden met een groot verschil in leeftijd en dus met een ander verwachtingspatroon van dit huwelijk en met verschillende noden en wensen op gebied van sexualiteit.
Dikwijls waren er reeds kinderen uit een vorig huwelijk van één van de partners, of was de vrouw de vruchtbare periode reeds voorbij.
Over de sociale en juridische positie van bastaardkinderen tijdens de Late Middeleeuwen vonden we veel informatie in het werk "Kinderen van de Minne ?" van Myriam Carlier.
We lezen er dat in de 15de eeuw het hebben van onwettige kinderen bij de stedelijke burgerij nauwelijks verbazing wekte.
Bastaardkinderen konden volgens het erfrecht alleen van hun moeder erven, en konden zelf enkel laten erven door hun wettige nakomelingen.
Dikwijls werden deze bepalingen omzeild door schenkingen bij leven, waarbij dan expliciet vermeld werd dat deze gift integraal naar de familie van de schenker diende terug te keren indien het bastaardkind bij overlijden geen wettige nakomelingen had.
De bastaardkinderen werden niet gestigmatiseerd, ze werden integendeel vaak opgenomen in de familiekring van de vader en genoten in grote mate een zelfde opvoeding als de eventuele wettige kinderen.
Ze werden ook soms gelegitimeerd, hetzij door de echte vader, hetzij door een gewillige bruidegom die zich over de ongehuwde moeder en haar kind ontfermde.
De onwettigheid van nakomelingen buiten het huwelijk, kwam niet voort uit ongelukkige huwelijken, waaruit geen ontsnappen mogelijk was, maar door de houding van de maatschappij ten opzichte van dit huwelijk.
Men huwde met iemand uit een sociaal gelijke klasse, op een leeftijd waarop dat economisch en familiaal verantwoord was.
Sexuele trouw stond -zeker waar het de man betrof- los van het huwelijk, en overspelige relaties werden getolereerd zolang ze het huwelijk niet in gevaar brachten.
Het verlaten van de echtgenote of echtgenoot daarentegen werd door de laat-Middeleeuwse maatschappij niet aanvaard, zoals duidelijk blijkt uit de reglementen van vele ambachtsgilden en verenigingen zoals bij voorbeeld de St.-Jorisgilde.
Samen met Myriam Carlier stellen wij vast dat er in bepaalde families en in bepaalde sociale milieus meer bastaarden voorkwamen dan bij andere, en dat er bovendien een hoge herhalingsfactor was.
Als voorbeeld voor bepaalde beroeps- en sociale groepen waarin meer bastaarden voorkwamen vermeldt ze dienstpersoneel en immigranten voor wat de moeder betreft; edellieden, geestelijken en vreemde kooplui voor wat de vader betreft...
De situatie bij de familie de le roke/van de roke is blijkbaar de perfecte illustratie van deze vaststelling :
Jak de le roke werd in 1320 en 1339 vermeld als een Doornikse meersenier, en was dus een reizende koopman.
In 1379 werd Jacop vander Roken of Denijs in Gent vermeld... zijn dubbele achternaam zou er kunnen op wijzen dat hij een bastaard was.
Jac van de rokes zoon, brouwer Jacop, had op het eind van de 14de eeuw twee bastaardkinderen bij twee verschillende moeders.
In 1410 was er te Gent een vermelding van ene Jacop Denijs alias vander roke...
Onwettige kinderen werden in het erfrecht gediscrimineerd : zij konden van hun vader en diens verwanten niet erven.
Bovendien kwamen de goederen van onwettige kinderen ,die stierven zonder wettige nakomelingen, volgens het bastaardijrecht toe aan de hertog van Bourgondië, of aan de lokale heer.
In Gent (en Kortrijk) gold in dit geval specifiek dat een gift afkomstig van de vader of zijn familie dan toekwam aan (de verwanten van) de moeder van het zonder wettige afstamming overleden onwettig kind.
Er bestonden in het gewoonterecht echter mogelijkheden om deze discriminaties te omzeilen.
