~:§:~
![]() |
           In het hoofdstuk over de familie de le Roke in Doornik stelden we tot onze niet geringe verbazing vast dat we reeds in het derde kwart van de 13de eeuw twee duidelijke verbanden tussen goede kennissen of nauwe verwanten van de familie de le Roke en Berchem konden vinden :
![]() |
![]() |
het kasteel Ter Donckt en den heylbrouck bachten ter Donckt
Halfweg de 15de eeuw verkocht Jacop vander Roken een stuk meers aan de heren van ter Donct.
We konden met zekerheid vaststellen dat de de familie van de roke in Gent duidelijke banden had mèt, of bezittingen had ín Berchem :
~:§:~
Zoals reeds eerder besproken op de pagina over de de familie van de roke in Gent waren Jacop vander Roeke, zijn vrouw Willemine en haar kinderen Jan en Mergriete Boskiin in 1396 ingeschreven als buitenpoorter van de stad Geraardsbergen wonend in de heerlijkheid Berchem.
![]() |
De schrijfwijze "oe" duidt de lange [o:] klank aan, vergelijkbaar met de "ae" uit Verstraeten als lange [a:] klank en de "ue" uit Verschueren als lange [y:] klank.
In het buitenpoortersboek van Geraardsbergen van 1396 staat naast Jacop vander Roeke en zijn vrouw Willemine en haar twee kinderen Jan en Mergriete Boskiin, als wonende te Berchem, ook ene Pieter de Roeke geregistreerd.
Ongetwijfeld gaat het hier om een nauwe verwant.
De (letterlijk) vreemde vorm van Pieters achternaam verwijst vrij duidelijk naar de oospronkelijke Picardische familienaam de (le) roke.
Daar deze namenlijst niet in het Frans is opgesteld, en er in dit buitenpoortersboek verschillende voorbeelden te vinden zijn waarbij een naam van Franstalige oorsprong naar het Nederlands werd omgezet, is deze vermelding toch wel als zéér merkwaardig te beschouwen.
![]() |
Waarschijnlijk hebben we hier te maken met de Pieter van de roke die in 1410 ook in de Gentse archieven voorkomt, samen met Jan van de roke en Jan de Preester, beide schepen van Berchem in 1422.
Verder onderzoek zal misschien aantonen of het hier over dezelfde persoon ging, of over een gelijknamige vader en zoon of oom en neef Pieter.
Ten einde de lijst der rechtstreekse voorvaders van Arent vander Roken -en dus van alle personen die Verroken, Verhoken of Verhoeke heten- te vervolledigen zijn wij op zoek naar een broer van brouwer Jacop van de roke, die dan de vader was van Jan van de roke "daar Jacop oom af was" ... deze Pieter de Roeke lijkt een uitstekend kandidaat!
In de stadsrekeningen van Aalst werd in 1405 en 1406 geregistreerd dat Jacop fs Jacops van der Roken, wonende te Berchem buitenpoorter van de stad was.
Zeer waarschijnlijk is dit brouwer Jacops bastaardzoon Jacop, die we reeds bespraken bij de de familie van de roke in Gent.
In Berchem kwam reeds vroeg een familie van (der) Meersch voor : in 1382 had ene Arent van der Mersch hout verkocht dat niet zijn eigendom was, en in het begin van de 15de eeuw waren de broers Lanceloot en Jan vander Mersch baljuw en onderbaljuw van Berchem.
Reeds in 1380 vonden we in de Gentse schepenboek geregistreerd dat Jac van de roke een tweede betaling had uitgevoerd ten voordele van Huughe Van der Mersch.
Zoals blijkt uit een staat van goed, opgemaakt na het overlijden van ene Gillis van Merssche in 1407 in de Oudenaardse zusterstad Pamele, was deze gehuwd met Janen van Roke.
Jan van de roke werd in 1428 door brouwer Jacop van de roke aangeduid als "Jan van de roke, minen lieve geminden neve daer ic oem af ben" en benoemd tot executeur van diens testament.
Jan van de roke was dus zeker de zoon van een broer van brouwer Jacop.
In datzelfde testament lezen we dat brouwer Jacop de peter was van Jans zoon Copkin van de roke.
In 1410 was Jan van de roke samen met Jan de Preester in Gent borg voor Pieter van de roke bij een -letterlijke- verzoening tussen twee vijandige partijen.
