~:§:~
Op deze pagina vindt u de bespreking van de belangrijkste en meest markante nakomelingen van Jaecques vander roecke, de oudste zoon van Marcus vander roecke.
Alle personen die tot deze Delftse tak behoren kunt u herkennen aan de letter "D" net na het Romeins cijfer in hun generatienummer.
U vindt ze allemaal in de genealogische tabel van de Delftse tak, en u kunt hier klikken voor een schematisch overzicht van de Delftse tak van de familie van Roocke.
~:§:~
II.D Jaecques vander roecke = Jaecques van Roocke
De vroegste vermelding in Leiden van deze tak van de familie is de kerkelijke ondertrouw op 8 december 1590 van Jaecques vander roecke, afkomstig van "Elsylle bij Ronse", met Lijsbeth Buket uit Eekloo.
Jaecques werd "vergeselschapt met" Marcus vander roecke, zijn vader.
De getuigen voor Lijsbeth waren Tanneken Hubrechts, haar nicht, en Mayken Hallaets, "haer bekende".
![]() |
In de 17de eeuw verbleef de familie Buket in Delft : daar overleed in 1660 Steve Buket, Maria Buket huwde er in 1682 met Ottho van Gulde, en Annetje Buket overleed er in 1686. De meeste kleinkinderen van Jaecques van Roocke en Elijsabeth Buket werden in Delft geboren.
Over de uitspraak van deze achternaam vond ik de volgende aanwijzing : in 1683 werd in Delft Aeltje gedoopt, dochtertje van Jannetje Gillis en Jan Bukee.
Waaruit we dus kunnen besluiten dat ook déze familie de Franse uitspraak "Bouquet" verkoos boven het Engelse "Bucket"...
Op het einde van de 16de eeuw was de familie Buket aanwezig in de Nederduitse vluchtelingengemeenschap in London : in de acta van het consistorie van de Nederlandse gemeente te Londen lezen we dat "sondaechs 10en junii" het "huwelickaccorde tusschen Balthasar Danckaert, van Thielt, lidtmaet van de kercke van Medtston, ende Loyse Bucket, weduwe van Adriaen Waute, van Eecloo" werd geregistreerd.
In de ledenlijst der Nederlandse gemeente te Londen van september 1574 treffen we ook Jacques Bucquet aan.
Den 24sten martii 1575 verklaarde ouderling D. Cubus dat het "em kennelick" was dat Mayken Buket en Christian Boeien elkaar huwelijksgeloften hadden gedaan en dat zij "affgetrocken sijn na Vlanderen om de verwillinge hören oldern te hebben".
Balthen Danckartsz, zwager van Mayken, verklaarde dat de toestemming van hun ouders was verkregen.
Nadat de aanstaanden drie weken in Vlaanderen hadden doorgebracht bij hun "oldern", vroeg Christian Boeye echter aan de consistorie om van zijn huwelijksbelofte aan Mayken te worden ontslagen, daar haar moeder niet verwilliget.
...en hoewel vader Buket in Vlaanderen had gezegd dat hij verwilligde, gaf hij in een brief naar London tóch geen toestemming voor dit huwelijk.
In de lijsten van de belastingplichtigen opgenomen in de vijfde penning van Eeklo, geheven in 1580, vinden we Pieter, Lucas, Sacharias en Jacob Buquet of Bucket als eigenaar van gronden, evenals de weduwe van Michiel Bucket, die aan Tobias Buket een grond verpacht.
Zoals hoger reeds vermeld was Elijsabeth Buket in 1592 getuige bij het huwelijk van Adriaentgen vande roucke, haar schoonzus.
Bij het huwelijk te Leiden in 1602 van Jorys Bucket, weduwnaar van Tanneken van Stringen afkomstig uit Eeckelo en wonende te Haerlem, met Janneken van den Putte, weduwe van Remeeus Anyken en afkomstig van "bij Oudenaerde", was Grietgen van Roocken als bekende van de bruid haar getuige.
Zeer waarschijnlijk was Grietgen van Roocke Grietgen Bleys, de vrouw van Jaecques broer Bartholomeeus van Roocke.
Anneken van Roocke en Lysbeth van Roocke waren op 7 augustus 1614 te Leiden als bekenden van de bruid getuige bij het huwelijk van Hester Moreels uit Noorwits in Engeland met Willem van den Broucke, weduwnaar van Maertyntgen van Wingen, een kettingscheerder uit Ronse.
Op 5 september 1615 was Lijsbeth Jorys als bekende van de bruid getuige bij het huwelijk tussen Willem Wert, een wolkammer uit "Cantelberch Engelant", weduwnaar van Judick Labijt, met Hester Moreels uit "Noorwits Engelant", weduwe van Willem van der Broucke.
De huisvrouw van Jacob van Rooken overleed in Leiden op 17 april 1623, en het gezin woonde toen aan de Uyterste graft. Ongetwijfeld woonden ze op de stadsgrens; in de uit zijn voegen barstende stad Leiden was de binnenstad reeds overbevolkt, en was er voor de inwijkelingen slechts plaats in de uitbreidingsgebieden.
Op 4 september 1625 hertrouwde Jaecques van Roocke, schoolmeester, weduwenaar van Lijsbeth Jorisdr, met Mayken Ameels, de weduwe van Jasper Tavernier.
In het boek "Bannelingen en vluchtelingen uit Ronse" van J. Bekouw vinden we op 15 april 1595 de vermelding van de kerkelijke ondertrouw te Leiden van Jasper Tavernier, jonge man van Ronse en Mayke Amelis, jonge dochter van Ronse.
Jasper was "vergeselschapt met" zijn broer Jacques, en Mayken haar getuigen waren Woubeken, weduwe van Mees Amelis, haar moeder, en Magdalena van Heijs van Ronse.
Via het boek "Leidens weg op" van J. Desreumaux, vonden we de inschrijving van Jasper Tavernier in het tweede Leidse poortersboek op f° 176 v° :
"Jasper Tavernier, cleermaecker van Ronschen es opte getuychnisse van Gillis Amelis uit Ronse, saeytrapier, tot poorter dezer stede ontfangen ende es de voornomde Gillis Amelis voor de voorn. poorter borge geworden, actum den 20e decembris 1602 voor schepenen."