Een bastaardkind kon van zijn verwanten via schenkingen bij leven of via legaten in een testament wel goederen en giften ontvangen.
Er kon een bepaalde som, beperkt tot maximaal één derde van het vermogen van de schenker, bij testament worden overgemaakt; er konden -onbeperkte- schenkingen bij leven plaats vinden, meestal als gelegenheidsgift, wanneer het onwettig kind meerderjarig werd, of in het huwelijk trad.
Heel dikwijls werden deze giften onderworpen aan de voorwaarde van terugkeer naar de familie van de schenker, indien het onwettig kind overleed zonder wettige erfgenamen, zodat men het bastaardijrecht kon omzeilen en de weggeschonken goederen in de familie van de schenker kon houden.
Door verschillen in lokaal (gewoonte)recht, werd een bastaard ook enorm beperkt in zijn persoonlijke vrijheid als in het verwerven van bezit.
Wanneer een onwettig kind overleed buiten de stadsgrenzen, betekende dit doorgaans het verlies van zijn volledig bezit.
Het poorterschap van sommige steden bood een afdoende bescherming tegen deze regels.
Op 21 november 1397 staat in het register van de Gentse schepenen van Gedele genoteerd dat "Jacop vander Rake al[ias] de Smet, Jacops natuerlike sone vander Roke comen es voor scepenen van de Keure in Ghendt" waarbij hij erkent dat hij van "Jacoppe zinen vader en Willemme Emmerijs zinen wive", de som van 8 pond gro[ten] to[urs] heeft ontvangen, "uten goeden jonsten omme hem mede te gheerne en hem selven te helpene".
Jacop ontving dus, vermoedelijk bij zijn meerderjarigheid, een som geld waarmee hij zijn zelfstandig leven kon beginnen.
De tekst vermeldt verder nog dat "in conditien gemeldt dat de vors[eide] Jacop storve sonder wettel[yk] hoir van sine lichame comende ter doet van hem levende, dat van de vors[eide] ghifte wedercommen en keeren soude up sinen vadere en sinen stiefmoedere up dat sij dan leefden of up haerl[ieder] wett[elyk] hoir".
We hebben hier dus een treffend voorbeeld van het achterpoortje om de wet te omzeilen : indien de natuurlijke zoon zonder wettelijke erfgenamen zou overlijden, diende deze gift terug te keren naar de (wettelijke erfgenamen van) schenkers, zodat -in voorkomend geval- deze som niet onder het bastaardijrecht viel.
Wat ons zeer interessante informatie verschaft is het feit dat Jacop van de roke in 1397 blijkbaar meerderjarig is geworden, waardoor hij dus in 1372 is geboren.
Dit impliceert dan ook dat zijn vader, brouwer Jacop van de roke toen ook ongeveer 25 jaar zal zijn geweest, en dus is geboren rond 1345-'50.
Zíjn vermoedelijke vader Jac van de roke is dan geboren rond 1320-'30.
Op 16 oktober 1398 zijn "Jacop van der roke en Willemine Hamerijs sijn wett[elyk] wijf" vrijwillig verschenen voor de schepenen van de Keure van Gent, waarbij zij verklaarden "gode voer oeghen hebben[de] peisende om[m]e de salichede van hare sielen gegeven en geven in purer aelmoesen om[m]e goden ende mits sekere redenen diere heurl[ieden] toe purren Soetkine, Jan Beskins naturlike dochter die hij hadde bij mergriete cosaerts, daer de vors[eide] Willemine groetvrouwe af es, de somme van 16 pond groten tot den nobel over ses scelen gro[ten].
Met eveneens als voorwaarde dat indien "Soetkine vors[eid] storve sonder wett[elyk] hoir van haren lichame comen ter doet van hare levende, de vors[eide] ghifte weder comen en keren soude up Jacops en Willemine sijns wijf hoyr".
