~:§:~
Op deze pagina vindt u de bespreking van de belangrijkste en meest markante nakomelingen van Bartelmeeus van Roocke, de tweede zoon van Marcus vander roecke.
Alle personen die tot deze Leidse tak behoren kunt u herkennen aan de letter "L" net na het Romeins cijfer in hun generatienummer.
U vindt ze allemaal in de genealogische tabel van de Leidse tak, en u kunt hier klikken voor een schematisch overzicht van de Leidse tak van de familie van Roocke.
Op 12 oktober 1591 werd Bartelmeeus’ kerkelijke ondertrouw te Leiden met Grietge Boudewijns uit Beringen in Gelderlant opgetekend.
Bartelmeeus van Roucke was afkomstig van “Henegoue bij Ronse” en was "vergeselschapt met" Morick van der roecke, zijn vader, en Jaeckes van Roucke, zijn broer.
De getuigen van Grietge waren Proontgen van Maerlevoijs, en Caetelijna vander hage, “haer goede bekende”.
![]() |
Over de familie(naam) van Maerlevoijs vonden we volgende informatie :
Op 2 oktober 1609 hertrouwde Pieter Rijspoort, saaidrapier afkomstig uit Vainckhoven in Vlaenderen, weduwnaar van Proontgen Merlevoys met Geertgen Symons.
Ene Joos van der Roo was getuige van de bruidegom.
Op 7 augustus hertrouwde Jan Woesel, kammer en weduwnaar van Roontgen Maerlevoys, met Madaleentgen Evertsdr, weduwe van Anthonis Jansz van Hodonck.
Op 14 april 1601 was Claes Marlevoy, afkomstig van Nieukerck, vachtenploter wonend te Leiden, gehuwd met Maycken Goederis uit Memene (?).
De getuigen van de bruidegom waren zijn broeder Thomas Marlevoy en Aaron Marlevoy, zijn "cozijn".
De getuigen van de bruid waren Proontgen Blanckaerts en Proontgen Marlevoy, haar bekenden.
De achternaam van der hage van de tweede getuige verwijst dan weer naar de echtgenoot van Adriaentgen van de Roucke, Jan van der Hooge of Haege.
We vinden Bartelmeeus van Rauken op 16 september 1600 ook als getuige bij het huwelijk van ene Jan van der Hage, kleermaker uit Ronse met Maycken Verrijckx uit St.-Wynoxbergen.
Op 26 oktober 1596 waren in de Waalse kerk te Leiden Ysaac Sable uit Valencyn en Lurens Rocque, weduwe van Jan Delhey in het huwelijk getreden.
De getuigen van de bruidegom waren zijn cozijn Jaecques Verhaeghe en Remues van Roocke, zijn bekende.
De getuigen van de bruid waren Geertgen van der Houcke en Grietgen Boudewijns, haar bekenden.
Op 11 mei 1603 werd te Leiden Isaack Chabre gedoopt, zoon van Isaac en Laurence Rock.
De doopgetuigen waren onder andere Baltemier Rocq en Ilisabeth, femme de Jacque Rocq.
De gangbare manier van voornaamgeving in de Elzeels-Leidse familie de le Rocque – van Roocke verliep duidelijk volgens een klassiek stramien : de oudste zoon kreeg de voornaam van de vader van zijn vader (dit verklaart het zeer groot aantal Marcussen ), de tweede zoon kreeg de voornaam van de vader van zijn moeder, de oudste dochter had dezelfde voornaam als haar grootmoeder langs moeders zijde, waarna de volgende dochter de naam kreeg van de moeder van haar vader.
Daarna kwamen dikwijls de voornaam van moeder en vader zelf aan de beurt.
Naast deze traditie werden door de vluchtende Zuidelijke Nederlanders dikwijls namen gekozen uit het Oude Testament.
Er werd immers intensief aan bijbellectuur gedaan, en de parallel in de lotgevallen van het Oudtestamentisch Joodse volk, en hun eigen wedervaren tijdens hun vlucht was vermoedelijk niet echt ver gezocht !
Dit verklaart dan weer het voorkomen van namen als Salomon, Abraham en Isaac (en wellicht ook de “eerste keer” Marcus) bij de jongens, en Judick en Hester bij de meisjes.
Bijna in elke gezin kunnen we deze gewoonte volgen.