Uit deze vermelding zouden we kunnen besluiten dat Jan de zoon was van Pieter van de roke.
In de oudste bewaarde schepenlijst van Berchem van 1422, staat Jan vande Roken geregistreerd als één van de 7 schepenen, samen met Jan de Hond, Dierlaey vander Donct, Jan Prestre, Eustaes vanden Hulle, Jaquemaert van Ravael gheseyt de Brauwere en Pieter de Stier.
De schepenbank van Berchem bestond uit 7 schepenen, zij werd samengesteld op voorstel van de baljuw en om het jaar vernieuwd.
Dikwijls werden dezelfde schepenen diverse jaren na elkaar in de schepenbank opgenomen.
De personen die hiervoor in aanmerking kwamen waren begoede burgers, mannen met gezag en aanzien, dikwijls belangrijke landbouwers of handelaars.
De schepenen waren verplicht de zittingen van de Vierschaar bij te wonen, hadden als vertegenwoordiger van de heerlijkheid Berchem dikwijls elders verplichtingen, moesten soms lange reizen maken en kwamen soms in gevaarlijke situaties terecht.
In 1417 werd in de Oudenaardse stadsrekeningen geregistreerd dat Calle Pijcx fa Gillis zich -als dochter van een Oudenaardse poorter- "ontvrijt" had door haar huwelijk met Janne van Roke, een niet-poorter, en dat zij daarom issu moest betalen.
Het issurecht was een algemeen geldende belasting die zich-ontpoorterende-poorters dienden te betalen aan de stad waarvan zij poorter waren geweest.
Men ontpoorterde zich door de stad te verlaten, door huwelijk met een niet-poorter, door veroordeling tot verlies van poorterschap of tot verbanning ... telkens diende er issurecht betaald te worden.
Ook niet-poorters die erfden van poorters dienden op deze erfenis een issurecht te betalen.
Na de verwantschap tussen Symoen Pijcke en brouwer Jacop van de roke treffen we hier een tweede maal een huwelijksverbintenis aan tussen de families Pijcke en van de roke.
Veel bronnen over het vroeg 15de eeuwse Berchem zijn er niet, en voorlopig weten we niet wat het beroep van Jan van de roke was.
We weten zeker dat hij als schepen eigenaar van een woning in Berchem moet zijn geweest.
Het feit dat Jan er in 1422 schepen was, toont aan dat de familie van de roke goed ingeburgerd was in Berchem.
De hoog- en onderbaljuw van Berchem waren toen de broers Lanceloot en Arent vander Meersch.
Zij werden opgevolgd door hun verwant Jan vander Mersche.
Waarschijnlijk behoorde ook Hughe vander Mersch, die in 1380 werd uitbetaald door de erfgenamen van Jac van de roke, eveneens tot deze familie.
We konden uit het testament van brouwer Jacop van de roke uit 1428 reeds opmaken dat deze peter was van Copkin, de zoon van Jan van de roke, waar hij de oom van was.
De naam Copkin is een een verkorte vleivorm van Jacopkin, het verkleinwoord van de naam Jacop.
In 1456 was deze Jacop van Roke één van de 7 schepenen van Berchem, samen met Jan van Fatrissaert, Remeux van Hellebruec, Jan vander Messe, Jooris van Weerbeke en Pieter de Stuer.
Jan en Goessin van Scanaffien waren in die periode baljuw en onderbaljuw van Berchem, Gossaert Escanaffles werd toen ook geciteerd als onderbaljuw van Oudenaarde.
Deze familienaam kwamen we reeds tegen in Gent, waar Jacop van Scanaffie in de periode 1410-1425 de vaste borg was voor lijnwaadwever Jan van de roke.
In 1464 verkocht Jacop een stuk meers aan de familie van der Donct, de heren van de gelijknamige heerlijkheid Ter Donct.
Dit schijnt te bevestigen dat de eigendommen van de vorige generaties vander Roke ook in of nabij deze heerlijkheid Ter Donct gelegen waren, op de grens van Berchem, Kwaremont en Melden.
Zoals we verder zullen zien had Jacops vermoedelijke zoon Arent vander Roken in 1501 van de heer van Berchem, Jan van Gruuthuuse, een stuk land in leen, gelegen "up den heilbrouc, bachten tgoet der Donct, groot zijnde een dachwant en een half meers".
Nog in 1464 kocht Jacop vander Roke een hofstede van 80 roeden groot, gelegen in Berchem, van de weduwe van Jan Fastrissaert.