Op 19 mei 1404 is Willemine hemerijs Jacs wett[elyk] wijf van der roke vrijwillig verschenen voor de schepenbank van Gedele, waarbij zij "kende en lijde dat soe heeft gegheven en gheeft bi consente van Jac haren man vorn[oemd] Soetkine Beskins, harer nichte daer soe groetvrouwe af es, in vuermen van huweliken ghifte met Coppine van der Roke, Jac haers mans zone, en daer up dat thuwelic tussen hen beeden vort gegeven es de som[m]e van 9 pond gro[ten] tours omme Soetine te hebbene te heffene en tontfaene so wanneer dat Willemine vors[eid] ghevaren sal wesen van live ter doot.
Natuurlijk ook hier weer de clausule dat deze gift terug diende te keren naar de wettelijke erfgenamen van Willemine Hamerijs indien Soetine Beskins overlijden zou zonder wettelijke nabestaanden.
Eveneens op 19 mei 1404 is Jacop van der roke vrijwillig verschenen voor de schepenen van Gedele, waarbij hij "kende en lijde dat hij heeft ghegeven en gheeft uut vaderliken jonste en minne Coppine van der roke, sine natuerlike kinde dien hij heeft bi betten smets, de somme van 18 po[nd] gro[ten] tours omme hem die te hebbene te heffene en tontfane wanneer dat Jac vorn[oemd] gevaren sal wesen van live ter doot.
Ook hier de clausule dat de gift naar de wettelijke erfgenamen van Jacop van der roke diende terug te keren indien Coppine, "zinen natuerliken kinde" zou overlijden zonder wettelijke erfgenamen.
Door deze twee schenkingen omzeilden Jacop en Willemine twee wetten : bastaarden konden niet erven, en indien ze overleden zonder wettelijke erfgenamen kwam hun bezit toe aan de hertog.
Blijkbaar waren zij dus zeer goed op de hoogte!
Dit huwelijk illustreert op treffende wijze hoe complex de gezinssamenstellingen op het eind van de 13de en het begin van de 14de eeuw soms waren.
Jacop, de voorhuwelijkse natuurlijke zoon van Jacop van de roke, huwde met de bastaarddochter van de zoon van Willemine uit haar eerste huwelijk.
Gezien de rijkelijke giften en de expliciete vermelding "bi consente van Jac haren man", verliep alles blijkbaar in vrede en harmonie.
Ook het feit dat Jacop van de roke voogd was van de minderjarige kinderen van willemines dochter uit haar tweede huwelijk, bewijzen dat de complexe gezinssamenstelling niet voor spanningen zorgde, maar dat brouwer Jacob als pater familias voor iedereen zorgde en zijn verantwoordelijkheden opnam.
Op 4 september 1404 erkende Jacob van de Roke fs Jacs dat "hie sculdich es van Willemine Meerijs Jacob zijns vader wettelik wuf de somme van 6 ponden groten tours van gheleende gelde".
Jacob beloofde dit geld binnen het half jaar terug te betalen.
Willemine gaf het jong gehuwde koppel blijkbaar nog een financieel duwtje in de rug.
           In de schepenboek van Gedele staat op 31 mei 1419 geregistreerd dat Jacop van der roke "comen es vor scep[enen]" en daarbij "kende en lijde dat hij geeft vut goeder jonste en vaderl[icke] minne Zoetine van der roke sine dochter die hij hadde bij Leene sBiters" de som van 12 pond groten tours.
Ook Jacop van der roke fs Jacops schenkt "vut goeder jonste" zijn zuster een som van 6 pond groten, zijnde een deel van de som die hij zelf van zijn vader zal krijgen wanneer die "gevaren sal sijn van live ter doot".
Ook hier werden allerlei bepalingen opgenomen zodat het geld bij het overlijden van Zoetine zonder wettelijke afstammelingen zou terugkeren naar de wettellijke erfgenamen van haar vader Jacop van de roke of van haar halfbroer Jacop fs Jacops.
Op 14 maart 1428 is Jacop van der Roken nogmaals verschenen voor de schepenen, waarbij hij 20 pond groten schenkt aan zijn "natuerlike kinderen", 12 pond groten voor Jacoppe van der Roken en 8 pond groten voor Soetine van der Roken.