Het zou dan ook zeer verwonderlijk zijn, mocht “stamvader” Marcus daar als eerste mee begonnen zijn, en dit geeft geen bewijzen, maar toch sterke aanwijzingen aangaande de vader van de “oude” Marcus…waarbij we zouden kunnen veronderstellen dat die dezelfde voornaam had als één van Marcus’ zonen Jaecques of Jan …
Wanneer dan de voornaam Bartelmeeus verschijnt, kan ik mij niet van de indruk ontdoen dat dit op zijn minst een “vreemde” keuze was …
Dit wijst er volgens mij op dat vader Marcus van de Roecke zeer geschokt moet geweest zijn door de gebeurtenissen in Frankrijk gedurende de Bartholomeusnacht in 1572, toen zo’n 20000 Hugenoten werden vermoord.
Als blijvend aandenken daaraan -denk ik- heeft hij zijn rond die tijd geboren zoon Barthélémy genoemd.
N.W. Posthumus publiceerde in zijn uitzonderlijk lijvig werk de “ Bronnen tot de geschiedenis van de Leidsche Textielnijverheid” in het derde deel, over de periode 1574 – 1610, een "beschrijving van de weefgetouwen der saainering en hunne eigenaars".
In de lijst uit 1602, staat Bartelmeeus van Roocke als eigenaar van 1 middelbreed getouw.
Saai was een gladde stof, gemaakt van inlandse of goedkope Spaanse grove wol, waarbij zowel voor de ketting als de inslag kamwol werd gebruikt.
Deze stof werd voornamelijk aangewend voor bovenkleding en lichte draperie.
Deze stof is in Duitsland nu nog bekend onder de naam “Hundskutt”, een duidelijke fonetische nabootsing van Hondschoote, in de 16de eeuw één van de belangrijkste textielcentra van Vlaanderen.
Het weefgetouw stond meestal in de voorplaats van de woning, en er werd geweven vanaf het krieken van de dag tot aan zonsondergang.
Het was verboden ’s nachts bij kaarslicht te werken, wegens brandgevaar en de grotere kans op onzorgvuldigheden in het weefsel.
Dikwijls werd door de vrouwen wol gekamd of garen gesponnen in de “achterkamers”.
In 1605 woonde het gezin in de Koddesteeg te Leiden.
Bij het huwelijk te Leiden in 1602 van Jorys Bucket, weduwnaar van Tanneken van Stringen afkomstig uit Eeckelo en wonende te Haerlem, met Janneken van den Putte, weduwe van Remeeus Anyken en afkomstig van "bij Oudenaerde", was Grietgen van Roocken als bekende van de bruid haar getuige.
Zeer waarschijnlijk was Grietgen van Roocke Grietgen Bleys, Jorys Bucket was de broer of de vader van Elisabeth Buket, de vrouw van Bartelmeeus' broer Jacques van Roocke.
Op 11 oktober 1613 was Grietgen van Roocken te Leiden als bekende getuige van de bruid bij het huwelijk van Jan du Moleyn, een saaiwerker uit Noorwits in Engeland met Martha Jans uit Leiden.
Bij het overlijden van Barthelmees van Rookee op 11 november 1618 werd als zijn woonplaats “voorstad” genoteerd.
Op 1 oktober 1620 hertrouwde Grietge Bleijs, weduwe van Bartholomeus van Roocke met Michiel Put, Ronselaer, weduwnaar van Cathelijna van Bavinkhoven, drapier van beroep.
Grietge Bleijs was afkomstig uit Beverlo in Brabant.
Michiel Put was getuige voor zijn stiefzoon Marcus van Roocke bij diens huwelijk met Susanna Brants in 1628.
Marcus woonde toen “buiten de Sijlpoort”.
Op 6 februari 1637 hertrouwde Grietgen Bleys, de weduwe van Michiel Joosten, wonend te Leiden in de Voorstadt, met Cornelis Jansz, een linnenwever afkomstig uit Rijnbeck, die woonde in Warmont.
Bartelmeeus van Roocke en Grietje Bleys hadden als kinderen : Hester, Marcus en Judick, een kindje waar we de voornaam niet van kennen overleed in 1605.
Hester van Roocke was de oudste dochter van Bartelmeeus van Roocke en Grietge Boudewijns Bleys.
Bij haar huwelijk op 25 oktober 1613 te Leiden, werd Hester geassisteerd door Grietge van Roocken, haar moeder.
Haar man Johannes Danielsz Enten was raswerker en afkomstig van Colcester.
Zijn getuige was zijn vader Daniel.
Hester overleed op 6 december 1618 te Leiden, en woonde toen bij de Zijlpoort.
Jan Enten, weduwnaar van Hester van Roocke, raswerker afkomstig uit Colcester, hertrouwde op 21 februari 1619 met Susanna Meurs, de weduwe van Pieter Baheyt.
De getuige van de bruidegom was Benjamin Schilt, zijn bekende (en kersverse schoonbroer), de getuige voor de bruid was schoonmoeder Lievyne Meurs.