Dank zij de fantastische hulp van Jouke De Vries kennen we drie kinderen van Jasper Tavernier en Maijke Amelis.
Jasper was op 20 oktober 1624 te Leiden getuige bij de doop van Joannes, zoontje van Jan Tavernier en Marijtje Vervale.
Bij het huwelijk van Daniel Tavernier en Lijsbeth Cornelisse was Maijke Amelis getuige.
Bij de doop van hun zoontje Daniel op 14 april 1639, was Maartje Jaspers getuige.
We kunnen dus besluiten dat Maijke Amelis nog niet lang weduwe was toen ze in 1625 hertrouwde met schoolmeester Jaecques van Roocke, en dat haar oudste zoon Jan reeds gehuwd was.
Haar jongere kinderen Daniel en Maartje werden in het gezin van Jaecques opgenomen, en Maijke zorgde ook voor de kinderen uit Jaecques' eerste huwelijk.
In de periode van de 14de tot 17de eeuw waren deze samengestelde gezinnen eerder regel dan uitzondering.
Eén van de idealen van de reformatie was de bijbellectuur.
Dit impliceerde dan ook een sterke interesse in een goed ontwikkeld onderwijs, waar men zoveel mogelijk lidmaten leerde lezen.
Het percentage geletterde personen lag in de Republiek dan ook merkelijk hoger dan in andere streken in Europa.
Er waren verschillende schooltypes :
![]() |
Deze privéscholen werden meestal gerund door een schoolmeester en zijn vrouw.
Alle leerlingen van alle leeftijden bevonden zich in eenzelfde lokaal, en de oudere kinderen onderwezen de jongere.
De lessen door de schoolmeester vonden plaats aan de lessenaar in kleine groepjes.
Er was geen subsidie van de gereformeerde kerk of het stadsbestuur, de bijdrage van de ouders vormde het inkomen van de schoolmeester.
Doorgaans gold de regel : hoe minder kinderen, hoe duurder de bijdrage van de ouders.
Volgens Kees Kalderbach stond het beroep van schoolmeester in Zuid-Holland niet hoog aangeschreven (duidelijk in tegenstelling met het aanzien dat een schoolmeester in Vlaanderen genoot).
Gezien Jaecques van Roocke geboren was in Ellezelles, mogen we ongetwijfeld veronderstellen dat hij zowel Frans als Nederlands sprak, en durven we dan ook vermoeden dat Jaecques en zijn tweede vrouw een privéschool hadden.
In Marijke Spies' boek over "des mensen op- en nedergang, literatuur en leven in de Noordelijke Nederlanden in de 17de eeuw" vonden we een lijst met regeltjes die schoolmeester Valcoogh (!) in 1591 opstelde :
die zijn muts niet afneemt voor een man van ere,
en die daar lopen krijsen, vloeken en zweren,
die wild en onzedig lopen langs de straten
die spelen om geld, boeken of leugenen praten
die der lui eenden stenen smijten en beesten jagen,
die niet en doen wat de anderen behagen
Die met messen pochen, in 't haer plokken
die in't veld lopen, door 't hooi springen met stokken
die buiten meesters of ouders raad thuis blieven
die geld, boeken, pennen of papier nemen als dieven
die naakt baden, of in erwten of wortelen lopen
die in de kerk rabouwen of snobberij kopen,
die zijn benedictie niet over tafel en lezen
noch 's morgens noch 's avonds niet bidt geprezen,
die 't boek scheurt of verabbelt zijn papier
die elkander geven toenamen hier
die zijn eten werpt voor katten en honden
die niet willen weergeven wat zij in school vonden
die in d'anders eten spuwt, of op zijn eten treedt,
die uit de school klapt, en niet heeft 't secreet
die speeksel uit de neus of mond
met de voeten niet uit en treden terstond
die op de wallen lopen als men gaat naar huis
die malkanderen bewerpen met snot, vlooien en luis
die niet zedig lopen naar de kerk of daarvan,
die elkander smijten stukken, korf of kan,
wat scholiers deze voorseide punten niet onderhouden,
zullen twee plakken hebben of zich mlet de roede klauwen
Van Jacob van Roocke en zijn eerste vrouw, Lijsbeth Buket vonden we volgende kinderen : Salomon, Marcus, Jacob, Barsaba, Geertien en Maijcken.
Twee andere kinderen stierven jong.
Salomon van Roocque huwde op 21 juni 1613 te Leiden met Annetgen Corssen
uit “Ranslaer, in het Sticht van Munster”.
Zijn getuige was zijn vader Jacques Marcusz van Roocque, en Salomon was van beroep schrijnwerker.
Annetgen werd geassisteerd door Tanneken Claes, haar bekende.
Salomon Jacobsz was peter van Salomon Marcusz, de zoon van zijn broer Marcus Jacobsz en Judick Jans die in 1639 gedoopt werd te Delft.
Zéér in het oog springend is de “franse” schrijfwijze Roocque, een extra aanwijzing dat de achternaam van deze familie oorspronkelijk de le Rocque was.
In de "Blaffaert ende morgenbouck van alle de landen ende gronden gelegen inden Ambachte van Warmont, Begrijpende de namen vande jegenwoordige eijgenaers ende bruijckers der selver, mitsgaders de groote der morgentalen daer mede ijder een inde ongelden mitsgaders redres vande verpondingen voor den lopende jare xvj.C xLv moet contribueren"
vinden we Salomon Jacobsz Van Roocken geregistreerd als in 1640 huidige betaler voor "Willempge Segeren eijgen haer erve gecomen vuijttet croffgen van Bontetas".
In de Warmondse morgenboeken van 1644 en 1648 staat Salomon Jacobsz Van Roocken nog steeds genoteerd als eigenaar van dit zelfde erf, loco (in de plaats van) Willempgen Segeren.
Salomon betaalde eveneens een belasting voor "noch eijgen gecomen uijtte hofstede van Hendrick Huijgen".
Morgenboeken geven een overzicht van de landeigenaren en het aantal morgens (in Rijnland 0,86 hectare) land dat ze bezaten.