Op 15 januari 1432 bevestigden Jan van der Roke en Amante Massoys, als uitvoerders van het testament van brouwer Jacop van de roke, dat diens weduwe Clare sPoerters de som van 26 pond groten "die soe tachter en schuldich was van den afcoepe en versterfte van Jac van de Roke" voldaan heeft aan Jac van der roke en Soetine van der Roken, Jacs natuerlike kinde.
In de boeken van de schepenen van Gedele werden ook de "soendinghen" geregistreerd, de plechtige verzoeningen tussen twee of meer families of "partieën" bij het beëindigen van een -meestal gewelddadige- vete.
Alle bij de vete betrokken partieën zonden hun voornaamste vertegenwoordigers "voor scepenen" en de vijandigheden werden officieel beëindigd en bekrachtigd met -letterlijk- een "montsoen".
Op 13 juni 1410 werd geregistreerd dat
"van der doot en de wanconste van vrienden en maghen van Kerstiaen de maghere al[ias] van den Kante, welc fayt men betyende was Gillis den Bisere fs Jans welke Gillis onlanghe n[aer] ghevallen was quam van live ter doot.
So es paeis en soendinc besproken en ghemaect tussen Piet[er]en van der roke als monts[oener] van den voors[eiden] doiden an deen zijde en arende de Bisere broeder van den vorseiden gillis den Bisere als onschuldich man an dandere zijde..."
Kerstiaen de mayhere was in 1386 aangesteld als moederlijke deelvoogd over de kinderen van Jan Rommel en Jehane Sans bij het overlijden van hun moeder.
Zoals we verder zullen zien werd Jan van de roke in 1409 aangesteld als voogd over deze kinderen na het overlijden van hun vader.
Als borgen bij deze verzoening traden op : over Arend de Bisere de broers Jan en Gillis de Bisere, over Pieter van der Roke, de "montsoener", Jan van der roke en Jan Preesste.
Vermoedelijk gaat het hier om Jan van de roke die samen met Jan De Preester schepen was van Berchem in 1422.
Waarschijnlijk waren Pieter en Jan vader en zoon...
Pieters voornaam verwijst zeer duidelijk naar Pieter de Roeke die in 1396 in Berchem wonend buitenpoorter van Geraardsbergen was (zie de familie van de roke in Berchem), zeer waarschijnlijk gaat het hier om dezelfde persoon.
           In 1394 deed Jan van der Roken als meester lijnwaadwever zijn intrede in de gilde.
Net als Jacop van de roke in 1394 werd geregistreerd als meester-brouwer, werd Jan van der Roken meteen opgenomen als meester-lijnwaadwever, zonder eerst een proeftijd als leerjongen of gezel doorgemaakt te hebben.
Zij leerden hun beroep dus in een andere stad.
Jan van de roke bezat een woning in de Coolsteegh te Gent, een zijstraat(je) van de Burgstraat, waarin ook het Peerdeken, de brouwerij van Jacob van de roke een zijuitgang had.
Op 21 juni 1404 was Jan van der Roke "commen en lijde dat hij sculdich es Beelen Noes de somme van 12 sch[ellingen] en 4 den[ieren] gro[ten]".
Ene Jan Bourlet beloofde Jacoppe vorn[oemd] daarvan "scadeloes te quitene".
Behoudens een misschrijving van de scribent ontmoeten we Jan en Jacoppe van der roke hier samen in één acte.
Bovendien was er in Doornik in 1453 een Jehan Bourlet die samen met Jehan de le Roche als inwoner van de Saint-Nicaise-parochie de rekeningen voor dat jaar goedkeurde.
Ook in Flobecq en Ellezelles was er reeds vroeg in de 17de eeuw een familie Bourlet aanwezig.
Een duidelijke aanwijzing dat de families van de roke en de le roke gemeenschappelijke kenissen hadden.
De voornaamste acte met betrekking tot de handelsactiviteiten van Jan van de roke vonden we in de schepenboek van de Gentse schepenen van de Keure voor het ambtsjaar 1409-1410.
