~:§:~
De afstammelingen van zoon Marcus : de Amsterdamse tak
Op deze pagina vindt u de bespreking van de belangrijkste en meest markante nakomelingen van Marcus, de vermoede jongste zoon van Marcus vander roecke.
Alle personen die tot deze Amsterdamse tak behoren kunt u herkennen aan de letter "A" net na het Romeins cijfer in hun generatienummer.
U vindt ze allemaal in de genealogische tabel van de Amsterdamse tak, en u kunt hier klikken voor een schematisch overzicht van de Amsterdamse tak van de familie van Roocke.
II.AMarcus Rocquius
Net zoals het in de Doornikse en Elzeelse familie de le Roke-de le Rocque de gewoonte was om na de voornamen van de grootouders ook die van de ouders door te geven aan de nieuwgeborenen, werd dit gebruik bij de naar Zuid-Holland uitgeweken familie Van Roocke in ere gehouden.
Getuige hiervan zijn de ontelbare Marcussen uit de volgende generaties.
Deze Marcus Rocquius vonden we voorlopig enkel vermeld als vader van zijn hierna besproken zoon Marcus Marcusz Rocquius.
We kunnen er zonder veel twijfel van uit gaan dat àls de stamvader Marcus vander roecke nog een zoon heeft gehad, die dan Marcus zal hebben geheten.
Het is dus mogelijk dat de vader van Marcus Marcusz Rocquius zelf de (jongste) zoon was van stamvader Marcus van Roocke.
III.AMarcus Marcusz Rocquius (°1621)
P.P. Schmidt bespreekt op de website van de digitale bibliotheek der Nederlandse Letteren, te vinden onder url : http://www.dbnl.org/"
de “Zeventiende-eeuwse kluchtboeken uit de Nederlanden”.
Deze bespreking is gebaseerd op zijn thesis, en werd uitgebreid met zijn later onderzoek.
De kluchtboeken verschenen in verscheidene Europese landen vanaf de 15de en 16de eeuw.
Het kluchtboek kende zijn bloei in de 17de eeuw, en werd tot in de 18de eeuw zeer gewaardeerd, daarna raakte het in onbruik.
Een “klugt-boeck” bevat een groot aantal prozaverhaaltjes, gelegenheidsgedichten, grafschriften, raadsels en spotternijen.
Een klucht is een kort, realistisch, doorgaans grappig, lineair opgebouwd verhaal, meestal uitlopend op een pointe : een grappige woordspeling of een grappige handeling.
Deze handeling is doorgaans eenvoudig, de karakters zijn karikaturaal, en niet zelden is er een erotische of scatologische inslag.
In de bibliografie vermeldt P.P. Schmidt naast een aantal andere Nederlandse 17de eeuwse kluchtboeken, zoals “het groot klugt-boeck”, “de klugtige tyd-verdryver”, “de nieuwe vaakverdryver”, “het leven en bedrijf van Klaas Nar”, “den schimpigen bolwormspiegel” en vele andere, ook “de Sint-Niklaesgift”.
Volgens professor Draak vond “de Sint-Niklaesgift” zijn oorsprong in het Franse kluchtboek “l’élite des contes du Sieur d’Ouville” van A. le Metel, sieur d’Ouville.
De vertaler/bewerker is niet bekend, en evenmin is iets geweten over de auteur(s) van het opgenomen gelegenheidswerk.
In de verschillende edities varieert het aantal kluchten van 95 tot 120.
P.P. Schmidt signaleert dan in welke bibliotheken zich enkele exemplaren van dit kluchtboek bevinden.
Daarbij vergeet hij de exemplaren niet die vroeger door Bolte in 1894 en 1920 en Draak in 1943 werden gelokaliseerd, doch ondertussen zijn verloren gegaan :
In de Sächsische Landesbibliothek te Dresden bevond zich een exemplaar dat in 1644 opgedragen was aan J.Jacot.
Het boek is tijdens W.O. II verloren gegaan.
Een volgend exemplaar verdient reeds onze bijzondere aandacht :
![]() |
Hiernaast zien we f° 1r° van dit boekje.
