de familie de le Roke
in Flobecq en Ellezelles



13de → 17de eeuw


~:§:~


           We zijn op de webpagina over de oorsprong van onze naam tot de conclusie gekomen dat de oorsprong van onze familienaam, en dus ook de oorspronkelijke vestigingsplaats van onze verste voorouders bij het toponiem roke in het zuidwesten van Flobecq kon worden gelokaliseerd.

Deze plaats werd grondig besproken in de bijdrage over het toponiem Roke in Flobecq.
Hier volgt een chronologisch overzicht van de naamdragers de le Roke, de le Rocque en de le Rocq in de nabijheid van Flobecq en Ellezelles.

Flobecq in Henegouwen    Ellezelles in Henegouwen




~:§:~



Wicars, de zoon van Colart de le Roke en zijn broer Jehans (1275)



           In de Veil Rentier, het in 1275 opgesteld renteboek van heer Jehan van Pamele-Oudenaarde, gepubliceerd door Leo Verriest, vinden we de oudste vermelding van een familie de le Roke in Flobecq.
Op folio 41 r° lezen we in het Picardisch :

C'est li rente de Florbiert, à conmenchier à Baneginpont, à destre main si comme on vient por venir d'Audenarde, à venir aval vers le moustier.

Wicars, li fix Colart de le Roke, et Jehans, ses frères, tienent demi jornel de pret, dedens le bos de Portebech, por venir aval, si a une fontaine, encosté Baneginpont, s'en rendent 2s. et 2. capons.

Letterlijk vertaald :

Dit is de rente van Flobecq, te beginnen bij de Baneginbrug, aan je rechterhand zoals wanneer je komt om van Oudenaarde te komen, om naar beneden te gaan in de richting van het klooster.

Wicars, de zoon van Colart de le Roke, en Jehans, zijn broer, houden een halve dagwand weide, in het Pottelbergbos, om naar beneden te gaan, waar er een bron is, naast de Baneginbrug, en ze geven daarvoor 2 schellingen en 2 kapoenen.


Deze passage levert ons een onwaarschijnlijke schat aan gegevens!
We vernemen dat de broers Wicars, en Jehans, zonen van Colart de le Roke in het Pottelbergbos te Flobecq een weide in leen hielden.
Dat zou dus kunnen betekenen dat ze een kleine veestapel hadden.
Deze weide was echter slechts een halve dagwand groot, dat is ongeveer 1600 m², en dat is volledig ontoereikend om koeien op te laten grazen.
Aangezien er een bron was, was deze weide eventueel geschikt als drinkplaats voor de dieren, als aanvulling bij andere gronden.
Gezien het feit dat deze weide in het Pottelbergebos gelegen was, is ook deze veronderstelling niet erg waarschijnlijk.
Bovendien was het Pottelbergebos ongeveer 6 kilometer van de masure de le Roke verwijderd, dat is een uur gaans!

De grond nabij de masure de le Roke, de hoeve waar deze familie de le Roke woonde, was, gezien de nabijheid van de roke, wellicht te steenrijk en niet vruchtbaar genoeg om degelijk weidegras voort te brengen.
De hoogte ten zuiden van het bos de le Roke werd aangeduid met het toponiem bruyere, en was dus heide, eveneens een schrale grond, waar hoogstens wat schapen konden op gehouden worden.
Een masure is per definitie een hoeve met voldoende aanpalende grond om één familie in haar levensonderhoud te voorzien.

Er mag bovendien ongetwijfeld geconcludeerd worden dat een familie de le Roke, die nabij een roke woonde, wellicht bij de exploitatie van die roke betrokken was.
Een archiefbewijs hebben we daarvan misschien gevonden :

We vonden in de rekeningen van het graafschap Henegouwen van 1446 volgende passage :

De la despouille dune haye a florbierc, appellee la Rocquette, tenant au bois le segneur de barbenchon au Rieu de banesurpont et au chemin, vendu à Jehan Zuittre le 26 mars 1446.

Dit fragment bewijst dat er op de plaats waar de gebroeders Wicars en Jehans de le Roke in 1275 een weide in leen hadden, er anderhalve eeuw later een toponiem "la rocquette" ontstaan was.
Een "rocquette" was natuurlijk een roke van beperkte grootte.