Op 27 maart 1409 is Jan van der Roke verschenen voor de schepenen, waarbij hij "kende en lijde dat hij sculdich es Janne den Backere fs Boudin de somme van 3 pond groten tours de welke hem de vorseide leende omme te legghene an coepmanscip van linwade te winninghe en te verliese ende Jan van der Roke heeft beloofd dermede te doene tmeeste profijt dat hij sal moghen..."
Boudin de Backere had in de periode 1400-1410 handelsconflicten met Claise Ammoens, Lievin Lancbrugge, Jan van den Bossche alias Deynoet, Lauwereins Deynoet alias vanden Bossche, Lievin den Meemer en Jan Bloumen.
Telkens was Bernaert Sturtewaghen zijn borg.
Bernaert Surtewaghen woonde in een huis "buten Turre" en was gehuwd met Mergriete de Ledighe († 1404).
In 1413 verscheen Jan van de roke verscheidene malen voor de schepenen van Gedele, waarbij hij economische geschillen in der minne regelde.
Zo had Willem de Coninc met borg Roegier vander hofsteden een openstaande schuld bij Jan van de roke, en had Jan een schuld aan Matthijs de Blonde en zijn borg Pieter van der ghoten.
Telkenmale stond Jac of Jacop van Scalaffien borg voor Jan van de roke, hij was hoedenmaker.
De familie van Scalaffien of Descanaffle was een Doornikse poortersfamilie die eveneens verbleef in Gent en in Berchem.
In 1454 en 1457 waren Jan en Goessin Scanaffien baljuw in Berchem, en Gossaert was in die periode ook onderbaljuw van Oudenaarde.
Berten De Keyzer vermeldt in zijn "Lange weg naar Kluisbergen" als schrijfwijzen voor hun achternaam : Scanaffien, Schanaffle, descanaffles en Escanaffles.
We vonden in de lijst van de Doornikse testamenten de namen van Jehans Descanaffle in 1303, van Thumas Descanaffle in 1350, van Jehannin Descanaffle in 1360, van Jehane D'Escanaffle, weduwe van Jehan in 1360, van Jehan, Maigne en Piérart Descanaffle in 1366, van Jehan Descanaffle in 1396, van Jehenne d'Escanaffle in 1421, van Jehenne d'Escanaffle, weduwe van Piérert de Henan, in 1438 en van Gilles d'Escannaffle in 1467.
Jan van de roke werd in 1409 aangesteld tot voogd over Pieterkine, Gillekine, Maykine, Meerkine en Kallekine, de minderjarige kinderen van Jan Rommel en Lisbette van Bassevelde, na het overlijden van hun vader.
Jan van de roke trad eveneens op in naam van Collaerde Rommel "sins selfs man zijnde" en Marike Rommel, "der wezen broeder en zuster van de vaderlike zijde van het eerste bedde".
Waarschijnlijk was Jan van de roke gehuwd met een Rommel.
In de rekeningen van de Doornikse parochie St-Brice van 1409-1410 vinden we volgende merkwaardige vermelding :
"De la vesve Romelle pour l'accat d'un siége qui est devant l'autel des Mouton accordé de la loy pour luy et ses filles iii couronnes sont iiij lb. x s. vij d." .
De juiste betekenis van deze tekst moet nog ontcijferd worden, maar het is onbetwistbaar een bewijs dat de weduwe Rommel in de Doornikse St.-Brice kerk kwam.
In het renteboek uit 1415 van het Groot Officie van de cellier van de kathedraal staat geregistreerd dat la vesve Romelle een rente betaalde voor een huis in de rue des Abliaux, in de parochie St-Brice, gesitueerd naast de iretage van Colard Romel, die vroeger aan alle erfgenamen samen toebehoorde, die achteraan uitkwam aan de oever ter hoogte van de pont a pont.
De pont a pont is de oudste Doornikse brug over de Schelde die de wijk St-Brice met de cité verbindt.
Reeds in 1344 werd in Doornik het testament opgemaakt van Marguerite Ronielle... zonder punt op de i was dit wellicht een Romelle.