In de baljuwrekeningen van Berchem vinden we dat bij het overlijden van Jan Fastrisart "een bedde" als beste hoofd werd in belag genomen.
Rond 1500 was jaquemijne van fatrissaert, weduwe van Jacob Pielvake, vrauwe van de heerlijkheid ter Donkt, andermaal aanwijzingen dat de gronden van de familie van de roke in de 15de eeuw in de onmiddellijke nabijheid van Ter Donckt te situeren waren.
In 1467 verkocht Jacop een hofstede aan Fransen Hoopsomere.
In 1470 vonden we in de Oudenaardse stadsrekeningen de vermelding dat Jacoppe Roke issue betaalde op de erfenis die hij had gedaan bij het overlijden van zijn schoonvader Janne Pijcken.
Uit de staat van goed die iets later werd opgemaakt, leren we dat Jacop gehuwd was met Jacq(uemijne) pijckx.
Dit was de derde huwelijksverbintenis tussen de families Pijcke en van de roke.
Jacquemijne Pijcx had als broers Arent, Joris en Joos Pijcke ... deze voornamen zullen we in de volgende generaties bij de familie vander Roken aantreffen.
Deze vaststelling is één van de aanwijzingen dat Jacob en Jacquemijne Pijcx de ouders waren van Arent van der Roken (wiens zonen Joos en Jooris heetten).
In het obituarium (dodenboek) van de St.-Jacqueskerk van Doornik staat vermeld dat in 1472 een fundatie werd gestart voor of door Jacques Roke (zie de familie de le Roke in Doornik).
Een vermelding in zo'n dodenboek is meestal geen teken van blakende gezondheid, en vermoedelijk overleed deze Jacques Roke dus in of kort na 1472.
Na 1470 vonden we ook geen enkele vermelding meer over Jacop (van der) Roke in of rond Berchem...
Het feit dat Jacop en Jacques beide met de achternaam Roke werden genoteerd, doet het vermoeden rijzen dat het hier om dezelfde persoon zou kunnen gaan...
Het zou inderdaad handig kunnen geweest zijn om je achternaam als Roke op te geven als je dikwijls heen en weer pendelde tussen de Franstalige en Vlaamstalige gebieden, bij voorbeeld als interregionaal handelaar...
Misschien vinden we van deze veronderstelde handelsactiviteiten ooit nog wel een spoor.
We konden vaststellen dat de families waaruit de schepenen van Berchem werden gekozen, poorters hadden in Gent of Oudenaarde.
Misschien werden Jan en Jacop van de Roken tot schepen van Berchem gekozen wegens hun (mercantiele) contacten met Doornik.
Eén van de grote moeilijkheden bij geschiedkundig of genealogisch onderzoek is echter dat van de handelsactiviteiten van koopmannen zeer weinig schriftelijke neerslag bewaard is gebleven; meestal werd het heffen van belastingen op inkomende en uitgaande goederen door de stedelijke autoriteiten verpacht aan privé-personen, en hun archieven verdwenen meestal bij het overlijden van deze pachters "van de poorte" of "van de maerct".
Het is in deze context dan ook zeer significant even te herhalen dat de kleinzoon van Jehenne de le Rocque, de meersenier Jan Buridaens, in 1410 in de Gentse stadsrekeningen werd geregistreerd als pachter "van de poorte"!
In de boeken van de Officialiteit van het bisdom Cambrai werden de voornaamste vonnissen uit de kerkelijke rechtspraak genoteerd.
Aangezien de heerlijkheid Berchem zich in het bisdom Cambrai bevond, dienden de inwoners van deze heerlijkheid zich bij kerkelijke geschillen voor deze rechtbank te verantwoorden.
Op 17 mei 1443 werd er geregistreerd:
Cambrai : Pierre de Roque s' oppose après trois bans de mariages aux fiançailles publiques d'Agnès Piers et de Jean Gabriels conclues devant un prêtre et en l'église de Kwaremont.
L'official déboute Pierre, condamne les fiancés à solemniser leur mariage et condamne Pierre à payer à Agnes ses frais ainsi que les dommages et intérêts.
Visis oppositione Petri de Roque qui se sponsalibus in manu presbiteri et facie ecclesie de Quaermont Cameracenses diocesis inter Agnetem Piers et Johannem Gabriels contrahere volentes initis et habitis, tribus bannis desuper proclamatis, opposuit ...