De titelpagina (f° 2r°) vermeldt :
St. Niklaesgift, Bestaende in Bevallijke Kodderyen, aertige Voor
-vallen, vreemde Potsen, en verdichte Vonden :
Verzelt met Vaerdige vragen, lustige Antvvoorden, geneug-
lijke Ontmoetingen, blaeuvve Grootshe
-den, kluchtige Bedriegeryen, verma
-kelijke Onnozelheden, en andere diergelijke tijdkortingen.
[op een vignet] t’AMSTELDAM, Voor Iohannes Iacot,
Boeckverkooper in ’t Heremijt-steeghjen, in ’t Iaer 1647.
Na het opschrift St. NIKLAES-GIFT AEN DIE IEVGHT beginnen dan de kluchten, onderbroken door enkele gelegenheidsgedichten en het gedicht : ’t Geloof is met my uyt, ik zie ’t nu voor mijn ooge.
Het boek wordt afgesloten met de BLAD-WYZER over S. NIKLAES-GIFT.
Dit exemplaar bevindt zich in de UniversiteitsBibliotheek van Leiden, onder referentie M.N.L. 1073A 24³.
De heer Bolte signaleerde in 1894 een gelijkaardig exemplaar in de Staats- und Universitätsbibliothek te Hamburg, met als impressum :
t’AMSTELDAM,
Voor Marcus Marcusz. Rocquius, Boekver-
koper in de Stormsteeg, in d’Institutie van Calvinus, in ’t jaer 1647.
Driewerf helaas is ook dit door Bolte gevonden exemplaar tijdens de oorlog verloren gegaan!
Antje Pautzke, van het Referat Seltene und Alte Drucke van de Staats- und Universitätsbibliothek van Hamburg kon ons echter meedelen dat dit boek niet tot de signatuurgroepen behoorde die opgegaan zijn in de vlammen.
Ze vermoedt eerder dat het boek is meegenomen en zich nu ergens in Rusland bevindt, of dat het tijdens de staat van algemene verwarring op het einde van de oorlog is gestolen.
De oude katalogus van de bibliotheek bevat geen informatie over herkomst noch opdracht van de erin opgenomen boeken.
Helaas is deze St.-Niclaesghift nooit gefilmd geworden, zodat ook de kans op een foto van het voor ons zo interessante eerste blad bijna onbestaande is.
Toch is er hoop dat dit boek nog bestaat, en Antje Pautzke zal ons zeker op de hoogte brengen mocht zij het op het spoor komen.
De benaming Stormsteeg herinnert aan de grote schade die de stad Amsterdam opliep tijdens de stormvloed van 1509, toen de stad nog aan de open Zuiderzee lag.
De Institutie van Calvinus verwijst naar het levenswerk van Calvijn, waarin hij zijn visie op het Christelijk geloof uiteenzette.
De eerste versie van deze Institutio dateerde van 1536 en besloeg 6 hoofdstukken, de laatste versie uit 1559 had reeds 80 hoofdstukken, gespreid over 4 boeken.
Achtereenvolgens besprak Calvijn : God de Schepper, God de Verlosser, de Heilige Geest en de Kerk.
Had de schenker van dit relatiegeschenk kort voordien met Marcus Marcusz. Rocquius een diepgaand gesprek over dit onderwerp gehad?
Of was deze frase een verwijzing naar het soort boeken dat Marcus Marcusz. Rocquius verkocht?
In het boek "De vrede van Munster, 1648", de handelsuitgave van aflevering 13,1 van "De Zeventiende Eeuw", het tijdschrift van de gelijknamige interdisciplinaire werkgroep, werden bewerkingen van 31 congreslezingen over de vrede van Munster in 1648 gebundeld.
De bijdrage van Willem Heijting handelt over de "Protestantse bestsellers in de Republiek rond het midden van de 17de eeuw.
Tijdstip, plaats en religieuze strekking konden in het licht van de activiteiten van "onze" boekverkoper Marcus Marcusz. Rocquius niet beter gekozen zijn!
We lezen er dat het boek omstreeks het midden van de 17de eeuw alom aanwezig was.
Dit mocht blijken uit de productie van talrijke drukpersen, en uit uitgeverslijsten, winkelinventarissen, egodocumenten, boedelbeschrijvingen, veilingscatalogi en afbeeldingen van boeken op schilderijen en andere kunstwerken.
De Nederlandstalige protestantse boekproductie bestond voornamelijk uit preken, liedboeken, vroomheidsliteratuur, en historische, dogmatische en polemische werken.