Ze werden gebruikt voor het bepalen van waterschapsbelastingen, die namelijk werden omgeslagen naar het aantal morgens dat de aangeslagene bezat.
De principale versie werd beheerd door het ambacht, waar met doorhalingen en bijschrijvingen opeenvolgende eigenaren bijgehouden werden.
Zodra dit te rommelig werd, werd een nieuwe versie gemaakt.
Formeel moest om de vier jaar een afschrift aan het hoogheemraadschap overgedragen worden, wat echter in de praktijk niet altijd gebeurd lijkt te zijn.
Salomon Jacobsz van Roques, weduwenaar van Annetgen Korsen is te Warmond hertrouwd met Aeltge Gerrits van Egmont, en had met haar als kinderen : Jacob Salomonsz (°1624), Jacob Salomonsz (°1626), Annetge Salomons, Joris Salomons, Neeltge Salomons en Jacob van Roocken(°1637).
Op de pagina met de genealogische tabel van tak D1 vindt u een overzicht van de nazaten van Salomon Jacobsz van Roocque, u vindt ze ook terug in het gezinsschema van de Delftse tak.
De getuigen bij de doop van Jacob, de jongste zoon van Salomon Jacobsz van Roques en Aeltge Gerrits van Egmont waren Cornelis Schenaert, Cornelis Jansz Boon en Martge Jans.
Via genea Rijnland kwamen we in contact met de bestanden van P.W.C. van Kessel.
In de trouwboeken van Warmond van 1645 tot 1681 is te vinden dat op 25 mei 1670 Jacob van Roocke, jongeman van Warmont, trouwde met Geertruit van Paats, jonge dochter van Uytrecht, mede tot Warmont wonende.
![]() |
In de notariële akten van notaris A. Houtman, gevestigd in Utrecht is het testament van Jannichgen Anthonis van de Oort, daterend van 11 december 1675 opgenomen.
Zij was gehuwd met Hendrick van Paets, muntgesell, wonende te Utrecht.
Als tweede partij was opgenomen : Geertruyt van Paets, gehuwd met Jacobus van Roocken wonende te Leyden.
Op 25 juni 1678 werd voor notaris W. Zwaerdecroon te Utrecht door Jacob van Roocken, gehuwd met Geertruyd van de Paets, timmerman wonende te Leyden, afstand gedaan van de nalatenschap van Janneken van Oort, in leven echtgenote van Henrick van Paets, ten voordele van Anthoni Goetkoop, echtgenoot van Elisabeth van Oort, enige dochter van Anthony van Oort. Daarbij werd verwezen naar het testament opgemaakt in 1675 voor notaris A. Houtman.
Jacob van Roocken werd in dit document vermeld als “burger binnen Leyden”, en was dus zeer waarschijnlijk poorter van deze stad.
Geertruijs vader, Hendrick Henricks Paets is op 22 oktober 1648 voor de kerk getrouwd met Dirckgen Roelen van Goudtoever, begraven in de Nicolaikerk te Utrecht op 28 maart 1670, dochter van Roelof Erasmus Goudtoever en Geertgen Adriaens.
Hij hertrouwde in de Jacobikerk te Utrecht op 22 april 1675 met Jannichgen Anthonis van der Oort, begraven in de Buurkerk op 3 januari 1676.
Hij trouwde een derde maal, in de Jacobikerk op 15 augustus 1678 met Cornelia Jansdr Quint, overleden op 14 november 1726, begraven in de Buurkerk op 25 november.
Op de website van Jan Jaap Luijt vonden we volgende informatie over de Utrechtse Munt :
Aan de Provinciale Utrechtse Munt waren verschillende werknemers verbonden.
De belangrijkste persoon binnen de Munt was de muntmeester.
Zijn werkzaamheden werden gecontroleerd door de essayeur en de waardijn.
Het andere personeel aan de Munt bestond uit stempelsnijders, muntgezellen en niet-beëdigde werknemers zoals smelters, knechten en dagloners.
De muntgezellen en hun personeel verrichten de muntslag.
De productie van munten bestond voor het grootste gedeelte uit zware lichamelijke arbeid.
Iedere munter kreeg bij het begin van een werkdag van de muntmeester het goud en zilver waaruit hij de munten moest maken.
De muntmeester hield precies bij hoeveel iedere werkman kreeg, zodat er niets achtergehouden kon worden.
De muntstempels kregen de munters van de waardijn.
De oudste muntgezel droeg de titel smidmeester en gaf leiding aan de overige muntgezellen.
De jongste muntgezel ging op hoogtijdagen gekleed in een veelkleurig ambtskostuum dat versierd was met bellen.
In sommige steden, onder andere te Dordrecht en Antwerpen, waren de muntgezellen verenigd in het serment van munters.
Het serment vertegenwoordigde de belangen van de muntgezellen en had vergelijkbare rechten als de gilden.
Binnen Utrecht heeft een dergelijk serment aan de provinciale Munt nooit bestaan.
Waarschijnlijk ontbrak in Utrecht de historische basis voor de totstandkoming van een serment en was ook het aantal muntgezellen hiervoor te klein.
Het aantal muntgezellen was niet constant en ook de definitie muntgezel varieerde in de tijd.
In 1617 waren er zestien muntgezellen aan de Munt werkzaam, terwijl er in het instructieboek in de periode van 1706 tot 1740 slechts vier tot acht tekenden.
In de tweede helft van de achttiende eeuw nam het aantal muntgezellen toe en lag hun aantal tussen de negen en dertien.
Pas in het begin van de negentiende eeuw nam het aantal muntgezellen verder toe.
Op 2 april 1687 werd er voor notaris A. Houtman, residerend te Utrecht, een akkoord gesloten over de nalatenschap van Henrick van Paets, Dirckgen van Goutoever en Jannichgen van Oort tussen Cornelia Quint, weduwe van Hendrick van Paets en Jacob van Roocken, wonende te Nieuwcoop en gehuwd met Geertruyt van Paets, dochter by de overleden Dirckgen van Goutoever.
We vinden er de handtekening van Jacob en Gertruij :
![]() |
Paul Lepelaar meldde ons dat in de "Legger op het gemaal in het lager kwartier Rijnland", opgesteld ca. 1680, in het ambacht Nieuwkoop en Noorden, bij de klasse der arbeiders en onvermogenden Jacob van Roocken staat geregistreerd.