Raswerker Jan Ente van Colchester werd op 10 juni 1619 geregistreerd als poorter van Leiden, zaaidrapier Anthonis Meurs en Samuel Meurs stonden garant voor hem.
Susanna Meurs, weduwe van Jan Enten hertrouwde op 10 april 1625 met Andries Cornelisz Peltenburch, saaiwerker, en weduwnaar van Neeltgen Jacobsdr.
Jannetgen Entens, afkomstig uit Colchester, weduwe van Jacob Meus, huwde op 24 januari 1619 te Leiden met Benjamin Schilt uit Colchester, weduwnaar van Susanna Lorcken.
De getuige voor de bruid was schoonmoeder Lievijne Meus.
In 1613 was Magdalena Entes, afkomstig uit "Colcester Engelant" te Leiden gehuwd met Pieter van Hulst, een saaiwerker uit Middelburg in Zeeland.
De getuige van de bruid was haar zus Jannetge.
In 1597 was Ysaack Ente uit Santwyck Engelandt te Leiden gehuwd met Sara Mans.
Op 16 augustus 1603 was Abraham Ente, pasteibakker uit Santwyks Engeland te Leiden getrouwd met Jannitgen Musoers.
De getuige van de bruidegom was zijn broeder Pieter, een saaiwerker uit Santwyks Engelant.
Op 4 augustus 1604 was baaiwerker Daniel Ente, afkomstig uit Colcester Engelandt te Leiden gehuwd met Barbere Oudeys.
In 1606 was Hester Entens uit Noorwits Engelandt te Leiden gehuwd met Samuel Provost, een raswerker uit Santwijck Engelandt. Zij hertrouwde in 1625 met Pieter Ganne uit Colcester Engelant.
In Colchester, gelegen in Essex county, ten Noord-Oosten van London was in 1565 een Nederlandse protestantse vluchtelingenkerk gesticht.
De wijk waar de deels om-het-geloof gevluchte, deels op uitnodiging van de Engelse autoriteiten vrijwillig uitgeweken Zuidnederlanders woonden, heet nu nog “the Dutch quarter”, en bevindt zich in de buurt van High Street.
Dank zij de toevloed aan hoog geschoolde Vlaamse lakenwevers en andere textielwerkers, werd Colchester één van de belangrijkste Engelse textielcentra.
De doopregisters van de Vlaamse (Nederduits-gereformeerde) kerk werden gepubliceerd door W.J.C. Moens in 1905.
Ik vond er geen familie Enten, maar deze boeken nemen slechts een aanvang in 1635.
In "De dageraad van de reformatie in Vlaanderen", door Johan Decavele, vinden we meer informatie over de familie Enten :
In 1555 was de wever François Ente stedehouder van de soeverein-baljuw van het stadje Nieuwkerke in Frans-Vlaanderen, nabij Hondschoote, en in die funktie onder andere belast met de vervolging van ketters.
Hij nam op 6 november 1561 deel aan de "gevangenisbraak" te Mesen, waarbij de wegens ketterij opgesloten boekencolporteur Jan Hacke uit de gevangenis van Mesen werd bevrijd.
François Ente vluchtte naar Engeland, doch werd in 1564 nog in Armentières gesignaleerd, waar hij garen kwam kopen.
Zijn zoon François Ente, wever uit Nieuwkerke, werd op 8 augustus 1562 te Hondschoote verbannen uit Vlaanderen, en zijn goederen werden geconfisceerd.
Op dezelfde dag werden ook Jan Braem, Obrecht Bochiljoen en zijn vrouw Mayken de Vos daar tot dezelfde straf veroordeeld. (zie tak van Jaecques van Roocke).
Deze families kenden elkaar dus…
Zoon Gillis Ente, een lakenwever afkomstig uit Nieuwkerke, en ouderling van de vluchtelingenkerk van Sandwich, fungeerde als verbindingsman tussen Hondschoote en Engeland in een valsemunterszaak, die via saaihandelaar Karel Thieule ook in Gent vertakkingen had.
Hij was reeds sinds 1561 in Engeland, samen met zijn broer en zijn vader, en was er gehuwd met Jacquemijne van de Wale uit Mesen.
Tijdens een clandestien verblijf in Hondschoote in 1562 werd hij er gearresteerd, en alhoewel inquisiteur Titelmans constateerde dat hij “es ghenouch houdende die leeringhe van Calvinus”, werd hij door de Raad van Vlaanderen “slechts” voor 3 jaar uit Nieuwkerke verbannen.
Een Pieter Ente was schoolmeester in de Franse school in Sandwich in 1580.