Ook de familie (Li) Sens vinden we in Doornik :
In 1360 maakte Biétris De Gavre, weduwe van Jakemon Le Sens er haar testament op, In 1400 werden de testamenten geregistreerd van Jehan en Marguerite Li Sens en van Jaque Li Sesne.
In 1422 werd een testament opgesteld van Ysabiel Le Sense en nog in 1443 dit van Leurent Le Sesne.
In 1342 werd in Doornik een leercontract opgesteld waarbij Jaquemart Sanses voor twee en een half jaar als leerjongen in dienst trad bij mesmaker Jehans Cochet.
Vanaf 1416 leren we de vrouw van Jan van der Roke kennen : Marie Buuts.
In 1417 ontstond een reeks vijandigheden na "de misgrijp ende mesdoen dat gillis de clerc mesgreep ende mesdede up marien Buuts, jans wijf van der roke, intghuent daer hij deselve sconfierlijk slouch metten hechte van sinen messe..."
Gillis werd er voor op pelgrimstocht "tonzer vrauwen te vrankenaerde" gestuurd.
Ook joncfrau ysabeele truebs mesgreep ende mesdede up marien buuts vors[eid] int ghuent daer so de selve marie sconfierl[ijk] in haere aensichte smeet scalcse loddinghen ende teve vlese metten rampe" ...
Joncfrau Ysabeele werd op pelgrim gestuurd naar "Sint-Ambrosius te Melanen" (Milaan).
Ook Mergriete truebs, gillis clercx wijf, jan van speybrouc en johannes alycen mesgrepen ende mesdeden up marien buuts "van intghuent dat sij de selve marie sconfierlik helpen meshandelen".
Zij moesten ter ere van "Marie Buuts en Janne haren man ende hare vrienden en maghen" op pelgrim "tonservrouwe te spierre, tsente cornelis tynden en tonser vrauwen taken" (Spiere aan de Rijn, Inden nabij Aken, Aken) .
"Over dmesgrijp dat Marie Buuts mesgreep ende mesdede up mergriete truubs int ghuent daer so selve mergriete sconfierlic slouch in de toecomste vleese meten rampe" werd zij veroordeeld tot een pelgrimstocht naar "monstere up westfalen" (Munster).
"Over dmesgrijp ende mesdoen dat Jan van der roke mesgreep ende mesdede up gillis de clerc int ghuent daer hij den selve Gillis weesde met ene stave" diende Jan van der roke een pelgrim "tonzer vrauwen te boenen" (Boulogne) te ondernemen.
In 1419 werd Marie Buuts veroordeeld tot een pelgrimstocht "tsente pauwels te boenen" (Boulogne), omdat ze amelbergha stroyers sconfierlic meshandelde ende slouch binnen der huus.
Omdat Kateline vander Biest en Amelberghe stroyers "mesdeden up mergriete shoems, marie buuts en lijsbette shoems" ... en "sconfierlike toespraken bliekense bij den rampe lueghens troetense met meer vilaine woorden" werd kateline op pelgrimstocht gestuurd naar abbéville en amelberghe naar "tonse vrouwe te kaerlepont".
Jan van de roke, de lijnwaadwever, is kinderloos overleden in 1428.
Zijn erfgenamen Jacop van de roke, Jan van de roke, Amant Massoys en Arent van de Poele (ter causen van Kateline van den Riede sinen wive) bevestigden dat de erfenis naar behoren was geregeld met Jans weduwe Marie buudts.
Het is uit deze passage dat we leren dat er in het begin van de 15de eeuw twee verschillende van de rokes waren met de voornaam Jan en dat zij oom en neef moeten geweest zijn.
Verder leren we ook dat brouwer Jacop en zijn vermoedelijke broer Jan nog een broer hadden -de vader van de ervende Jan van de roke- en ook twee zussen, één die getrouwd was met een Massoys, en één -die vermoedelijk Kateline van de roke heette- die getrouwd was met een van den Riede... allemaal namen uit Berchem.
In de stadsrekeningen van Geraardsbergen van het dienstjaar 1424-'25 staat geregistreerd dat Kateline van den Riede, inwoonster van de prochie Berchem, 35 s. paresis betaald had om zich te ontpoorteren.