Ook in Doornik in de wijk Bruille konden we een gelijkaardige vaststelling doen : de plaats "ultra bruleum" waar Johannes de le Roke rond 1225 een tuin pachtte van de Sint-Maartensabdij, werd 10 jaar later aangeduid als "ad rupem ultra Brulium", waarbij het Latijnse "rupe" steengroeve betekent.
Dit zijn toch twee stevige aanwijzingen dat de familie de le roke op beide plaatsen actief betrokken was bij de exploitatie van rokes, of steengroeven

De voornaam Colart is een taalkundige variant, een augmentatief, van de naam Nicolaes.
Zoals verder zal besproken worden op de pagina over de familie de le Roke in Doornik, zijn de voornamen van de families de le Roke in Flobecq en Doornik identiek.
Nicholès de le Roke, die tussen 1221 en 1228 één van de 7 schepenen van Doornik-stad was, was met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een zeer nauwe verwant van vader Colart de le Roke uit Flobecq. In 1359 maakte een Colars de le Roke uit een volgende generatie in Doornik zijn testament op.
Rond 1227 was er ook een Johannes de le Roke in Doornik, en deze voornaam kwam generatie na generatie terug.
Zelfs de zeer zeldzame voornaam Wicars kwam voor in Doornik : in het pestjaar 1349 maakte Wiart Roke in Doornik zijn testament op.
De voornaam Wicars was in oorsprong een Germaanse roepnaam, samengesteld uit "wîga" en "hardu", die "strijd" en "sterk" betekenen, we zagen reeds vroeger dat deze tweedelige Germaanse roepnamen ontstaan zijn in de 6de en 7de eeuw...
Gezien de in de familie de le Roke duidelijk aanwezige gewoonte om voornamen door te geven van generatie op generatie, kunnen we aan het voorkomen van deze naam Wicars minstens het besluit koppelen dat deze naam vermoedelijk reeds lang in de familie werd gebruikt.
De eerste Christelijke voornamen deden in onze contreien immers hun intrede iets na het eerste millennium, en de meeste Germaanse voornamen waren in de 13de eeuw volledig verdwenen.
Verder onderzoek naar deze bijzondere voornaam kan misschien een aanwijzing opleveren over onze voorvaderen die nog geen erfelijke achternaam droegen...

We konden vastgestellen dat veel personen uit Flobecq die in 1275 in de Veil Rentier geregistreerd werden als leenhouder van heer Jehan van Pamele-Oudenaarde, eveneens verbleven in Doornik.
Zo vonden we de families Gargate, d'Encre, de l'Ewe, Beausire, de Baudrenghien, Flamecourt, de Robertmasure, de l'Estree, Boukine,li Vesques en de le Roke als poorters van Doornik rond diezelfde periode.
In het cartulaire B, een polyptiek uit de 13de eeuw van het groot Officie van de Cellier van het kapittel van de kathedraal van Doornik, staat ook Arnulphus de Aldenarda vermeld, die een rente betaalde voor een huis in de St.-Piatparochie. Hij was de vader van Jehan van Pamele-Oudenaarde.

De Doornikse St.-Maartensabdij was sinds 1103 de heffer van de grote tienden van Flobecq.
Deze abdij had er een curtis en gronden.
Toen in 1164-'66 een allodium te Flobecq werd geschonken aan de St.-Maartensabdij, was Evrardus de Vinea daarbij oorkondegetuige.
In 1159 was hij eerste schepen van Doornik.
In een inkomenslijst uit 1175 van de hoeve Géron te Flobecq, werd Walterus Rufus vermeld, hij was in 1199 één van de 30 gezworenen van Doornik.
De deken van Geraardsbergen verklaarde in 1238 dat Thierry d'Orke al zijn rechten die hij bezat te Flobecq schonk aan de St.-Maartensabdij.
Verschillende leden van de familie d'Orke oefenden officiële functies uit in Doornik in de 13de eeuw.

De in oorsprong Vloesbergse families Tucman, de Renartcamp en van de roke vonden we als inwoners van Gent.

In 1283 schonk heer Jehan van Pamele-Oudenaarde aan de broederorde der Willemieten 3 bunder en 25 roeden grond die hij bezat in de parochie Florbiert, gelegen aan het bos naast de roke, op een plaats die men de masure "alsdusdanig" noemt (la masure qu'on dist en teil meniere).
We vinden hierin dus de reden waarom de familie de le Roke in latere archiefstukken van Flobecq zelden terug te vinden is : de eigenaar van de masure de le Roke besliste om het lapje grond waar onze voorouders woonden te schenken aan een kloosterorde, en de familie de le Roke heeft zich elders moeten vestigen : in buurgemeente Ellezelles en in de nabijgelegen grootstad Doornik.