Zijn gezin bestond toen uit 2,5 personen.
Jacob van Roocken en Geertruij van Paets hadden samen zeker een zoon Dirk.
Vermoedelijk was Salomon van Roocken, die eveneens voorkomt in de Utrechtse oude notariële archieven, en wiens kinderen ook in Warmond geboren werden de (oudste)
zoon van Jacob, die dan genoemd werd naar diens vader Salomon van Roocque.
Voorlopig hebben we daarvan het bewijs niet “zwart op wit”, daarom staat het persoonlijk nummer van deze Salomon (voorlopig) cursief.
In een akte van 12 augustus 1710, verleden voor notaris H. Van Hees uit Utrecht, werd door Johan van Maurick, coopman van yserwaren te Utrecht, volmacht verleend aan procureur Jan Veldhuysen uit Hoorn, om een vordering te innen by Salomon van Roocken.
Aangezien Salomon nog iets moest betalen aan een “coopman van yserwaren” was hij waarschijnlijk net als zijn vermoedelijke vader en grootvader timmerman of schrijnwerker.
Cornelis van Boshuijsen, zoon van Jacop van Boshuijsen van wie Marcus Jacobsz van Roocken een huis kocht in 1670, was gehuwd met Neeltje Anthonisdr van Mourick.
Salomon was gehuwd met Sara Schuijlenburg en had twee dochters : Jacoba en Hester van Roocke.
Hester van Roocke huwde op 29 april 1718 met Cornelis van der Hoeven, de getuigen waren zijn bekende Reijnier Kock en haar moeder Sara Schuijlenburg.
Hester en Cornelis hadden als kinderen : Cornelia (°1724), Salomon (°1727), Cornelis (°1729), Sara (°1733), Sara (°1734), Catrina (°1736) en Salomon van der Hoeven (°1739).
Hester van Roocke overleed te Leiden op 20 oktober 1764.
Op 26 januari 1719 verleende Bartholomeus Quint, bakker te Utrecht en gehuwd met Adriana van Paets, volmacht aan Dirk van Roken uit Nikoop, om in Nieuwkoop goederen in ontvangst te nemen, hem nagelaten door Lysbet van Paets, zuster van Adriana van Paets, in leven gehuwd met Carel van Hoven.
Deze acte bevindt zich in het archief van notaris P. Van Liender uit Utrecht.
In de gegevens van The Church of the Latter-day Saints wordt deze Dirk van Rocke vermeld, die in 1708 te Nieuwkoop, Zuid-Holland trouwde met Marija de Lange.
In een andere vermelding over hetzelfde huwelijk staat hij genoteerd als Dirk van Rooke, zoon van Jacop van Rooke.
Maria was de dochter van Salomon de Lange, die met zijn gezin in Gouda woonde.
Frans Angevaare vond dat Dirk Jacobsz van Roocken in Nieuwkoop minstens drie kinderen liet dopen : Maria, Jacob (°1710) en Jacobus (°1719).
~:§:~
Marcus ondertrouwde te Leiden met Judith Braems op 6 juli 1627.
Hij woonde toen op de Middelstegraft, en was stoofmaker van beroep.
Zijn getuige was Jacques Marcusz van Roocke, zijn vader.
Judith Braems, afkomstig uit Leiden was weduwe van Marcus Druwe en werd geassisteerd door Judith Bocheljoens, haar moeder.
Judick Brems was eerder te Leiden getrouwd met Marcus Druijve, een saaiwerker, op 23 juli 1627.
Judick werd er geregistreerd als afkomstig uit "Noorwits in Engelant".
Bij de geboorte van de meeste kinderen werd Judith opgetekend als Judith Jans, zij was dus de dochter van ene Jan Braems.
In 1562 werd Obrecht Bochillon, landbouwer uit Loker, zoon van Mahieu, wegens heresie uit Vlaanderen verbannen en werden zijn goederen geconfisceerd.
Op 8 augustus 1562 werden zijn vrouw Mayken de Vos en Jan Braems, beiden uit Hondschoote, verbannen en hun goederen geconfisceerd.
De kans lijkt mij uitzonderlijk groot dat dit drietal grootouders van Judith Braems waren.
Op 25 december 1653 hertrouwde Marcus Jacobsz van Roocke , weduwenaar, te Delft met Marijtgen Cornelis van Hooghenhuijsen, weduwe van Aerijen Gerritsz Vermeulen.
Marcus was nog steeds stoofmaker en woonde in de gasthuyslaen te Delft.
![]() |
Adriaen Gerritszn Vermeulen en Maria Cornelis waren gehuwd in Delft op 15 augustus 1627.
In 1634 en 1640 deed Arien Gerritsz Vermeulen er aangifte van het overlijden van een kind.
Hijzelf overleed op 22 februari 1653.
Je krijgt een prachtig idee over hoe de stad Delft er rond 1660 uitzag, dank zij het schilderij “zicht op Delft” van Johannes Vermeer, de beroemde schilder met Vlaamse voorouders die om-het-geloof naar de noordelijke Nederlanden waren gevlucht.
![]() |
Het kan nog spectaculairder : op url http://www2.io.tudelft/id-studiolab/vermeer kan je een virtuele vlucht over en door de verschillende poorten van Delft maken, waarbij de panorama’s gebaseerd zijn op 17deeeuwse tekeningen en schetsen van Vermeer en Joshua De Grave.
Op url http://www.xs4all.nl/~kalden/verm/walk/3D_walkNL.htm van ds. Kees Kaldenbach vindt u meer informatie over de ontwikkeling van deze verbazingwekkende virtuele beelden en vindt u hulp en aanwijzingen bij eventuele technische problemen bij het bekijken van de filmpjes.
Wie de sfeer van het 17de eeuwse Delft wil proeven, kunnen wij ten stelligste de film the girl with a pearl earring aanbevelen!
U kunt hier klikken om een preview van deze werkelijk adembenemend mooie film van Peter Webber te bekijken. (of werp eens een blik op you tube).