Het succes van de verkoop van Bijbels, Testamenten, psalmenboeken en catechismussen stond bij voorbaat vast!
Ook de boeken van de renaissancistische dichtkunstenaar Jacob Cats vlogen als zoete broodjes de deur uit.
Afgaande op het aantal herdrukken die bepaalde werken kenden, stelde de heer Heijting een lijst van "bestsellers" op :
met 30 tot 50 herdrukken :
met 10 tot 30 herdrukken:
De auteur rekent ons voor dat de vroomheidsliteratuur, vooral de martelarenverhalen en de liedboeken, tegen het eind van de 17de eeuw 2300 eerste drukken en 1500 herdrukken kende, wat bij een gemiddelde oplage van 800 exemplaren op een drie miljoen boeken kwam!
We kunnen er dus zeker van uitgaan dat elk protestants huisgezin wel één werk van de bovenvermelde lijst in bezit zal hebben gehad.
Met een boekverkoper in de familie, zal dit zeker hebben gegolden voor de huisgezinnen van de familie van Roocke...
In het “Adresboek van de Nederlandse Drukkers en boekverkopers tot 1700”, verzameld door de STCN, in redactie van J.A. Gruys en Jan Bos, vinden we deze Marcus Rocquius als boekverkoper in 1646 in Amsterdam, “achter de Oude Kerck, op ’t hoeckjen van de Enge Kerck-steegh”.
![]() |
Amsterdam : de Enge Kerksteeg en de Oude Kerk
In deze Enge Kercksteegh woonde in 1582-83 een zekere Nicolaes Biestkens, de beroemde bijbelvertaler en –drukker, wiens bijbelversie al dan niet met toestemming
door Leonard der Kinderen werd gedrukt in Emden!
(deze was dan weer de grootvader van de echtgenoot van Elijsabeth van Roken, zie een zwervende familie van Roken)
Dr. P.J. Verkruijsse van de Leerstoelgroep Boekwetenschap en handschriftenkunde aan de Universiteit van Amsterdam verwees ons naar de ISTN, de online retrospectieve bibliografie van oude drukken.
Daarin is te vinden dat Marcus Rocqiius, wonende achter de Oude Kerck te Amsterdam, op 't hoeckjen van de enge Kerck-steegh, in 1646 de uitgever was van "De knechtelijke Wille", een Nederlandse vertaling van "de servo arbitrio" van Martinus Luther.
In de Universiteitsbibliotheek van Leiden wordt nog een exemplaar van "De Knechtelijke Wille" bewaard, onder signatuur 194 F 18:1.
![]() |
![]() |
In het zeer lijvige werk "De boekhandel te Amsterdam voornamelijk in de 17e eeuw" uit 1914-'16 van de heren M. Kleerkooper en W.P. Van Stockum, vinden we dat Marcus Rockius, boeckebinder en boeckvercooper, en Marritje Evertsdr, egteluijden op 25 april 1646 hun testament hebben opgemaakt voor notaris D. Doornick te Amsterdam...
Het archief van notaris Doornick heeft de tand des tijds doorstaan, en daarin vinden we het testament van Marcus Rockius terug.
Daaruit blijkt onder andere dat Marcus Rockius een Mozel landsberger was, en dus afkomstig uit de Moeselstreek in Duitsland.
Wat dan weer de stelling zou kunnen bekrachtigen dat de familie van Roocke niet rechtstreeks van Ellezelles naar Zuid-Holland is gekomen.
Onmiskenbaar is de naam Marcus Marcusz Rocquius de Latijnse vorm van de naam Marcus Marcusz van de Roocke.
In intellectuele kringen was het toendertijd zeer “in” om zijn naam te latiniseren.
Het lijdt geen twijfel dat een boekverkoper en uitgever die succesvol wou zijn zich in dit milieu zal hebben begeven.
Meer nog dan nu was het lezen -en zeker het kopen- van boeken een elitaire aangelegenheid, en voor wie zich wou inburgeren in deze kringen, zal een gelatiniseerde achternaam zeker niet misstaan hebben.
Daar ook zijn voornaam en patroniem Latijnse namen waren, zal hem daarbij misschien wel enige afgunst te beurt zijn gevallen!