Tussen 1275 en het begin van de 15de eeuw zijn de archiefbronnen voor Flobecq en omgeving zeer schaars.
De streek, dikwijls aangeduid als "debattenland", of "la terre des débats", was uitzonderlijk vaak de plaats waar oorlogen en disputen werden uitgevochten tussen de graven van Vlaanderen en die van Henegouwen.
Veel van de schaarse archieven zijn dan ook verloren gegaan.











Sare, li vesve de le Roke (1275)



           In Goy, een buurgemeente van Flobecq had de familie de Sorbruec verscheidene gronden in leen van heer Jehan van Pamele-Oudenaarde.

Eén van deze familieleden werd in de Veil Rentier vermeld als Sare, li vesve de le Roke.
Deze Sare (de Sorbruec) was dus de weduwe van een de le Roke, die blijkbaar na de dood van haar man terug bij haar familie was gaan wonen...



Baudès Roke (1365)



           In het poortersboek van Ath werd in 1365 Baudes Roke, afkomstig van Buissenau, als buitenpoorter geregistreerd.

Buissenau is een buurgemeente van Ellezelles !

Rond 1275 vonden we in Doornik twee vermeldingen van een Baudes Roke en een Bauduin de le Roke.
We kunnen dus opnieuw vaststellen dat de voornamen in de Doornikse en Flobecqse familie de le Roke identiek waren en vermoedelijk bestond er een rechtstreekse afstamming (grootvader, kleinzoon) tussen deze Baudouins.



Gilliart de le Rocque (1404, 1407)



           De rekeningen van het baljuwschap en de kasselrij van Flobecq en Lessines zijn bewaard gebleven en bevinden zich in het Algemeen Rijksarchief te Brussel.

Deze rekeningen vangen aan in 1355, maar de eerste vermelding de le Rocque kwam pas voor in 1404.

De vrouw van Gilliart de le Rocque werd in 1404 veroordeeld wegens een handgemeen met hanette dou bos.

In 1407 had Gilliart de le Rocque twee schapen gedood die op zijn erf waren komen grazen.

In 1418 werd Gilliart de le Rocque ervan verdacht het erf van Daniel Sauchoit te hebben geschonden

In het obituarium van de St.-Jacquesparochie van Doornik werd in 1407 een Gilliart le Rocq vermeld... wellicht was hij een nauwe verwant (grootvader, vader of neef)



Maigne de le Rocque (1404)



           In dezelfde baljuwrekeningen werd genoteerd dat Maigne de le Rocque in 1404 in Flobecq werd veroordeeld en gevangen gezet wegens een schermutseling met lison gallie.



Cathérine de le Rocque (1407)



           In 1407 werd Cathérine de le Rocque uit de vrijheid van de stad "Flobiecq" verbannen omdat ze ervan verdacht werd een verhouding te hebben met een andere man, "contre a sen maeris"...



Maroie de le Rocque (1407)



           Omdat ze twee maal en op twee plaatsen iemands erf had geschonden, werd Maroie de le Rocque, wonende te Ellesielles, in 1407 veroordeeld.



Jehans de le Roke (1407)



           In 1407 vinden we nog een vermelding van de familie de le Roke in de buurt van Flobecq, meer bepaald in buurgemeente Ellezelles.

De heer Gadeyne, archivaris van het Rijksarchief te Ronse, stelde de inventaris op van de regesten van het kapittel van de St.-Hermeskerk te Ronse.

Op de achterkant van een chirograaf staat geschreven : Jehans de le Roke, Elzele.

In deze chirograaf werd bekrachtigd dat de erfgenamen van Estiévenart dou Mahuiel een woning met erf, gelegen te Ellezelles, aan de Grand Kemin le Seigneur, nabij Camp de le Court le Mayeur, schonken aan Lievin de Skelveghem.

In 1527 betaalde Piere Oerman, een buur van Phelippe de le rocq, een cijns voor een dagwand land, grenzend aan de landerijen van Pieronne de Skelveghem, gelegen aan het camp de meeux te Ellezelles.