De reden was ongetwijfeld haar huwelijk met Arent van den Poele die blijkbaar geen poorter van Geraardsbergen was.
![]() |
Het feit dat Kateline van den Riede als inwoonster van Berchem poorteres was geweest van Geraardsbergen kan enkel betekenen dat zij te Berchem bezittingen had.
Een zoveelste bewijs dat de familie van de roke uit Gent en Berchem éénzelfde familie waren.
~:§:~
We konden in de Gentse archieven van het einde van de 14de en het begin van de 15de eeuw nog andere van de rokes vinden.
Zij waren allen ongetwijfeld zeer nauwe verwanten van Jac, Jacob, Pieter en Jan van de roke.
           In een renteboek van het Ebberechtshospitaal, daterend uit 1398 staat Wildemine van der roke vermeld.
Het Ebberechtshospitaal bevond zich aan de Nedercouter te Gent.
Wildemine betaalde een rente op haar "behuusde stede" gelegen "te crommenessche" in Gent.
Deze rente werd vóór haar door Lodewijk van Gavere betaald -haar man...?
Na Wildemine van der roke werd deze rente vanaf 1401 betaald door een andere Lodewijk van Gavere -haar zoon...?
Deze Lodewijk van Gavere was in 1419 samen met Lievin de Jonge voogd over de wezen van Jan Reepers.
Lievin de Jonge was sinds 1409 gehuwd met Marie Rommel, dochter van Jan Rommel en Jehane Sands, waar Jan van de roke en Kerstiaen de Mayhere voogd over waren.
De stiefvader van Jan Reepers was Willem van Heylbrouck, een Gents poorter afkomstig uit Berchem.
In 1360 werd in Doornik het testament geregistreerd van ene Biétris De Gavre, weduwe van Jakemon Le Sens.
Reeds in 1315 testeerde daar Pierre en in 1362 Ernoul De Gavre, in 1378 was er een goederenverdeling van Jehenne De Ghavre.
In het register van de schepenen van 1399 vonden we volgende vermelding :
Marie van der Roken, in consente van Gillis Maisonerde, haren wetteliken man, "blivene up c pond par[isis]."De naam van Maries echtgenoot -duidelijk niet van Vlaamse oorsprong- konden we in geen enkele bron terug vinden.
Er was in Doornik een familie Maisnard en misschien is de naam Maisonerde een verbasterde fonetische nabootsing van deze naam.
De achternaam van Marie is zeer moeilijk leesbaar, mogelijks werd hier Marie van der Reken geregistreerd.
Een wel heel merkwaardige vermelding treffen we aan in het boek van de schepenen van de Keure van het ambtsjaar 1410-'11 :
Op 13 oktober 1411 is Heinric Deynoet Janssone "comen vor scepen" waarbij hij "kende ende lijde dat hij sculdich es goeder redeliker scult" een som van 11 pond 10 schellingen groten torn. aan Jacoppe denijs al[ias] vand[er] Roke wegens de koop van een "huus staende up de gracht an den torre bij den Ramen".
De borgen voor Heinric Deynoet bij deze schuldbekentenis waren Jacop Nevelinc en Jacop Soyssone.
Onmiddellijk valt de zeer treffende gelijkenis op tussen de naam van Jacop Denijs alias van der Roke en die van Jacop vander Roken of Denijs die we in 1379 reeds in Gent aantroffen.
In theorie is Jacop Denijs alias van der Roke de (bastaard)zoon van een mijnheer Denijs en een mevrouw van der Roke, en zijn deze twee Jacops vermoedelijk "dubbel" verwant.
In de Middeleeuwen was het zeker niet ongewoon dat tussen bevriende families meer dan één huwelijksverbintenis werd gesloten, en dat generaties na elkaar de nauwe banden werden bevestigd door nieuwe huwelijken, een fenomeen dat we in de 14de en 15de eeuw ook kunnen vaststellen tussen de families van de roke en Pijcke.