In samenwerking met de "Friends of Historic Essex" heeft George Emmisson alle testamenten gepubliceerd die tussen 1550 en 1650 werden opgemaakt in Essex.
In zijn inleiding vermeldt de auteur dat de welgekende emigratie van vrome Vlamingen naar Colchester en Halstead bevestigd wordt in twee testamenten, die van Henry Ozell en van Charles Godscalk.
Het testament van Henry Ozell werd opgemaakt op 26 oktober 1582.
Henry Ozell schonk 10 s. aan the poor people of the Dutch (i.e. Flemish) congregation in Colchester en eenzelfde som aan de armen van de Nederlandse (Vlaamse) congregatie in Halstead.
Zijn overige goederen wees hij in drie gelijke delen toe aan zijn drie dochters Jakemynken, Gaengen en Mayken. Deze laatste duidde hij samen met haar man Christian De Frend aan als executeurs van zijn testament.
De getuigen waren Willem Vigerus, Edmond Smythe, Jan Van Rooke en Joos Myner.
Verder onderzoek naar de naam Ozell zal misschien een verband aantonen met de familie Van Roocke, die zeer duidelijke connecties had met de Engelse plaatsen Noorwits (Norwich) en Colchester waar Nederlandse vluchtelingenkerken waren.
Op 28 november 1586 huwden te Leiden ene Matheus van Reu(r)lo uit Belle (Noord-Frankrijk), wonend te Emmerick, en Catalina de Heere eveneens uit Belle.
Catharina was weduwe van N.N. Ouzeel.
De getuigen van de bruidegom waren zijn "couzijn" Willem Endt en Huybrecht van Aelst, de getuigen voor de bruid waren Tanneken en Proentgen Verstrassele.
In 1587 was Willem Ente getuige toen zijn broer Pieter Enton uit Belle te Leiden huwde met Jorijntgen Ingelvaers.
Op 13 juli 1591 was Franchois Ente uit Belle te Leiden getrouwd met Proontgen Beeckers uit Belle.
De getuigen voor de bruidegom waren zijn broeders Willem en Pieter Ente.
Judic van Roocken was de tweede dochter van Bartelmeeus van Roocke en Grietgen Boudewijns Bleys.
Judic huwde te Leiden op 31 januari 1625 met Samuel Blare.
Zij hadden als kinderen : Hester (°1625), Cornelis, Abraham (°1631), Bartholomeus, Esther (°1637) en Abraham (°1641) Blare.
De doopgetuigen van de familie Blare waren Cornelis, Mayken en Daniel Blare.
Zoon Bartholomees Blaere, ongetwijfeld genoemd naar zijn grootvader Bartolomeeus van Roocke, huwde op 16 juni 1658 te Leiden in de Nederlands Hervormde Kerk met Marya Dircxdr.
Bartholomees Blaere was saaiwerker en woonde aan de Suytsingel, zijn vader Samuel was zijn getuige.
Op 12 mei 1598 huwden te Leiden Abraham Blare, afkomstig uit "Santwits in Engelant" wonend te Delft, met Sara Joostendr.
In 1601 huwden te Leiden bezemmaker Ysaack Jansz uit Leiden met Jorijntgen van der Hage uit Ronssen, weduwe van Davidt Blaer.
De getuigen van de bruid waren Willemyntgen van de Hage, haar moeder, en Marytgen van de Hage, haar schoonzuster.
In 1602 huwde te Leiden Ysaack Blare, saaiwerker uit Noorwits in Engelant met Mayken Leupes uit Gent.
Bij de getuigen vinden we Abraham Blare, broer van de bruidegom en Mecheleijntgen Blare toekomstig schoonzuster van de bruid.
Een Mayken Blare, afkomstig uit Colchester, was gehuwd met Abraham de Blijde, en het paar had te Leiden een schare kinderen tussen 1642 en 1660.
Er werd in 1275 in de Veil Rentier van heer Jehan van Pamele-Oudenaarde reeds een Ernous Blare geregistreerd als leenhouder "devers le Castel" in Flobecq...
Marcus van Roocke was de enige zoon van Bartelmeeus van Roocke en Grietgen Bleys.
Hij werd genoemd naar zijn grootvader Marcus.
Op 14 april 1628 ondertrouwden te Leiden de saaiwerker Marcus van Roocke en Susanna Brants, beiden afkomstig uit Leyden.
Susanna woonde aan de Achtergraft en Marcus buiten de Sijlpoort.
Zijn getuigen waren Michiel Put, zijn stiefvader en Samuel Blare, zijn zwager.
Susanna werd geassisteerd met Claesgen Winters, haar moeder.