Camp De le Rocq (1413)



           E. Degand-Dopchie vermeldt de plaats Camp de le Rocq in 1413 in "Ellezelles Lieux-dits Anciens et Modernes".

Het Picardische woordje "camp" heeft dezelfde stam als het Franse "champ" en betekent dus veld.
De benaming camp de le rocq is dus het de le rocq veld, het veld van de familie de le rocq.
We bespreken dit toponiem verder grondiger.









Caisin de le Rocque (1418)



           Wegens een geschil met Jacquemon Hanicke betaalde Caisin de le Rocque in 1418 in Flobecq een boete ter waarde van 1/5 van 13 kleine écus.

In hetzelfde jaar veroorzaakte Caisin de le Rocque, wonende te Ellesielle, een kwetsuur bij Jehan Gadissier.

Nog in 1418 werd Caisin veroordeeld wegens een handgemeen met Gilliart Sadosne te Ellezelles.

In 1419 liep Caisin de le Rocque een boete van 60 sous op ten gevolge van een conflict met Jacquemart Rasse.

De voornaam van Caisin was een plaatselijke variant van de naam Nicolaas.
Deze voornaam kwam door de eeuwen heen in de familie de le Roke voor.

In 1452 betaalde Sire Jehan de Robertmasure het vijfde deel van 25 pond over de erfgenamen van Nicaise de le Rocque in Wodeke.
De families de Robertmasure en de le Rocque waren blijkbaar verwant.
De familie de Robertmasure was zeer wijd verspreid in de streek rond Flobecq.
Een Jehan de Robertmasure werd vermeld in de Doornikse stadsrekeningen van 1495, en er werden verscheidene testamenten van leden van deze familie opgesteld in Doornik.

In 1454 betaalde de weduwe van Nicaise de le Rocque 12 schellingen wegens een conflict met gillain le latteur.



~:§:~



In de lijst van baljuws van "la terre des débats", door Lesneucq opgesomd in zijn "histoire de Lessines", lezen we dat Gilles de Grantmetz, chevallier, in 1425 baljuw was voor Flobecq en Ellezelles.
Hij was ongetwijfeld een nauwe verwant (een zoon of neef) van de gelijknamige ridder Gilles de Grandmez, de in 1422 overleden derde echtgenoot van Cathérine de Bruyelles, de dochter van Jehane de le Rocque uit Doornik.

In de Veil Rentier van heer Jan van Pamele-Oudenaarde uit 1275 wordt ene sire Williaume de Grant Meis vermeld die een masure bezat in Melden...



~:§:~



Hakinet de le Rocque (1426, 1441)



           In 1426 werd Hakinet fil. Guillt. de le Rocque veroordeeld en opgesloten te Flobecq omdat hij de bezittingen van een timmerman had beschadigd.

In 1441 had Haquinet de le Rocque een "ottel", een woning waarin je met één gezin kan leven, aangekocht in Wodeke en betaalde hij op deze koop een rente.

De naam Hakinet is een taalkundige variant, een verkleinwoord van de naam Johannes.





Jan de le Roke, priester (1440)



           In 1440 was Jan de le Roke, priester te Schorisse, een buurgemeente van Flobecq en Ellezelles, ingeschreven als lid van de Sint-Jorisgilde van de stad Oudenaarde.
De Sint-Jorisgilde was in elke Middeleeuwse stad de belangrijkste schuttersgilde, leverde de leden van de stadswacht, en stond in voor de verdediging van de stad wanneer die werd aangevallen of belegerd.

Jan van Schorisse gezeyt Chamblin, een bastaardzoon van Arend VI van Gavere-Schorisse was betrokken bij de bosbouw in Flobecq.
Arend VI van Gavere-Schorisse was gehuwd met Marie d'Aumont, die behoorde tot een Frans adelijk geslacht uit de streek tussen Beauvais en Parijs. De Franstalige, en wellicht tweetalige, pastoor Jan de le Roke zal toen in Schorisse zeer welkom geweest zijn.
Alle leden van de familie van de heren van Gavere-Schorisse, ook de bastaarden, waren lid van de Sint-Jorisgilde van Oudenaarde, en het was evident dat ook de pastoor van Schorisse, priester Jan de le Roke, er zijn plaatsje kreeg.

Mogelijks vinden we deze Jan de le roke in 1462 als Johannes de Roqua, de biechtvader van de bisschoppelijke gevangenis in Doornik (zie de familie de le Roke in Doornik).