Een zeer vergelijkbaar voorbeeld was Matthias van den Hove, aartsbisschop van Mechelen omstreeks 1600, beter bekend als Matthias Hovius.
In een opsomming van de "épithaphes de la cathédrale de Tournai" uit 1881 wordt het grafschrift uit 1596 van "venerabilis vir ac dominus" magister Ludovicus Rodius, priester te Geraardsbergen vermeld. In een voetnoot verduidelijkt de auteur dat deze Lodewijk deel uitmaakte van de familie Van Rode.
Verder onderzoek in de Amsterdamse archieven zal moeten uitwijzen wat het juiste verband tussen deze boekbinder, -verkoper en uitgever Marcus Marcusz. Rocquius en de familie van Roocke was.
Uit de genealogie van Marcus van der Roecke blijkt dat hij zeker 2 en mogelijks 3 achterkleinzonen had die Marcus Marcusz van Roocke heetten.
Marcus Marcusz van Roocke, zoon van Marcus Jacobsz van Roocke is geboren in Delft in 1633.
Marcus Marcusz van Roocke, kleinzoon van Bartelmeeus van Roocke, is geboren in Leiden in 1640.
Bovendien huwde in Leiden in 1661 ene Marcus Marcusz, zoon van Marcus Jansz, wellicht de zoon van Jan Marcusz van Roocke.
Zeer waarschijnlijk hebben we hier te maken met de zoon van de wel verwachte, doch nog niet gevonden zoon Marcus Marcusz van Roocke,de vermoedelijk jongste zoon van de “oude” Marcus, de stamvader van de familie van Roocke in Zuid-Holland.
Maercq de la Roche fs (1653)
Ik vermeld hier dan ook graag een vreemde vondst die zich al een tijdje in Erik Verrokens “genealogische wachtkamer” bevindt :
In mei 1653 werd te Oudenaarde de staat van goed opgemaakt van ene Maercq de la Roche fs.
Na deze "fs", de afkorting voor "filius", "zoon van", is er niks ingevuld...
Net zoals bij voorbeeld Johan Decavele “Jan de Pruet fs” in zijn “Dageraad van de reformatie in Vlaanderen” a° 1567 interpreteert als Jan de Pruet junior, dus zoon van zijn gelijknamige vader, zou ik hier eenzelfde interpretatie durven maken, zodat we hier met Maercq fs Maercq de la Roche te maken hebben!
Bijna alles in de natuur streeft immers naar een zo laag mogelijk energieverbruik, en de Middeleeuwse scribenten waren daar bij uitstek de emanatie van : niet zelden maakte hun "onweerstaanbare drang" om toch maar geen woord te veel op te schrijven een tekst bijna onleesbaar en/of onbegrijpelijk door stenografische ingrepen en persoonseigen afkortingen en samentrekkingen.
Deze Maercq de la Roche fs woonde bij zijn overlijden op de Vlasmarkt in Oudenaarde.
Hij was eerst gehuwd geweest met Marie Battailde, en had met haar 2 kinderen : Marie en Joos de la Roche.
Hij was hertrouwd met Tanneke Fernagus, en had met haar 4 kinderen, die bij zijn overlijden minderjarige wezen waren : Maerc, Baefke, Jeanneke en Olivierke de la Roche.
Normaal gezien werd de naam de le Rocque niet als de la Roche genoteerd, maar deze vermelding lijkt me daarop een uitzondering te kunnen zijn…
Misschien omdat een omweg via het Vlaams en het Latijn werd gemaakt ?
We weten reeds dat de naam van stamvader Maercq de le Rocque in Zuid-Holland werd vertaald naar Marcus van Roocke.
Zijn jongste zoon heette zeer waarschijnlijk Marcus van Roocke.
Onder invloed van de gewoonte van de intellectuele klasse, waarmee diens zoon Marcus als boekverkoper zeker in contact kwam, latiniseerde deze Marcus van Roocke zijn naam tot Marcus Rocquius.
Stel nu dat deze Marcus Marcusz Rocquius na de vrede van Munster in 1648 terugkeerde naar de zuidelijke Nederlanden (zoals vele anderen), dan is het zeer goed mogelijk dat de Oudenaardse scribent de naam Rocquius omzette in het hem bekende de la Roche … de Picardische taal was “ondertussen” immers volledig weggedrongen door het Frans !