Deze preview verhuist echter regelmatig van plaats op het web, en het vraagt soms wat zoekwerk, in de meeste videotheken vindt u deze adembenemend mooie film wel in de rekken.
Op 22 februari 1654 werd in Delft Jannetje gedoopt, dochtertje van Joris Andriesz en Hester Jans.
De doopgetuigen waren Marcus Rooken, Jannetje Jans en Martijntje Aryens.
Wellicht werd Marcus hier peter van de dochter van zijn vrouw Judiths zus Hester Jans.
Marcus achternaam Rooken werd geregistreerd zonder voorzetsel, een fenomeen dat we sporadisch ook bij andere verwanten ontmoeten.
Op 11 april 1655 werd in Delft Hester gedoopt, dochtertje van Johannes Marcus Druijf en Catarina Pellegroms.
Getuigen waren Marcus van Roek, Hilletje Pellegroms en Annetje Cornelis.
Johannes Marcus de Ruijff en Catarijna Pelgroms van Nieukerck waren gehuwd te Delft op 22 november 1643.
Deze Johannes was een zoon uit het eerste huwelijk van Judith Braems, met Marcus Druwe, waarbij de namen Druijf en De Ruijf variaties zijn op de naam Druwe en De Rieuw, mogelijks allemaal fonetische verbasteringen van Durieu.
(In 1532 overleden in Doornik Denis de Rocques en zijn vrouw Cathérine du Rieu fa Jehan).
Johannes Marcus Druijf en Catharina Pelgroms hadden als kinderen : Marcus (°1644), Pelgrim (°1645), Judith (°1647), Johanna (°1649), Abram (°1652), Jacobus (°1653), Hester (°1655), Pouwels (°1659), en Sara (°1661).
Er stierf een kind van Johannes Marcusz Druijf in 1656.
Op 16 oktober 1664 stierf een zoon van Johannes Marcusz Druijf, op 1 november 1664 stierf Catarina Pelgrims, huisvrouw van Johannes Marcusz Druijf, gevolgd door een kind op 2 november en één op 19 november… blijkbaar werd het gezin getroffen door een besmettelijke ziekte...(de pest?)
In de notariële akten van Schiedam vinden we meer informatie over Marcus Jacobszn van Roocken :
Marcus Jacobszn van Roocken , stoofmaker wonende te Schiedam, zijn zoon Salomon Marcusz van Roocken en hun knecht Jacobus Ariensz, verklaarden op 2 oktober 1659 op verzoek van Jacob Gijsbrechts de Lange, kuiper te Rotterdam, dat een partij hout die Marcus Jacobsz omtrent twee jaren voordien van voornoemde de Lange kocht niet alleen voor kuipersdoeleinden ongeschikt was, doch evenmin kon gebruikt worden om tot stoven te verwerken.
Op 22 oktober 1659 verklaarde Maria Cornelis, huisvrouw van Marcus Jacobsz van Roocken op verzoek van de weduwe van Vincent Bruwensz, brouwster in de brouwerij “de twee klimmende leeuwen” te Rotterdam, dat zij meermalen partijtjes hout van Jacob Gijsbrechtsz de Lange, kuiper te Rotterdam, had gekocht en betaald.
Op 5 augustus 1669 verkocht Lambrecht Willemsz Bijloo, wonende te Schiedam een woning aan Marcus Roocken.
Deze acte is zwaar beschadigd, en nauwelijks leesbaar, zodat we voorlopig niet meer informatie hebben over deze woning.
Op 23 juni 1659 kocht Lambrecht Gerritsz Bijlo een (leer)loyerie met timmerage daarop, staande en gelegen binnen Schiedam, van Lambrecht Willemsz Bijlo.
Lambrecht Willemsz Bijloo, leerbereider, was toen gehuwd met Pieternelle Jansdr Vos.
Op 25 januari 1670 verkocht Jacob van Boshuijsen, kapitein wonende te Schiedam een huis aan het Marktveld te Schiedam, belend ten oosten de erfgenamen van Willem Welhoek, en ten westen Liedewij Gerrits van der Laen, gelegen tussen het Marktveld en de Schie, belast met een jaarrente van 3 g[u]ld[ens] en 3 st[uivers] ten behoeven van het gasthuis te Schiedam, voor 6000 g[u]ld[ens] aan Marcus Jacobsz van Roocken.
De capiteijn was volgens de ene bron bij de VOC de hoogste in rang van het militaire personeel, volgens anderen was het een synoniem voor schipper.
Jacob van Boshuijsen was echter in dienst bij de Admiraliteyt, en was daar als capiteijn de bevelhebber over een oorlogsschip.
Een relatie met deze familie van Boshuijsen, met een burgemeester, schepenen, en een weesmeester als functie, en apothekers, chirurgijnen, internationale handelaars, notarissen en private reders als beroep, met hoge contacten binnen de Admiraliteit en de VOC, zal ongetwijfeld vele economische deuren hebben geopend voor de familie van Roocken…
Op 7 juni 1674 compareerden Maria van Hoogenhuijsen en haar man Marcus van Roocken voor de notaris in Schiedam om doctor Veenstraat, Pieter Everts en Sijmon van Hogenheim, advocaten voor het hof van Vriesland, te machtigen gelden te innen van haar broer Jacob van Hoogenhuijsen, commies, en hiervan haar schulden te betalen o.a. aan Picuus Inia, medeadvocaat.
De hiervoor vermelde acte deed ons eens snuffelen in de archieven van het "Frysk histoarysk en Letterkundich Sintrum" .
In de archieven van de Schoterlandse Veencompagnie vonden we :
Op 23 oktober 1669 en 11 augustus 1670 bij continuatie, waren verschenen voor Hendrick van Bergen, zoon van Adriaentie van Hogenhuisen, en notaris publicus in Old Beierlandt, Maria van Hogenhuisen en haar echte man Marcus Jacobs van Roocken wonende tot Schiedam "met dezelfde geadsisteerd", en anderen, allen erfgenamen van wijlen de heer Commie Jacob van Hooghenhuisen.