Lodewijk de la Roche (1452)

           In "Het kapittel van St.-Hermes binnen Ronse", een sneldruk uit 1892 bij van den Daele te Ronse, is een hoofdstuk gewijd aan "de kanunniken van de priesterlijke prove langs de kant van den deken".

Een kanunnik, of kapittelheer, is een geestelijke die op kloosterlijke wijze met andere geestelijken samenleeft.
Er werd destijds bij de intrede in het kapittel een behoorlijke gift aan de kerk verlangd, en de meeste kanunniken waren dan ook van goeden huize...
Dikwijls waren deze giften geldsommen, gronden of renten of tienden daarop, zodat het kapittel zich van regelmatige inkomsten verzekerd wist.

De kanunniken woonden het dagelijks koorgebed bij, in de plaats en voor het zieleheil van de milde schenkers, zodat die zelf hun vroomheid niet meer hoefden te bewijzen.
Het koorgebed bestaat uit 7 diensten overdag en één 's nachts, waarbij wordt gezongen en gebeden, en lezingen uit de Bijbel worden gehouden.

In 1436 bekwam Jan de Atrio of Kerckhof, pastoor van Kerkhem, de prove van Pieter de Fonte, "in handen van de paus afgestaan".
Hij overleed op 29 augustus 1452, en in dat jaar nam Lieven de Floerbeque, Magister Artium, deze prove over.

In 1452, "den dag vóór Kerstdag", nam Lodewijk de la Roche van deze prove bezit, als openstaande door 't overlijden van Jan Kerckhof.
In 1453 werd Lodewijk er "de vreedzame bezitter" van bevonden, en hij leefde nog in 1484.

In oorsprong duidde het woord prove de geldsom aan die men diende te betalen bij intrede in het kapittel, later verbreedde dit begrip zich tot het recht om kapittelheer te mogen zijn.

In 1490 was deze prove in bezit van Marcus Steenbergh, die later proost werd van het St.-Hermeskapittel.
We merken op dat in deze lijst veelvuldig vertalingen van achternamen naar het Latijn, en dan weer terug naar de volkstaal, gebeurde.
Als "Jan de Atrio" dan in "Jan Kerckhof" werd vertaald in plaats van in "Jan van de Kerkhove", heette "Marcus Steenbergh" in het Latijn Marcus de rupe, de Latijnse vertaling van het -hypothetische- Picardische Maercq de le Roke...?

Een bijzonder toeval bracht hier anders ene "Lieven de Floerbeque", duidelijk afkomstig uit Flobecq, "Lodewijk de la Roche", en "Marcus Steenbergh" in één lijst samen, chronologisch op elkaar volgend!
Of en hoe deze kanunniken in de genealogie de le Roke kunnen ingepast worden, is voorlopig helemaal niet duidelijk.
De voornamen Loys en Lodewijk komen in de 16de eeuw in de familie voor, en er wordt al een poos naar een Marcus gezocht...



Le bois Jehan de le Roque (1469)



           E. Degand-Dopchie vermeldde in "Ellezelles, Lieux-dits Anciens et Modernes", gepubliceerd in de Annales du Cercle Archéologique de Mons in 1897 dat er in één of ander archiefstuk uit 1469 een bois Jehan de le Roque voorkomt.
De auteur stelde daarbij vast dat er in 1895 in Ellezelles nog steeds een toponiem Delrocq bestond, meer bepaald in de toenmalige kadastrale sectie E, in de nabijheid van het bois des Prêtres.
Het document uit 1469 waarin le bois Jehan de le Roque werd vermeld, konden wij (nog) niet vinden. Als het nog bestaat zullen wij het echter vroeg of laat vinden!
Het moge duidelijk zijn dat er zonder een Jehan de le Roque geen bois Jehan de le Roque kon zijn!



Nicaise de le Rocque (1471)



           In 1471 werd Nicaise de le Rocque, wonende te Ellezelles, vermeld in de baljuwrekeningen van Flobecq en Lessines.

Hij werd veroordeeld tot het ondernemen van een pelgrimstocht naar de St.-Niklaaskerk te Warogneville, omdat hij elzen had gekapt in het elzenbos van Jehan Lourette.
Hoewel hij een arme man was had hij deze pelgrimstocht afgekocht bij de baljuw.