Een sluitende theorie die echter heel wat archiefonderzoek zal vergen om bewezen of ontkracht te worden …
Alle suggesties en eventuele gelijkaardige "gevallen" interesseren ons ten zeerste!
De naam Fernagus lijkt wel een Latijnse vorm van de naam Fernagut, die door professor Debrabandere wordt verklaard als patroniem van de in oorsprong Brits-Keltische voornaam Ferguut.
Reeds in 1268 was er in Ieper een Henricus Ferragut.
In 1611 werd ene Passchier Fernagu uit Artois geregistreerd als poorter van Brugge.
Op 18 april 1646 was ene Jaecquemijntgen Fernahuy, moeder van Magdaleentge de Ruyter uit Brugge, te Leiden getuige toen haar dochter er in het huwelijk trad met Harmen van Roockegem uit Ronssen.
Te Leiden, op 9 september 1627, trad Anna Fernagu, afkomstig uit "Arien Artoijs", wonende op de Lange Graft te Leiden, in het huwelijk met Claes Cosijn, een saaiwerker afkomstig uit Yperen...
De getuigen van de bruid waren Josijntgen Cosijns en Jannetgen Eduwaerts, haar bekenden.
Hierbij we stellen we vast dat de naam Tanne een vleivorm van de naam Anna is, zodat we hier wel eens zouden kunnen de registratie van een eventueel eerste huwelijk van Tanneke Fernagus, gevonden hebben.
Het feit dat Tanneke Fernagus, de tweede vrouw van deze Maerc de la Roche, óók een gelatiniseerde achternaam had, lijkt mij een zéér sterke aanwijzing dat zij uit een milieu kwam waar dit gebruikelijk was.
Ongetwijfeld "frequenteerde" ook haar echtgenoot dezelfde middens, en zal ook hij zijn achternaam in een Latijns kleedje hebben gestoken...met de naam Marcus Marcusz Rocquius als resultaat!
Vanaf 1637 werden in Leiden enkele huwelijken geregistreerd van een familie Bataelje, ook wel genoteerd als Batailje en Bataille.
De oudste vermelding leert ons dat Jaecques Bataelje, wolkammer afkomstig uit Henegou, en wonend in de Sint-Jorissteech, huwde met Louijse Perdu.
De Leidse tak van de familie van Roocke heeft gedurende lange tijd eveneens in de Sint-Jorissteech gewoond.
Verder onderzoek zal misschien duidelijk maken uit welk deel van Henegouwen deze naar Leiden geëmigreerde familie Bataelje afkomstig was -laat ons maar hopen op (de streek rond) Ellezelles- en of Marie Batailde tot deze familie behoorde, en of haar vader Evert of Eduard heette.
IV.A Marcus Rochius (1686)
Marcus Rochius vonden we voorlopig enkel vermeld als vader van Christina Marcussen Rochius in Sassenheim nabij Leiden.
Vermoedelijk was hij een zoon van boekbinder en uitgever Marcus Marcusz Rocquius.
Christina Marcussen Rochius (1686)
Frans Angevaare meldde ons het huwelijk van ene Christina Marcussen Rochius met Simon Gerrits Doornevelt, te Sassenheim op 15 april 1686.
Als we de logica der generaties volgen zou deze Christina een kleindochter van Marcus Marcusz Rocquius kunnen zijn, en haar vader Marcus Rochius een zoon van boekvercooper Marcus Marcus Rockius.
Het wordt nog mooier aangezien op 6 januari 1687 in Sassenheim de kleine Marcus boven de doopvont werd gehouden, als zoon van Simon Gerritsen Doornevelt en Stijntje Marcus Rochius.
De doopgetuigen waren Maritje Rochius en David Marcus Rochius.
Later werden nog heel wat kinderen van Simon Gerrits Doornevelt en Stijntje Rochius gedoopt in Sassenheim : Hendrick (1689), Marijtje (1690), Marijtje (1692), Grietje (1694), Marijtje (1695) en Guertje (1697).
Op 16 mei 1700 werd in Voorhout Hendrikje gedoopt, dochtertje van Symen Gerrits Doorneveld en Christina Rochjes, wonende te Sassum, de getuigen waren Frederik Rochjes en Maria Rochjes.
Op 15 februari 1722 werd te Sassenheim Gerrit gedoopt, zoontje van Guurtje Sijmons Doornevelt.