Een "zathe" land, gebruikt door de wezen van Jan Wygers, werd "bij strijkgeld" verkocht aan het echtpaar Jacobus Bouricius en Sytscke van Crack, en ten noorden van de middelweg en ten zuiden aan de sloot van het hornleger of oosterse hoving, alsmede Claes Jacobs hornleger, hebbende de zuiderlaan ten westen en de kamp bij Claes Jacobs gebruikt ten oosten, bestaan de in 5 akkers met 8 mad mieden, liggende onder Zuidwolde, met een half ploeggang in de meenschar van de noordermeer, voor de som van 708 goudgulden.
...En het getekend origineel heeft kwitantiën in margine...
Waaruit we onthouden dat Marcus Jacobs van Roocken samen met zijn tweede vrouw Maria van Hogenhuisen in oktober 1669 en augustus 1670 in Friesland was geweest, ten einde er de verkoop van gronden van haar overleden broeder Jacob te regelen.
Ook in het oud rechterlijk archief van Schiedam vinden we een aantal vermeldingen van Marcus Jacobsz van Roocke :
Een acte van 10 augustus 1669 leert ons dat Marcus van Roocke, stoofmaker, een huis en erf kocht van Lambrecht Willemsz Blijlo, gelegen aan de Beestenmarkt in de Boterstraat, belend Jan Claesz Doom en Jan Prins, strekkende voor van de straat tot achter aan de Schie.
Een kanttekening uit 1671 meldt dat de originele rentebrief toen was afgelost.
Twee acten van 10 mei 1670 en 2 april 1674 leveren ons iets meer informatie over het huis dat Marcus Jacobsz van Roocke kocht van capitein Jacob van Boshuijse : het was gelegen op het Marktveld van Schiedam, tegenover het stadhuis. Het erf strekte van voor aan de straat tot achter aan de Schie, en was belast met 2 f. 19 per jaar op de stenen kade van de Schie.
Als koopsom werd hier de meer realistische som van 600 f. geregistreerd.
Uit een acte van 27 juli 1671 blijkt dat Marcus van Roocke 200 gulden had geleend bij Dirck van der Mast, raad en schepen van Schiedam.
De woning en het erf gelegen in de Boterstraat golden als waarborg.
Op 7 september 1672 toonde Adriaen Cruyck voor en namens Marcus van Roocke dat de originele rentebrief afgelost was.
Op 7 september 1671 verklaarden Marcus Jacobsz van Roocke en zijn vrouw Maria Cornelisdr Hogenhuijse 4gulden schuldig te zijn aan Maria Maen, de weduwe van Cornelis Galeynsz Keijser.
Ook hier gold de woning in de Boterstraat als waarborg.
Op 6 februari 1672 verklaarde Marcus Jacobsz van Roocke "tot nadere verzekerdheid van de helft van 600 gulden zijnde de hoofdsom van een losrente van 24 gulden per jaar die hij schuldig is aan capitein Jacob van Boshuijsen, spruitende ter zake als reste van een hypotheek in de navolgende rentebrief vermeld".
OP 1 februari 1676 vernemen we minder goed nieuws uit het oud rechterlijk archief van Schiedam :
Daniel van Boshuijsen, regerend schepen en Johan Veen, secretaris van Schiedam, "als door de heren van de wet gestelde curatoren over de geabandonneerde boedel en goederen van Marcus van Roocke, weduwenaar", verkochten in het openbaar een huis en erf gelegen aan het Marktveld van Schiedam, strekkende van voor aan de straat tot achter aan de Schie, en een huis en erf in de Boterstraat aan de markt belend Jan Claesz Doom en Jan Prins.
De kopers waren Jacob Jacobsz van der Linden en Pieter Fransz van der Bol.
Marcus van Roocke en Judith Jans Braems hadden 5 kinderen : Jacob, Lijsbeth, Marcus, Salomon en Judick.
U vindt een overzicht van hun nazaten op de pagina met de genealogische tabel over tak D2.
In het doopboek van de Nederlands Hervormde Hooglandsche kerk te Leiden vinden we op 13 juli 1628 de registratie van de doop van Jacob, zoon van Marcus Jacobssen.
De getuigen waren Jacob van Rokes, Willem Pieterssen (de echtgenoot van Bersabe Jacobs van Roke), Susanna Jans en Maijken Jans.
In het doopboek van de Nederlands Hervormde Pieterskerk van Leiden vinden we op 25 september 1630 de registratie van de doop van Elisabeth, dochter van Marcus Jacobs en Judith Jans.
Lijsbeth huwde in Delft op 25 februari 1652 met weduwenaar Denijs Denijs de Haas.
![]() |
Lijsbeth Marcus van Roocke “herondertrouwde” als weduwe van denijs denijsz de Haas op 28 oktober 1684 met Willem Willemsz Friolet, baijwercker.
De familie Friolet was afkomstig uit Verviers.
![]() |
Lijsbeth Marckus, weduwe van Willem Vrijelee, werd begraven in de Nieuwe Kerk van Delft op 16 februari 1701.
In 1561 verbleef een Denijs de Haze te Londen, hij was afkomstig uit de Klijte bij Westouter en was brouwer.
Lijsbeths nakomelingen uit haar eerste huwelijk vindt u op de pagina met de genealogische tabel van tak D2.
Elisabeth Marcus Van Roocke is via haar zoon Denijs en diens dochter Katrijn als rechtstreekse voorouder terug te vinden in de kwartierstaat van Boye Stolck.
Op 19 juni 1633 werd in Delft Marcus gedoopt, zoon van ene Marcus Jacobs en Judith Braems.
![]() |
De doopgetuigen waren Jacob van Roocke en Bersebe u, en Caterina de Toor.
De “u” wordt door de inlezende digitaliseerder als de “n” van “non notus” of “nomen nescio” geïnterpreteerd.
Wellicht is deze dame Bersabe Jacobs van Roke.
Marcus Marcusz Van Roken ondertrouwde in Delft op 17 januari 1654 met Heijndrickgen Aerijens Vermeulen, dochter van de eerste man van de tweede vrouw van zijn vader Marcus Jacobsz.
Marcus Marcusz staat er vermeld als jonge man, wonende tot Schiedam.
Er werd op 6 februarij 1654 attestatie van het huwelijk gegeven.