In 1606 huwde te Leiden Susanna Winters, afkomstig uit Noorwits, met Anthonis Christiaens, een saaiwerker uit Hondschoten.
Marcus en Susanna hadden 14 kinderen : Claesge van Roocke, Heindrick de Roock (°1634), Hendric van Roock (°1636), Joannes Roocke, Marcus van Roocke, Janneken van Roocke, Catelijntje van Roocke, Jacob van Rooken, Cornelia van Roocke, Abraham van Roken, Isaac van Roke (°1648), Pieter van Roke, Isaac van Roeck (°1651), Susanna van Rooken en Grietge van Rooken.
Op 14 september 1656 hertrouwde te Leiden Susanna Brant, weduwe van Marcus van Roocke met Joris Pietersz, weduwnaar van Aryaentgen Pieters.
Susanna woonde toen aan de Hoogelandsche Kerck.
Op 14 april 1668 huwden in Delft Catharina van Roocke en Joost Willemsz van Apperloo.
Joost Willemsz (van) Apperloo was kleermaker, en woonde te Vrouw Juttenland. (dit is nu nog een zijstraat van de Vlamingenstraat in Delft), Catharina woonde in Leiden.
Haar getuige bij de ondertrouw in Leiden op 4 april 1668 was haar moeder Susanna Brants.
Joost Willemsz van Apperloo werd gedoopt te Delft op 14 mei 1647 als zoon van Willem Dircxsz van Aperloo en Aeltgen Joosten van Kortrijk.
Getuigen waren Gerrit Heyndricxsz van Ratingen, Claesgen Claes van Percijn en Jakemijntgen Franse van Hurck.
Uit dopen en huwelijken van de familie van Percijn kunnen we opmaken dat Joosts moeder voluit Aeltge Joosten van Persijn heette.
Haar vader Joost Persijn werd in 1673 begraven in Delft, er werd genoteerd dat hij een “bekeerling” was.
Deze familie was blijkbaar uit de streek van Kortrijk afkomstig…(de vermelding “van Kortrijk” staat er op een vijftigtal registraties slechts éénmaal bij!)
In de notariële akten van Schiedam vinden we een Christiaen van Persijn, stadts docter, raedt ende vroetschap van Schiedam, die samen met zijn mededokters "in de medicine" Jacobus Niesenius en Jonas Muijs van Holij, mitsgaders Mr Samuel van Boshuijsen, stadts chirurgijn, op 19 oktober 1649 vaststelde dat de operatie van een hasemont bij het zoontje van Aryen Volckersz Landtman, door Mr Johannis Barentszoon Schrader, chirurgijn en operateur oud 16 jaren, met succes was geschied.
Op 31 oktober 1670 is te Leiden Catharijn Marcus van Rooke, weduwe van Joost Willems Apperlo, wonende te St Jorissteech, hertrouwd voor de Lutherse kerk met Pieter Uyrbroeck, een lakenbereider afkomstig uit "Hamburch", die woonde in de Groenesteech te Leiden.
We vonden in de Leidense DTB boeken van de Lutherse kerk de dopen van Anna Catharina in 1673, Sophia in 1679, Celia in 1682, Catrina in 1684 en Maria in 1688 kinderen van Pieter Uerenbroeck, Urebroek of Uyrebroek en Catharina van Rooke.
Fetje Uurenbroek huwde met Claas van der Sloot, Catrijn Marcus was in 1696 getuige bij het huwelijk van haar dochter Anna Catrijn met saaiwerker Jan van Swieten, ze woonde toen "aen de Hogelantsekerk" te Leiden.
In 1702 was Catarina Marcus getuige bij het huwelijk van haar dochter Celia met beusemaker Johannes van Egmont, toen woonde ze in Nieuwe Levendael te Leiden.
In 1722 was Celia Urrenbroek gehuwd met Jillis Schuddemat.
Jacob van Rooken huwde in Leiden op 22 november 1675 met Grietge Daniels.
De getuige van de bruidegom was zijn broeder Marcus, toen woonachtig in de Spilsteegh, en de getuigen voor de bruid waren haar bekende Susanna Brant uit de St.-Jorissteegh en Annetge Jans wonende in Levendael.
Grietge Daniels was weduwe van Daniell Danielsz en woonde in Nieuw Levendael.
Jacob van Roocke woonde in 1675 in de Sint-Jorissteech, en was greinwerker.
Greinwerk vindt zijn oorsprong in het Franse woord "graine", de collectieve benaming voor de eitjes van de zijdeworm.
De oorspronkelijke betekenis van greinwerk is dan ook een weefsel waarvan de grondstof afkomstig is van de zijdeworm, een soort zijde dus.