Tenetur opponens ad liges pro frivola oppositione.
Apud Berghem decanatis Pamellensis.
wij vertalen dit zelf naar het Nederlands :
Pieter van Roke verzette zich na drie huwelijksafkondigingen tegen de verloving van Agnes Piers en Jan Gabriels, afgesloten voor een priester in de kerk van Kwaremont.
De officiaal wees Pieters verzet af, gebood de verloofden hun huwelijk plechtig te vieren, en veroordeelde Pieter tot het betalen van een schadevergoeding aan Agnes Piers.
Dit gebeurde nabij Berghem, in het dekanaat Pamel.
Een tweede maal ontmoeten wij in Berchem de voornaam Pieter, een tweede maal in combinatie met de achternaam de Roeke of de Roque, een duidelijke bevestiging van wat we bij de "eerste" Pieter poneerden : sommige leden van de in Berchem verblijvende familie van (de) Roke gebruikten blijkbaar nog regelmatig de Picardische vorm van hun achternaam, en werden dus als de Roeke of de Roque geregistreerd.
Er is in 1452 te Doornik een testament en een goederenverdeling opgemaakt van een zekere Piettre de Rocque, gehuwd met Catherine Galois, waarbij hier dan weer de onmiskenbaar Vlaamse vorm van zijn voornaam in het oog springt.
In 1452 werd er een testament opgemaakt van Jehenne de Roque, in 1458 werd er een testament geregistreerd van Jehan de Roques en in 1462 werd er de laatste wil genoteerd van Kathérine de Roque, weduwe van Jaques Desquiens.
In de genealogische notities van F. Van den Bemden, bewaard in het handschriftencabinet van de universiteitsbibliotheek te Gent, vonden we dat uit het testament van Pietre de Rocque bleek dat hij twee broers had : Coppin (=Jacop) en sire Jehan de Rocque.
We lezen in dit fragment van het testament van Pietre de Rocque dat hij op het kerkhof van St.-Nicaise te Doornik wenste begraven te worden, zo dicht mogelijk bij het graf van zijn vader...(zie ook : de familie de Rocque in Doornik)
Misschien kunnen er nog aanwijzingen gevonden worden die de verbanden tussen deze Doornikse familie de Roque en de Gents-Berchemse familie de Roeke-de Roque-van de Roke zullen bevestigen.
In Orroir, buurgemeente van Berchem net over de taalgrens, bevond zich het patrimonium van Lisbette van galaeys.
Marie van Orroir, weduwe van Symoen Meerijns, de neef van Willemme Meerijns, was in 1426 en 1428 erfgenaam "van moeders moeders zijde" van mergriete doedekin, de kleindochter van lisbette van galaeys.
Ook Jakomaerde van galaeys en willem van der fossen waren erfgenaam van Mergriete.
Jacop van de roke was in 1412 voogd geworden over merkine doedekin, "natuerlike kinde" van Jacop Doedekin bij lisbette van den hecke.
In 1445 werd in Doornik het testament opgemaakt van Jacquemart de galais, er was daar eveneens een familie de le fosse.
Zo betaalde Willaume de le Fosse er in 1415 een rente aan het kapittel van Doornik, voor een huis waarvoor de rente voorheen werd betaald door de weduwe Rommel en haar wezen... waarover Jan van de roke sinds 1409 voogd was.
Pietre de Rocque was gehuwd met Catherine Galois, Jacop van de roke, de brouwer, was gehuwd met Willemme Meerijns.
In 1455 werd te Doornik het testament opgemaakt van Jehane Desquennes, weduwe van Jehan Hauwiel.
Kathérine de Roque was gehuwd met Jaques Desquiens, Inghelram Hauweel was een buur van brouwer Jacop van de roke in Gent.
Een zeer duidelijke aanwijzing dat de familie van de Roke (nog steeds) handelaars waren is de (zéér moeilijk leesbare) vermelding van ene Maerijn, Maerten of Maerq van Roken, menguere, in 1485.
Deze "menguere" -handelaar- Van Roken staat in de stadsrekeningen van Oudenaarde in 1485 vermeld, omdat hij "ter causen van Laureinse sBackers, zijnen wijve", als niet-poorter van de stad, de "tiende penning" -successierechten ten belope van 10%- moest betalen omdat hij 80 pond had geërfd bij het overlijden van zijn schoonvader Gheeraert de Backere.