Op 17 maart 1683 verklaarde Maertje Maertens, vrouw van Jacob Arentsz, kok, op verzoek van Jacob Engelenbergh, kapitein ter zee, dat op diens laatste reis Jacob Arentsz als kok meevoer en Marcus Marcusz. van Roocken als bottelier.
Omtrent Sinterklaas 1682 had zij bij de voornoemde kapitein geklaagd over de verhalen over haar man als kok, en zij was toen bij de bottelier thuis geweest en had aldaar veel victualien (=proviand) gezien, terwijl diens echtgenote de vrouw van de kapitein beledigde, hetgeen Jacob Arentsz. bevestigde.
Marcus Marcusz was dus als bottelier, samen met de knecht des huizes Jacob Arentsz als kok meegevaren met “kapitein ter zee” (bij de Admiraliteyt) Jacob Enghelenberg op diens laatste reis… we weten voorlopig niet waarheen.
De bottelier maakte deel uit van het zeevarend personeel, en was verantwoordelijk voor de rantsoenen.
Hij werd in zijn werk bijgestaan door de botteliersmaten en de kuipers (de bovenkuiper, die moest aanwezig zijn bij het openen van vaten, kuipen, emmers en flessen, en diens helper(tje)s : de onderkuipers en ruimgasten).
De kok en zijn maats zorgden natuurlijk voor de bereiding van het voedsel.
In het giftboek van Schiedam, waarin de akten van transport van onroerende zaken van 1680 tot 1683 werden geregistreerd, vinden we enkele vermeldingen van deze Marcus van Roocke :
Op 3 mei 1680 verkocht Adriaen Cruyck, schepen van Schiedam, als lasthebber van de weduwe van Joris Keijser het huis en erf van Jacob Karpentier, gelegen op de Nieustraat strekkende van voor aan de straat tot achter met een gang uitkomende op de Korte Achterweg, aan Marcus Marcusz van Roocke, voor 45 gulden contant geld.
Dezelfde dag werd geregistreerd dat Marcus Marcusz van Roocke 68 gulden schuldig was aan Pieter van der Mij, wegens geleend geld.
Als waarborg gold het dezelfde dag aangekocht huis.
Op 24 februari 1681 werd Marcus van Roocke vermeld als buur van een huis en erf gelegen aan de Korte Achterweg dat werd verkocht aan Jan Jansz Hemeldekan.
Marcus Marcusz van Roocken en Heindrictie Vermeulen hadden 3 kinderen : Judick, Marcus en Maritije
Op 2 september 1688 huwde in de gereformeerde kerk te Rotterdam Marcus van Roke, jongeman uit Schiedam, wonende tot Leiden, met Cornelia Leenders van den Bergh, jongedochter uit De Bergh.
![]() |
Het echtpaar kreeg drie dochters : Heindrictie, Apolonia en Cornelia
Op de pagina met de genealogische tabel van tak D2 krijgt u een overzicht van hun nazaten.
Neeltje Leenders van den Bergh werd op 30 maart 1728 begraven in Rotterdam, en woonde bij haar overlijden in Catshoek te Cool bij Rotterdam.
Marcus van Roke hertrouwde op 24 september 1728 met Lijsbet Dedel, weduwe van Arij van Werkom.
Elisabeth werd gedoopt in Rotterdam op 30 november 1673 als dochter van Johannes Dedel en Maria Strick.
Getuigen waren Christiaan Edmeston en Maria Bivangh, de moeder van haar vader.
Elisabeth en Arij hadden drie kinderen : Maria °1694, Johannes °1703 en Johannis °1706.
Arij van Woercom woonde bij zijn overlijden in de Hoogstraet naest het Manhuijs, en werd begraven op 20 maart 1724.
Hij liet bij zijn overlijden 1 meerderjarig kind na.
Bij het overlijden van Lijsbeth Dedel op 5 juni 1740 bleef Marcus van Roke achter met“ 1 kindskind”, een kleinkind.
Waarschijnlijk een kindje van een vermoedelijk reeds overleden kind van Elisabeth.
Hij woonde nog steeds in ’t Catshoek onder Cool.
Markus van Roskus werd begraven te Rotterdam op 8 april 1749.
Op 17 april 1639 werd in Delft Salomon gedoopt, zoon van Marcus Jacobsz en Judith Jans, de getuigen waren Salomon Jacobsz en Maertje Jans.
Getuige Salomon Jacobsz was ongetwijfeld de broer van Marcus Jacobsz, net zoals Maertje Jans de zus van Judith zal geweest zijn.
Salomon Marcusz werd samen met zijn vader Marcus Jacobsz van Roocken vermeld in de notariële acte uit 1659 te Schiedam.
Op 6 mei 1662 verkocht capitein Robbert Herberson aan Samuel Marcusz van Roocken een huis en erf gelegen op de Dam te Schiedam, strekkende van voor van de straat tot achter aan op de Haven, belast met 300 gulden tegen 4% per jaar en aflossingen van 25 gulden per jaar voor 100 gulden bovenop de belasting.
Op 23 mei 1665 verkocht Samuel Marcus van Roocke een huis en erf gelegen op de Dam te Schiedam aan IJda Boons, huisvrouw van Sybrand Ariensz, die toen "uitlandig" was.
We vonden zijn dochter Judith Salomons van Roocke in Rotterdam, waar zij foutief werd ingelezen als Judith Salomons van Voocke.
U vindt haar nazaten op de pagina met de genealogische tabellen van tak D2.
Haar oudste zoon Jacop Schaap huwde met Aaltje de Vouw, dochter van de beroemde cartograaf en schilder Johannes de Vou en Maria Sonjé, die zelf de dochter was van meester-schilder Jan Sonjé.
Ingrid de Wilt, wiens kwartierstaat u vindt via www.xs4all.nl\~rdewilt, is een rechtstreekse 21ste eeuwse nakomelinge van Judith Salomons van Roocke.
Ingrid trok op onderzoek naar het gemeentearchief van Schiedam, en vond er dat Salomon op 26 december 1659 in Schiedam huwde met Maertie Jans.
Naast de reeds vermelde dochter Judith, had dit paar nog minstens twee kinderen : Annetje Salomonse van Roocke en Joannes van Roocke.