Waarschijnlijk hebben we híer te maken met een weefsel waarbij, in nabootsing van zijden stof, de ketting uit zeer zacht mohair geitenhaar bestond, en de inslag uit schapenwol.
Jacob hertrouwde op 4 mei 1690 als weduwenaar van Margrieta Karels (?) met Aeltge Verhaer, de weduwe van Cornelis de Riew.
Jacob woonde toen in Nieuw Levendael en zijn getuige was Thomas Bajeu, zijn bekende die woonde aan de Hogelandsekerk.
De getuigen van zijn vrouw Aeltge waren haar bekende Clara Vrede en Catharijna Marcus (ongetwijfeld Van Roocke) uit de Kaerdesteegh.
Aeltge had drie kinderen uit haar vorig huwelijk.
Abraham van Roken is op 9 augustus 1669 te Leiden gehuwd met Judith Heyndrix.
Abraham was verver en woonde in de Sint-Jorissteegh.
Hij werd bij zijn ondertrouw geassisteerd door Tomas Beyere, zijn zwager.
Judith Heyndrix was afkomstig uit Delff, en woonde in de Heersteech.
Haar getuige was Susanna Brant.
Het succes van Leiden als één van de belangrijkste textielcentra van Europa vanaf het eind van de 16de en gedurende de 17de eeuw, was in grote mate mede afhankelijk van de fraaie kleuren van de stoffen, de deugdelijkheid van de aangewende verfmethode en de kwaliteit van de gebruikte verfstoffen.
Het Leidse stadsbestuur vaardigde dan ook talloze regels uit die het verfproces tot in de details vastlegden : per soort weefsel werd de grootte van de verfkuipen, de soort en hoeveelheid verfstof en de duur van het verven bij wet bepaald.
De verfstoffen waren toen vanzelfsprekend allemaal afkomstig uit de natuur : blauw werd verkregen uit wede, rood uit de wortels van de meekrapplant, paars uit cochenille, geel en groen uit wouw en grijs en purper uit brazielhout.
Op 9 juli 1677 is Judick Hendricx, weduwe van Abraham van Roocke, wonende te Vestestraat, te Leiden hertrouwd met Jacob Joosten, een boratwerker die woonde te Nieuw Levendael.
Grietgen van Rooken was samen met haar zus Susanna en haar broer Jacob van Rooken in 1676 getuige bij de geboorte van Jacob, zoon van hun broer Hendrick van Roocke.
Op 17 september 1673 werd te Leiden het huwelijk geregistreerd van Jannetje Jacobs van Briemen met Anthony Philipsz van Lin, weduwnaar van Grietge Roockus.
Daar Anthony van Lin bovendien in de St.-Jorissteeg woonde, was dit waarschijnlijk de weduwnaar van één van "onze" Grietges.
Hendric werd gedoopt in de Hooglandse kerk van Leiden op 30 maart 1636.
Zijn doopgetuigen waren Hendrick de Winter, en Debora Als.
Heindrick Marcusz van Roocke ondertrouwde met Hester Heneman te Leiden op 10 juli 1658.
Heindrick was lakenwerker, en woonde toen aan de Langegraft.
Hij werd “vergeselschapt” met Joris Pietersz, zijn (stief)vader, die woonde aan de Hoochlantsche kerk.
Hester Heneman was afkomstig van Leyden en woonde aan de Zijtgraft.
Haar getuige was Cathalijne Henemans, haar moeder.
In de marge van het Leidse Trouwboek werd vermeld dat het paar den 28sten July 1658 getroud [was] in de Pieterskerk.
Hendrick van Roocke hertrouwde op 21 februari 1676 met Annetgen Pouwlaer.
Zij was weduwe van Lodewijk Pietersz, en woonde in de Spilsteech te Leyden.
Zij werd geassisteerd door haar moeder Etge Poulaers.
De getuige van Hendrick was Marcus van Roocke, zijn broeder.
In de Leidse pilgrim-archieven vinden we een verdeling van de inboedel na het overlijden van Maertghe Jansdr Moyses, bij leven weduwe van ene Pieter van Dijck.
Deze inventaris van het sterfhuis is opgemaakt op 20 februari 1676, 1 dag vóór het huwelijk van Hendrick en Annetge !
Bij de onroerende activa werd een onbewoond huis vermeld, in de Engelse Poort in de Verwerstraat, belend aan Jan Perkyn en Jan Pouwlaer.
Op 24 februari 1676 werden door de weeskamer van Leiden voogden aangesteld voor de minderjarige weeskinderen in het gezin van Heindrick en Anna.