In de Middeleeuwse rechtspraak werd dikwijls als straf een pelgrimstocht uitgesproken.
Waar de veroordeelde oorspronkelijk deze tocht effectief zal hebben moeten uitvoeren, en daarvan de bewijzen zal hebben moeten voorleggen, werd het al gauw gebruikelijk deze pelgrimstocht af te kopen, door een som te betalen aan de baljuw.

Gezien zijn voornaam zou het zeer onwaarschijnlijk zijn mocht deze Nicaise geen zoon of kleinzoon zijn van de bovenvermelde Caisin de le Rocque!
Ook de naam Nicaise is een taalkundige variant van de naam Nicolaes.







Maigne de le Rocque (1479)



           In 1479 moest Maigne de le Rocque een schadevergoeding betalen aan Ghienin mesquin.

Gezien zijn voornaam is deze Maigne zonder twijfel de kleinzoon van Maigne de le Rocque uit Flobecq in 1404.



Jehan de le Rocque († <1515)



           De heer Paul Armand du Chastel de la Howarderie, erudiet historicus uit Doornik, onderzocht en publiceerde in het begin van de 20ste eeuw vele genealogieën van Doornikse geslachten, onder andere van de familie Thiébegot.

Deze familie Thiébegot bezat enkele lenen in het noordwesten van Henegouwen, onder andere dat van la Cucquière in Celles-Molembaix en dat van Chinaumont te Ellezelles, in leen gehouden van het feodaal hof van Leuze.
Uit het artikel van E. Degand-Dopchie leren we dat er in 1895 in Ellezelles nog steeds een toponiem Guinaumont was.
Meer nog, ook in 2005 bestaat er in Ellezelles nog steeds een straat met de naam Guinaumont, en deze bevindt zich anderhalve kilometer ten westen van het bos de le Roke, grenzend aan de zelfde heide.

We vinden in de genealogie van de familie Thiébegot de drie kinderen van de reeds overleden Jehan de le Rocque en een eveneens reeds overleden dochter van Jacquemart Thiébegot in het op 5 mei 1515 opgemaakte testament van diens weduwe Jehenne Prevost.
F. Desmons maakte van dit testament een bijna woordelijke transcriptie, en daarin zijn de voornamen van deze drie kinderen de le Rocque evenmin vermeld. Driewerf helaas was de heer Desmons enkel geïnteresseerd in de bezittingen van de testamenteurs.
Dit testament ging verloren tijdens de brand die volgde op het bombardement van mei 1940, waarbij het volledige Doornikse stadsarchief in de vlammen opging.







le Chemin, le Rieu et le Camp de le rocq (1527)



           In hun boek over de familie Moreau uit Ellezelles verwijzen de heren Duthye en Haustraten naar een cijnsboek van de heer van Ronse met betrekking tot Ellezelles uit 1527.

De heerlijkheid Ellezelles was door schenking van Lodewijk de Vrome, samen met de andere bezittingen van het klooster van Ronse, rond 825 onder de jurisdictie van de abdij van Inde in Cornelimunster nabij Aken gekomen.
De belangrijke bers van Oudenaarde namen er voor deze abdij het patronage waar.
In 1280 verkocht de abt van de abdij deze bezittingen -collectief omschreven als het "tenement van Inde"- aan de graaf van Vlaanderen, Gwijde van Dampierre.
Na diens zoon Gwijde van Richebourg en zijn achterkleinzoon Robert van Namen, kwam Ellezelles in de 15de eeuw door huwelijk in handen van de familie de la Hamaide, en in 1485 van Jan van Dottinghem, echtgenoot van Isabelle de la Hameide.
In 1526 liet hun schoonzoon Willem van Roggendorf, heer van Condé, deze gebieden na aan zijn zoon Christophore, die zo ook heer van Ronse en het Tenement van Inde, en dus ook van Ellezelles werd.
Wellicht was hij de opdrachtgever voor het opstellen van dit cijnsboek in 1527.

Christophore van Roggendorf verkocht deze gebieden in 1549 aan Nicolas de Granvelles, vader van de beroemde -of beruchte- kardinaal de Granvelles.
Emmanuel de la Baume, graaf van Saint-Amour, verkocht de gebieden in 1630 aan graaf Jan van Nassau-Dillenburg-Siegen.
Door huwelijk werd Jan-Filips-Eugeen, graaf van Merode en markies van Westerlo er de heer, en zo kwam dit cijnsboek in het archief van de familie de Merode-Westerlo terecht.