In het doopboek lezen we hierbij volgende noot : "is Sijmen Gerritse even na de middag voor de kerktijt bij mij geweest en heeft versogt Guurtjes kint te doopen, dat in onecht was geteelt, waer op seijde dat liever eerst met een ouderling haer had gesproken, maar hebbe dat 's avonts gedaen, en haer hare grove sonden ernstig voorgestelt hebbende,
heeft sij berou en leetwesen vertoont, en belofte met handtasting gedaen, haer in het toekomende te sullen wagten voor sulke grote en diergelijke struijkelingen, god biddende om sijn verstrekkende genade.
Hier op is sij enige dagen daer na overleeden nadat so uijterlijk bleek groot berou toonde tot 't uijterste tol over hare sonden.
Sijme Gerritse Doornevelt en Geertje Adrichem wed. Doornevelt beijde litmaten."
Op 9 april 1727 werd in de Nederlands Hervormde Pieterskerk te Leiden Frederik gedoopt, de zoon van Nikolaes van Everdingen en Maria Elijsabet van der Polant.
De getuigen waren Frederik Rochius en Maria Rochius.
Op 26 december 1734 werd in Rijnsburg Markus gedoopt, de zoon van Krijn Vooruijt en Grietje Sijmons Doornevelt.
Wat later treffen we de familie Rochius / Rockius aan in Gouda :
In het boek "Gouda, toen en nu" van Theo de Jong lezen we dat zich op het adres Wijdstraat 20 in Gouda een monumentaal pand bevindt, dat reeds in 1600, toen het eigendom was van de Goudse regentenfamilie Cincq, de naam "De Eenhoorn" droeg.
Nadien kwam het gedurende een lange periode in het bezit van leden van de familie Rochius en Venroy.
![]() |
We vinden in de grafboeken van de Sint-Janskerk inderdaad vermeldingen van Frederick, Abraham en Maria Rochius in de periode tussen 1640 en 1732.
Frederick Rockius werd geregistreerd als procurator van Maerten Koeck en Sina Harthals.
In 1729 en 1740 richtte Abraham Rochius een verzoekschrift aan het stadsbestuur van Gouda.
Maria Rochius deed dit eveneens in 1740.
In 1757 verkocht Maria Rochius een huis en erf op de Tiendeweg aan Apollonia van der Werf.
Eveneens in 1757 verkocht Maria Rochius een huis en erf in de Wijdstraat aan Clara Venroy.
~:§:~
We vonden in de Amsterdamse archieven nog een aantal personen die ongetwijfeld verwant zijn aan de familie van Roocke, maar die we nog niet exact kunnen plaatsen in de genealogie :
Katrina van Rook (1706)
Via de zoekfunctie op de website van het Amsterdams stadsarchief vonden we dat op
19 februari 1706 in de Lutherse Kerk te Amsterdam door pastor Henric Vos Catrina werd gedoopt, dochtertje van Katrina van Rook en Daniel Soorbeek.
De getuige was Anna Spranger.
Marius van Roke († 1726)
Via de zoekfunctie op de website van het Amsterdams stadsarchief vonden we
dat Marius van Roke op 7 maart 1726 begraven werd op het Sint-Anthoniskerkhof te Amsterdam.
We konden het origineel document nog niet inkijken, maar de naam Marius van Roke lijkt toch wel héél sterk op Marcus van Roke, zeker daar er dikwijls een puntje op de u werd geschreven.
Jacob van Roek († <1754)
Op 13 oktober 1754 werd Annetje Klaase Plooij begraven op het Karthuizerkerkhof te Amsterdam.
Zij was de weduwe van Jacob van Roek.
Cornelis en Gert van Roc (°1771)
Op 29 mei 1771 werd in de hervormde Noorderkerk te Amsterdam Gert van Roc gedoopt door pastor Samuel Claver.
Hij was de zoon van Kornelis van Roc en Elisebet Sakelaar.
De doopgetuigen waren Gert Sakelaar en Elssie Alberg.
Voorlopig is er geen verdere informatie over deze familie van Roc...
Johannes Cornelis van Roeken († 1790)
Op 1 oktober 1790 werd Johannes Cornelis van Roeken ten grave gedragen op de begraafplaats der kinderlijken te Amsterdam.
~:§:~