Anna Paulaer had uit haar huwelijk met Lodewijk Pietersz Heijnaer twee kindjes “gewonnen” : Sophia oudt 3,5 jaar en Anna 2 jaren, “oft ijder daer omtrent”.
Als voogden werden aangesteld : Daniel Paulaer, saaijwerker, grootvader, en Thomas Pietersz Heijnaer, oom.
Marcus van Rooke, saeijwerker, en Arent Wiel (Winter?), baeijwerker, "beyde oomen" werden “voogden gestelt over Marcus oudt 17, Catalijne oudt 15, Hester oudt 12 jaren, "ofte ijder daer omtrent", nagelate weeskinderen van za:[liger] Hester Heneman, gewonnen bij Henric van Rocke”.
![]() |
Op 26 juli 1681 hertrouwde Anna Poulaer te Leiden als weduwe van Hendrick van Roocke met saaiwerker Johannes Christiaens Hollebeeck, afkomstig uit Reynsburgh.
Beiden woonden in de Cingelstraet te Leiden.
De getuigen van de bruid waren Susanna en Adriaentge Poulaer.
Hendrick van Roocke en Hester Heneman hadden als kinderen : Marcus, Catharina, Susanna, Hester en Hendrik van Roocke.
Hendrick van Roocke had in zijn tweede huwelijk met Annetgen Poulaer een zoon Jacob van Roocke.
Catharina van Roocke ondertrouwde in Leiden op 1 oktober 1688 met Daniel Thomasz Schaft, een lakenwerker die woonde aan de Langegraft.
Hij werd “vergeselschapt” met Jan Hendrix Heijmen, zijn broeder.
Catharina woonde in de Wielmakerstraat en werd geassisteerd door haar schoonzus Maria Cateau.
Daniël Schaft en Catharina van Roocke hadden als kinderen : Hester, Thomas, Hendrik, Daniel en Pieternelletje.
Bij de doop van Hester Schaft te Leiden op 8 februari 1689, waren de doopgetuigen Jan Henrick en Claasje Roocke.
De doopgetuigen bij de doop van Thomas Schaft, in Leiden op 1 november 1690, waren Marcus van Roocken en Anna Poulaer.
Daniel Danielsz Schaft huwde in 1716 te Leiden met Elsje Jacobs.
Zij zijn de rechtstreekse voorouders van Danny van den Bos.
De naam van de moeder van de dopelingen werd genoteerd als Catharina Roocke, Katharina van Hoecke en zelfs als Katarina van Roose.
Wellicht overleed Catharina van Roocke ten gevolge van complicaties bij de geboorte van dochtertje Pieternelle.
Daniel Thomasz Schaft hertrouwde reeds op 22 november 1698 te Leiden met Barbara Urm.
Barbara Errem had uit een vorig huwelijk met ene Jan Hendricksz een toen 14-jarige zoon Hendrik.
Op 24 november 1698 werden Markus van Rooke, greinwerker, en Jan Hendricksz Heijmen, deekenwerker, door de weeskamer van Leiden aangesteld als voogden over “Thomas, out 9, Hendrick, 7, Daniel out 3 jaren oft ijder daar omtrent, naargelate kinderen van Catharina van Roocke gewonnen bij Daniel Schaeft".
Uit deze acte blijkt dus dat ook het oudste dochtertje Hester en het jongste dochtertje Pieternelletje op 24 november 1698 reeds waren overleden.
Jacob was een zoon uit het tweede huwelijk van Hendrick, met Annetge Poulaer.
De getuigen bij zijn doop waren zijn oom Jacob en tantes Susanna en Grietgen van Rooken.
Marcus van Roocke ondertrouwde te Leiden in de Waalse kerk op 25 april 1682 met Marija Catjou, weduwe van Joshua de Witte.
Haar getuigen waren Barber Backelo, haar schoonzuster, en Jannetje Jans, haar schoonmoeder.Marcus van Roocke was getuige bij het huwelijk van zijn zus Katrijn met Daniel Schaft in 1688.
Marcus en Maria Catjou hadden als kinderen : Hester (°1683), Abraham (°1684), Esther (°1686) en Abraham (°1688)
Esther werd gedoopt in de Loodskerk te Leiden op 25 augustus 1686 als dochter van Marcus van Rooken en Maria Ducatiou.
De doopgetuigen waren Anna Poulaer en Johannes Hollebeke.
Esther en Abraham Isaac Schuddemat ondertrouwden te Leiden op 14 september 1709, de getuigen waren haar moeder Maria Jacobs en zijn vader Isaak Schuddemat.
Abraham Schuddemat was de zoon van Isaac Gillisz Schuddemat en Beatrix Krasseweel.