Dit cijnsboek bevindt zich nu in het Algemeen Rijksarchief te Brussel, in het familiefonds de Merode-Westerlo.
Dank zij de hulp van algemeen rijksarchivaris Karel Velle en van diensthoofd Luc Janssens als verantwoordelijke voor dit archiefbestand, verkregen wij de welwillende toestemming van Prins Baudouin de Mérode dit privé-archief in te kijken.

Le "terrier des censes et rentes du seigneur de Renaix à Elselle renouvellé enlan 1527", in het fonds de Mérode-Westerlo geclasseerd onder nummer LA 167, is een 168 folio's tellend renteboek van ongeveer 3cm dik, de bladen zijn 30 cm hoog en 22 cm breed.
De papieren pagina's zijn samengebonden in een perkamenten schutblad, dat vooraan en achteraan over de gehele lengte werd afgesneden op een breedte van 4 cm.
Een eerste hand noteerde in bruine inkt de cijnzen en rentes die betaald werden in 1527, een tweede hand bracht er later in zwarte inkt aanvullingen en wijzigingen in aan.

Alle personen die in de heerlijkheid "Elselle" woonden en aan de heer van Ronse een cijns dienden te betalen werden in dit renteboek genoteerd, gerangschikt per wijk, en daarbij werd precies omschreven voor welk stuk bos, land, weide of woning deze rente werd voldaan.
Zoals duidelijk zal blijken uit de volgende vermeldingen was de familie de le rocq prominent in Elselle aanwezig.

We kunnen in dit landboek lezen dat Thomas Sadone een cijns betaalde voor de woonplaats die vroeger van Magnon des rocq was geweest, 1 dagwand groot en gelegen aan de chemin de le rocq.
Diezelfde Thomas Sadone betaalde een rente voor een bunder weide en land gesitueerd aan de rieu de le rocq.
Mahieu de le rocq betaalde cijns voor een halve bunder weide gelegen aan les rocq.
De erfgenamen van Jehan Hanneton fs Willamme betaalden cijns voor een halve bunder elzenbos genoemd les rocq, grenzend aan het bos de Frasne en het camp Stevenon, in de wijk Simainil.
Hanin Wallemacqre betaalde een cijns voor een dagwand land gelegen a le rocq.
Jehan le Monnier, afkomstig uit La Hamaide, betaalde cijns voor 37 roeden bos as rockes, grenzend aan het bos van Frasnes.
De weduwe van Biertrant Wallemacre betaalde een cijns voor een dagwand land aan het camp du hultekin, grenzend aan de chemin de le rocq.
Jehan Buisson fs Michiel betaalde een rente voor een dagwand weide "des rocques", en voor een halve dagwand elzenbos "as rocq du camp", naast Nicaise le Louchier.
Nicaise Houcqman betaalde een rente voor 3 dagwand weide en land, gelegen aan de chemin de le rocq et au rieu.
Jehan le Latteur betaalde een cijns voor 2 bunder, gelegen aan li camp de renarmasure en aan het camp de le rocq.
Pierart Maclin betaalde een rente voor een dagwand grond aan het camp de le rocq, naast de woning van Nicaise le Louchier.
De weduwe van Jehan Makelin betaalde cijns voor twee dagwand land op het kan de le Roc, grenzend aan de ruelle de laubestrie.
Magerit de Raspalle, weduwe van Jehan Makelin betaalde een rente voor een halve bunder grond op het kan de le Rocke, gelegen aan de "ruelle du dy kan".
Jehan Foucart fs Jehan betaalde een cijns voor een masure die was gelegen aan de ruelle des rocq du camp.

Dit toponiem a le rocq te Ellezelles, met zijn afgeleide plaatsnamen chemin de le rocq, rieu de le rocq en camp de le rocq, is te situeren nabij de "sieure de flobecq".
We constateerden bij de bespreking van het toponiem Roke in Flobecq dat ook het bos de le Roke -in 1219 meer dan 50 ha groot- zich uitstrekte over de heide van Flobecq en Ellezelles.
Emm. Degand-Dopchie vond een vermelding van dit Camp de le Rocq in 1413, en er bestond in 1895 nog een toponiem Delrocq in de cadastrale sectie E van Ellezelles.
Net als met de rue de le roke in Doornik betreft het hier een afgeleid toponiem : de familie de le rocq die naar Ellezelles was gekomen gaf haar naam aan de weg, het veld en de beek die nabij hun woning en gronden lagen.