In de schepenboek van 1416 staat geregistreerd dat Heynric Deynoet 9 pond groten 10 schellingen en 5 denieren groten schuldig is aan Jacop Nevelinc, omdat Jacop diverse personen voor hem heeft betaald, te weten : Janne van Duermen, Daneel van den Plassche, Matheeus van Neckersgrave, Jacoppe van der Roke brouwere (30 schellingen groten), Michiel Vlaminc en Ghiselbrecht van der Haghe.
Deze passage bewijst dan weer dat Jacoppe denijs al[ias] vander Roke een zéér nauwe verwant van brouwer Jacoppe van der Roke moet zijn geweest.
De expliciete vermelding dat het hier Jacop van der Roke de brouwer betreft, schijnt te bevestigen dat we hier niet met één en dezelfde Jacop te maken hebben.
Katheline vander Raken treffen we aan in het jaarregister van de schepenen van Gedele van 1411.
Samen met haar borg -vermoedelijk haar man- Jan de Leeu fs Jan, erkende Katheline een schuld aan Jane van den Borghuerie alias laergetse en zijn borg mahieu van de meulandere.
De families van de Meulander en van den Borgherie waren in de 14de en 15de eeuw reeds in Berchem aanwezig.
De familienaam van den Borgherie is afgeleid van de heerlijkheid Borgherie in Luingne nabij Moeskroen.
In 1371 was de heer van deze heerlijkheid, Alard de le Borgherie, gehuwd met Margueritte d'Auterive, dochter van Aelis Mouton en ridder Jehan d'Auterive, de broer van de in 1379 vermoorde baljuw van Vlaanderen Roegier van Outrive.
Jacop van scalaffie, de vaste borg van lijnwaadwever Jan van de roke was eveneens borg voor Jane vanden Borguerie alias laergetse.
In 1419 werd Jacop van Scalaffien door de vinderen van de Gentse Sint-Niklaasparochie veroordeeld een som te betalen aan Loye van den Meulenlande.
Zoals reeds vermeld was de Doornikse poortersfamilie d'Escanaffles in Berchem aanwezig in de 15de eeuw.
Daar we bovendien weten dat bepaalde passages uit deze schepenregisters eerst "in het klad" werden opgemaakt, en daarna "in het net" werden overgepend -letterlijk, met een (ganzen)pen- menen we dat we hier met Katheline vander Roken te maken hebben.
Uit deze enige vermelding kunnen wij niet genoeg gegevens puren om Katheline met zekerheid in de genealogie in te passen, doch zij behoorde zeker tot "de partie" -het economisch netwerk van zakenrelaties, buren, kennissen en familieleden- van lijnwaadwever Jan van de roke, en dus was zij vermoedelijk zijn zus.
~:§:~
In het jaarregister van de Gentse schepenen van de Keure van 1493 staat geregistreerd dat "Jan vander Roke fs Jans es comen voor scep[enen] en kende en lijde dat hij heeft ... geconsenteert en consenteert bij desen dat margrieten sboen Jans dochter, sine wettelike wive, hoe wel dat hij van te geestelike hove noch bij der weereltlike wet niet gesceeden en es, alsoo behoert paysuelic en vredelic van nu voort an te laten hebbene en gebruikene al zulke ghyften ... gegeven en jonnen zullen moghen, sonder hem daeran eenich recht te willen heeschene ofte vermetene en oec eenich prouffijt daer af te willen hebben in eenigher manieren ..."
Jan vander Roke fs Jans stemt door deze acte te verlijden erin toe dat zijn vrouw Margriete sBoen vrij kan beschikken over alle giften die zij zal ontvangen.
Verder onderzoek zal moeten uitwijzen om welke reden Jan vander Roke deze beslissing nam, en van wie deze Jan vander Roke en zijn vader Jan de nakomelingen waren.
In 1418 stond vermeld in het testament van Clare de Poertere, de tweede vrouw van brouwer Jacop van de roke dat ze een som van 12 gr. schonk aan Bernaert Boens kinderen.
klik hier om naar het begin van dit document te gaan