De familie Schuddemat uit Leiden zijn afstammelingen van stamvader Adriaen Schuddemat, geboren in 1577 in Ronse.
Abraham Schuddemat en Esther Van Roocke hadden drie kinderen : Markus, Isaak en Isaak Schuddemat.
Esther van Roocke hertrouwde te Leiden op 8 december 1725 als weduwe van Abraham Schuddemat met Jacobus Duyven.
~:§:~
IV.L2 Marcus Marcusz van Roocke (°1640)
Marcus werd gedoopt in de Hooglandse kerk te Leiden op 22 januari 1640.
Zijn peter was Hendrik de Winter.
Hij huwde op 22 februari 1664 met Annetje Jans.
Marcus Marcusz van Roocke woonde toen aan de Middelste graft, en was lakenwerker.
Zijn getuige was Joris Pietersz, zijn "behouden vader", die in de Sint-Jorissteech woonde.
Annetje Jans woonde in de Coppelingssteech en werd “vergeselschapt” met haar moeder Magdaleentje Claes, die woonde in de Loyerstraat.
Marcus Marcusz en Annetje Jans hadden als kinderen : Marcus (°1664), Johannes, Lucas, Maghdaleentje, Loijdianus, Markus (°1674) en Annetje.
Paul Lepelaar signaleerde ons dat in jaargang 1971 van het Tijdschrift Rijnland, het tijdschrift voor sociale genealogie en streekgeschiedenis voor Leiden en omstreken, C.W. Delforterie het inneemboek van het Heilige Geesthuis -of weeshuis- te Leiden voor de periode 1668 - 1680 heeft gepubliceerd.
Op folio 79 van dit inneemboek kan men lezen dat op verzoek van Jacob van Roocken, zijnde oom, volgende kinderen werden ingenomen op 29 december 1678 : Maddeleentje, 8 jaar, Lioen 6 jaar en Annetje 10 weken oud, kinderen van Markus van Roocken en Annetje Jans, beiden van Leiden en aldaar overleden.
We kunnen door deze vermelding het overlijden van Markus plaatsen tussen januari en december 1678, en dat van zijn vrouw Annetje Jans tussen midden oktober en eind december.
Wellicht is zij overleden ten gevolge van de bevalling.
Het feit dat Johannes, Lucas en Markus niet werden ingenomen in het weeshuis, wijst er op dat Markus vóór 1678 was overleden... Johannes en Lucas waren, indien ze niet overleden zijn als kind, toen 12 en 11 jaar oud, en waren misschien opgenomen en aan het werk gezet door oom Jacob.
Hier werd de familienaam van Roken geherinterpreteerd als het patroniem Rookus.
Ook hier een geherinterpreteerde versie van de naam.
Er werd nog niet onderzocht of er personen zijn die Rockens heten die van deze Lucas afstammen.
De kans is echter zeer klein, daar Lucas vermoedelijk is overleden vóór 1678.
Toch bestaat er in de U.S.A. een familie die ... Van Rockens heet!
Op 24 april 1700 ging Jacobus Van Dalen, weduwnaar van Gooltge de Hont en wonend in de Kijfhoek te Leiden in ondertrouw met Maddelena Rokus, eveneens wonend in de Kijfhoek.
De getuigen waren voor de bruidegom zijn zwager Isaacq de Rucheau en voor de bruid Maria Bastiaens.
Jacobus had reeds kinderen uit zijn eerste huwelijk.
Net als bij haar broer Johannes werd Magdalena's achternaam hier geherinterpreteerd als Rokus.
In een acte voor de Leidse weesmeesters van 19 mei 1717 werden Pieter Du Sart, meester-kammer, oom, en Marcus van Rooken, greijnwerker, "neeff", aangesteld als voogden over Francijntje, “oud agt en een halff jaren off daeromtrent, nagelate minderjarige dogter van Magdaleentje van Rooken, gewonnen bij Jacobus van Dalen”.
Jacob was kettingspinner en woonde in 1717 op de vest bij de Doelsteeg te Leiden.
V.L2 Loijdianus van Rooken (°1672)
~:§:~
De latere generaties afstammelingen van Bartelmeeus van Roocke treffen we vermoedelijk aan in Noord-Brabant.
In de lijsten van de uit Leiden vertrekkende lidmaten staat vermeld dat ene Marcus van Rooken op 11 juni 1672 Leiden heeft verlaten en vertrokken is naar Heusden.
Waarschijnlijk betreft het hier Marcus Marcusz van Rooken, n° IV.L2.
We bespreken onze vondsten in de Brabantse archieven op de pagina over de familie van Roocke in Brabant.