Op 14 februari 1666 werd in Schiedam Joannes van Roocke gedoopt, zoon van Salomon van Roocke en Maertie Jans.
De doopgetuigen waren Marcus Wilhelmsz, Maertge Wils en Engeltje Wils.
Jan Salomonsen van Roochem werd op 7 november 1694 op zijn belijdenis lidmaat der Gerformeerde Gemeente.
Hij was getuige bij de doop van zijn neefjes Salomon Schaap in 1694 en Aary Schaap in 1703.
Jouke De Vries meldde ons dat tijdens Lex Wema's genealogische opsporingen naar de familie Laarbos aan het licht kwam dat op 25 juni 1625 Willem Pieters Laarbos ondertrouwde te Leiden met Barsaba Jacobs Van Roke.
Willem Laerbos was geboren in Dartelen, in het Sticht van Ceulen, hij was lakenwerker, Barsaba Jacobs was afkomstig van Leyden.
Op 1 februari 1622 werd in het doopboek van de Nederlands Hervormde Hooglandsche Kerk te Leiden het doopsel geregistreerd van Joris, eerste zoon van Willem Larebus en Barsabe van Roke. Jaques van Roke was één van de getuigen, net als Anneken Corssen, de vrouw van Salomon Jacobs van Roocque.
Later volgden nog Pieter (1624 getuige Jacop van Roke), Willem (1626, getuige Maijcken van Roke), Elisabeth (1628, getuigen Jacob van Roke en Judith Jans), Fijtgen (1629), Anneken (1632 getuige Balte Pietersen, de echtgenoot van Geertien Jacobs), Herman (1634, getuigen Jacob en Salomon van Roke), Pieter (1638) en Willem Laerbos (1644).
Wellicht was deze Barsaba van Roke de Bersebe U die in 1633 getuige was bij de doop van Marcus Marcusz Van Roocke, haar neefje.
Barsaba Jacobs was op 30 september 1663 getuige bij de doop van Jannetje Laarbos, op 11 maart 1666 bij de doop van Willem Laarbos, en op 31 mei 1671 bij de doop van Bersabe Laarbos, de oudste drie kinderen van haar zoon Pieter Laarbos.
Bersabe Jacobs was getuige bij de doop van Lysebeth (1635), Lysbeth (1639), Anna (1642) en Feijtien (1648), de kinderen van haar zus Geertgen Jacobs en Balten Pieters.
Samen met haar echtgenoot Willem Pietersz Laerbos was Bersabe Jacobs op 4 juli 1649 getuige bij de doop van Elisabeth, de dochter van Frans en Lijsbeth Gerrits, waarover verder geen informatie.
Op 27 juli 1642 werd Lijsbeth van Roken gedoopt te Delft, zij was de dochter van Jacob Jacobsz van Roken en Maritgen.
In het trouwboek van de Nederlands Hervormde Kerk te Leiden vinden we op 22 augustus 1631 de registratie van de ondertrouw tussen Balten Pietersz, een roodleermaker, met Geertgen Jacobsdr.
Beiden woonden aan de Uytterstegraft te Leiden.
De getuigen bij dit huwelijk waren Weijntgen Harcke, de moeder van de bruidegom en Jaecques van Rocke, vader van de bruid, beiden eveneens woonachtig aan de Uytterstegraft.
Reeds op 7 december 1631 lieten Balten Pieters en Geertgen Jacobs hun eerste zoon Pieter dopen in de NH Hooglandsche Kerk te Leiden. De getuigen waren Jacob van Roke, Willem Larebus (de echtgenoot van Bersabe van Roke) en Tryntgen Jans.
Later volgden nog Jacob (gedoopt in 1634, getuige Jacob van Roque), Lysebeth (gedoopt in 1635 getuige Jacob van Rocke en Bersabe Jacobs), Crijntie (1636), Lysbeth (1639 getuige Bersabe Jacobs), Anna (1642 getuige Bersabe Jacobs), Anna (1645) en Fijtien (1648 getuige Bersabe Jacobs).
Bij de doop van Willem Laarbos, de zoon van Willem Laarbos en Barsaba van Roke, in Leiden op 8 maart 1626, waren Hendrik Jansen en Maijcken van Roke getuige.
~:§:~
Hiermee eindigt de bespreking van de Delftse tak : de afstamming van Jaecques Marcusz van Roocke, de oudste zoon van het gezin dat van Ellezelles naar Leiden kwam op het eind van de 16de eeuw.
Enkel Jacobus, de in 1719 in Nieuwkoop geboren zoon van Dirk van Roken kan de naam voortgezet hebben.
Cornelis en Lijsbet van der Roek (1735)
Op 20 november 1735 huwden in Pijnacker, Delft : Jan Crijnen van de Leede, jongeman en Lijsbet Cornelisdr van der Roek, jongedochter afkomstig uit Blijswijk…
Cuniera van Rooken (x 1810)
In de gegevens verzameld door The Church of the Latter-day Saints (beter bekend als de Mormonen) vinden we een zekere Cuniera van Rooken, die in 1810 huwde met Frans Bikker te Schoonhoven, Zuid-Holland … natuurlijk is er (voorlopig) “no source information available”.
Gezien Schoonhoven vrij dicht bij Nieuwkoop gelegen is vermoed ik dat Cuniera een afstammelinge van deze Jacobus is …
~:§:~
Er wonen in 2005 in Schoonhoven een aantal personen met de achternaam Rooken.
Ik verstuurde een aantal briefjes richting Schoonhoven, en kreeg een uitgebreid antwoord van Kees Rooken.
Bij de Nederlandse volkstelling in 1947 waren er 7 personen met de naam Rooken in de provincie Utrecht, en 12 in de provincie Zuid-Holland.
Zij zijn allen afstammelingen van Willem Arissen Rooken, gedoopt op 22 oktober 1702 te Gouderak, als zoon van Aris Arissen Rooken en Teuntje Gerritsdr Zuidbroek.
Deze Aris Arissen Rooken was de zoon van Aris Rochusz, zoon van Rochus Goossensz.
De naam van Roocke komt in geen enkele variante schrijfwijze voor in de namenlijsten van de Nederlandse volkstelling van 1947.
~:§:~
klik hier om naar het begin van dit document te gaan