De voornaam van deze Van Roken is quasi onleesbaar, de eerste twee letters zijn duidelijk een "m" en een "a", de "a" verbonden met een krulletje dat doorgaans "er" aanduidt ... het zou "Maerij", "Maeren" of "Mauren" kunnen zijn... was het "Meeren" (van Omer) of "Maerten", of was het misschien Maerq?
![]() |
Bij het opmaken van de staat van goed van de overleden Gheeraerdt De Backer in december 1485, was deze Laureinse sBackers gehuwd met Jacob van Robertmont...Maerq van Roken was blijkbaar overleden, en Laureinse en Maerq hadden geen kinderen.
Bij het overlijden van haar moeder Lijsbette Sturtewaghens in 1502, was Laureinse gehuwd met Jacop van den beele masure.
De namen van Robertmont en van den Beele masure zijn zeker afkomstig uit het Picardisch taalgebied, misschien wel uit Flobecq of Ellezelles, dat moet nog worden onderzocht.
Mogelijks hebben we hier te maken met een lid van de familie de le Rocque uit Ellezelles, wiens naam in Vlaanderen werd vertaald in Van Roken, een fenomeen dat zich op het einde van de 16de eeuw ook voordeed toen ene Marcus van (der) Roecke, afkomstig uit Ellezelles, zich met zijn gezin in Leiden vestigde.
(zie de familie van Roocke in Zuid-Holland).
De achternamen Sturtewaghen en De Backere kwamen we 75 jaar eerder reeds samen tegen bij de lijnwaadwever Jan van de roke, wat onmiskenbaar wijst op een verwantschap tussen de familie van de roke uit Gent, en deze menguere Maerq van Roken.
Indien deze Maerq van Roken behoorde tot de familie de le Rocque uit Ellezelles, is dit een extra bewijs van verwantschap tussen de Flobecqs-Elzeelse, Doornikse en Gents-Berchemse families de le Roke en van de roke!
In het leenboek van Jan van Gruuthuuse, heer van Berchem, uit 1501, staat geregistreerd :
"Dit es trapport van eenen leene dat Ic Arent vander Roken houdende ben In Leene ende Manscepe van edele ende moghende heere mijn heere van Grûûthuuse heere van Berchem...
Voors[eid] Leen ligt in de prochie van Berchem in den Heylbroûcke, bachten 't goed ter donckt, groot zijnde een dachwant en een half, lettel min ofte meer."
De ligging van dit leen, "in den Heylbroûcke, bachten 't goed ter donckt", is in de directe nabijheid van de woonplaats van de heer van ter donckt, aan wie Jacob vander Roken in 1464 een stuk meers verkocht.
We lezen er ook dat dit leen nadien gehouden werd door Joos van Rocken fs Arent, en dat dit leen op 23 july 1612 door Nicolaes de Stuer gekocht werd van Arent van Roken fs Geert, Joos' zone... 4 generaties van (der) Rokens op een rijtje!!
![]() |
Kwaremont en Berchem rond 1600
Arent was schepen van Berchem in 1518, 1520, 1524, 1535, 1536 en 1539.
Zijn naam werd daarbij geregistreerd als Arent vande Roken, arnout van Rocke, arent van Rockem, Arent Rocken, arent vande rocke en zelfs als arendt van rechem.
Uit een vermelding in het poortersboek van Oudenaarde leren we dat Arent vander Roken in 1533 60 jaar oud was.
Arent legde er als bekende en verwant van de familie Pijcke getuigenis af dat Jan en Gillis Pijcke wel degelijk poorters "van hoyre" van Oudenaarde waren, gezien ook hun ouders poorters van die stad waren geweest.
Deze vermelding is de stevigste aanwijzing dat Arent de zoon is van Jacob vander Roke en Jacquemijne Pijckx fa Jan en de kleinzoon van Jan van de roke en Calle Pijckx fa Gillis.
Arents zoon Joos van der Roken is rond 1550 hertrouwd met Janneke Bauwens fa Jan.
Haar zus Mandijne Bauwins was gehuwd met Jan Pijcke fs Gillis, en hun broer Jan Bauwens was gehuwd met diens zus Stevenijne Pijcke fa Gillis.
Arent vander Roken is onze oudste met 100% zekerheid gekende voorvader.
Hoewel wij sterke vermoedens hebben dat hij de zoon is van Jacob van de roke en jacquemijne pijcx, konden wij daarvan (voorlopig) nergens de expliciete vermelding vinden.
Arent van der Roken had zeker als kinderen :
X.A N. Van Roken, gehuwd met Louis van Gheesdaele, moeder van Jan van Gheesdaele.
X.B Joos van der Roken volgt onder XI
X.C Marie van Roken, gehuwd met Roegier de Temmerman
X.D Jooris van Roken zie de familie van de roke in Kerkhove
en misschien ook :
X.E Arent van der Roken
X.F Hendrik Rouken
Zoals bij de bespreking van Arent van der Roken reeds aangehaald, werd Joos van Roken houder van het familiaal leen na het overlijden van zijn vader.
Naast leenman was Joos vander Roken ook schepen te Berchem : hij wordt in die functie vermeld in de decanale verslagen uit 1569.
Net als zijn broer Joris, was Joos vander Roken, samen met zijn (tweede) echtgenote Johanna Bauwens in 1551 buitenpoorter van de stad Geraardsbergen, ten einde zijn goederen "binnen de prochie van Berchem" te beschermen tegen de feodale rechten van de lokale heer.
In de Oudenaardse baljuwrekeningen van 1571 werd geregistreerd dat Joos van Roken overleden is in Bevere, gelegen in de kasselrij van Oudenaarde.
Daar hij geen poorter of buitenpoorter van Oudenaarde was, diende bij zijn overlijden "het beste kateil" betaald te worden aan de baljuw.
Dit beste kateil was het meest waardevolle stuk uit de bezittingen van de overledene.
Oorspronkelijk werd dit bezit effectief meegenomen en bezorgd bij de lokale heer, later werd dit "beste kateil" naar waarde geschat en werd een bepaalde som betaald.
In dit geval werd Joos van Rokens koe geschat op xviij pond groten.
Joos vander Roken had als kinderen : Geraerd vander Roken, Jakob vander Roken, Baerbele vander Roken, Joosijne vander Roken, Pierijne van Roken, Antonijne van Roken en Tanne van Roken.
Geraerd vander Roken was als oudste zoon van Joos vander Roken houder van het familiaal leen gelegen "up den heylbrouck" te Berchem.
In het buitenpoortersboek van Aalst uit 1570 vinden we dat Geraerd van der Roken fs Joos was gehuwd met Marie sMeyers fa Gillis.
Zij woonden in Berchem.
In 1581 hielp Geraerd actief mee de protestants bestuurde stad Oudenaarde te verdedigen tegen de Spaanse troepen van Farnese.
Na de val van Oudenaarde werden tijdens de repressie in 1582 zijn goederen geconfisceerd.
Misschien is hij de Geraerd vander Roocke uit Berchem die we aantroffen in 1588 in Leiden... (zie de familie vander Roocke in Zuid-Holland).
Geraerd vander Roken en Marie sMeyers hadden als kinderen Arent en Margriete vander Roken.
Jacob vander Roken was de tweede zoon van Joos van der Roken en gehuwd met Joanna De Bosschere fa Jan uit Anzegem.
Jacob vander Roken en Joanna De Bosschere hadden als kinderen : Joos, Jacob, Pieter, Jaecquemijne en Otto Erasmus.
Joos en Jacob bleven in Berchem wonen, Pieter en Otto Erasmus verhuisden naar buurgemeente Melden (zie de familie Verroken in Melden).
Jacob van der Roken is de "jongste" gemeenschappelijke voorvader van alle personen die Verroken, Verhoken of Verhoeke heten.
In de generatie na hem splitst onze stamboom zich in een Berchemse tak, de nakomelingen van zijn zoon Joos -zij hebben na hun Romeins generatiegetal allen de letter B van Berchem- en een Meldense tak, de nakomelingen van zijn zoon Pieter -zij hebben na hun Romeins generatiegetal de letter M van Melden.
Joannes Verroecken was gehuwd met Josijne Balcaen.
Joannes en Josijne Balcaen hadden als kinderen : Petronella, Joannes-Baptiste, Joannes-Franciscus, Joanna-Catherina en Egidius.
Hun achternamen werden vrij consequent genoteerd als Verrocken of Verroecken.
Joannes-Franciscus Verroecken werd de stamvader van de familie Verroken in Berchem.
Zijn broer Egidius Verroecken werd de stamvader van de familie Verhoken in Berchem.
klik hier om naar het begin van dit document te gaan