Jehan de le rocq dit Mordinne († <1527)



           De weduwe en erfgenamen van Jehan de le rocq dit mordinne betaalden in 1527 aan de heer van Ronse een cijns voor hun woonplaats aan de chemin de le haysette, naast het bos "le longhe fosse".
Ze betaalden een rente voor een stuk land genoemd "li camp eles", gelegen aan de "chemin de longhe fosse", aan de woning van Ernoul Cabot, en voor drie kwartieren land, genoemd "le croguet", naast de weg naar Jehan des pres en "madame labesse" (van de abdij van Maagdendaele).

De plaatsnaam haizette bestaat nog steeds in het noordoosten van Ellezelles, op de grens met Flobecq.
In het artikel "Ellezelles lieux-dits anciens et modernes" van Emm. Degand-Dopchie uit 1895 wordt het Camp de le Haiset gesignaleerd in 1422, de Hameau de la Haisette in 1507 en 1519, en de Plasse de la Haisette in 1521, wat in 1895 overeenkwam met La haisette in de cadastrale sectie B te Ellezelles.
In 1448 vond de auteur ergens een vermelding van Longfosset, en in 1507 Longuefosse, wat in 1895 nog steeds Longuefosse was en zich bevond in de cadastrale sectie C.

De toevoeging "dit Mordinne" was duidelijk nodig om deze overleden Jehan de le rocq te onderscheiden van één of meerdere gelijknamige Jehans.
Vermoedelijk was Mordinne de familienaam van zijn moeder.
Voorlopig konden wij over deze naam niet veel vinden...

De tweede hand noteerde in de marge dat de cijns voor twee en een halve dagwand land gelegen aan het "camp eles" later werd voldaan door Jehan des pres.







Jehan de le rocq († <1527)



           Verder in het renteboek vinden we een vermelding van de hoirs Jehan de le rocq.

Aangezien de weduwe van Jehan de le rocq niet vermeld werd, en er geen verdere specificatie na zijn achternaam volgde, was dit waarschijnlijk een andere Jehan de le rocq dan de voorgaande.
Net omdat deze Jehan de le rocq niet nader gespecifieerd werd, kunnen we er van uitgaan dat er "slechts" twee waren (... in Ellezelles).

De erfgenamen van Jehan de le rocq betaalden een cijns van 7 denieren voor hun woonplaats die een halve bunder groot was, en gelegen was naast die van Jehan Bacquet en de "chenauchoiere".
Bij de opsomming van de cijns die Jehan Bacquet betaalde vinden we nog dat deze woonplaatsen gelegen waren aan het camp de martiau spine.

Emm. Degand-Dopchie stipte in zijn artikel uit 1895 vermeldingen aan van Camp Marteau Spen in 1557 en Camp Marteau Spinne in 1558.
In 1895 bevond zich in de cadastrale sectie H nog steeds een toponiem Marteau Epinne.



Anthone de le rocq († <1527)



           De weduwe en erfgenamen van Thomas le rode betaalden een cijns voor een stuk grond van een halve bunder groot, gelegen aan het camp de le tombe, deels eigendom van sire Phelippe du Bos.

Deze grond lag naast de woning van de weduwe en erfgenamen van Anthone de le rocq en de weduwe en erfgenamen van gille de le voie fs collart.

In "Ellezelles lieux dits anciens et modernes" van Emm. Degand-Dopchie wordt het Camp de la Tombe vermeld in 1497, wordt het toponiem Tombelle voor het eerst gesignaleerd in 1565, en bestond dit onder die vorm nog in 1895, in de cadastrale sectie E.
De straatnaam Tombelle bestaat ook in 2006 nog in het zuidwesten van Ellezelles, op de grens met Frasnes-lez-Anvaing.

Emmanuel Degand vermeldt in zijn "Essai historique sur la commune d'Ellezelles ..." dat Ellezelles en omstreken in 1523, 1614 en 1634 werden getroffen door de pest.
Jehan de le rocq dit Mordinne, Jehan de le rocq en Anthone de le rocq zijn allen kort voor 1527 overleden, wellicht ten gevolge van de pestopstoot van 1523.







Gille de le rocq fs Jehan (1527)



           Net onder de vermelding van de weduwe en erfgenamen van Jehan de le rocq dit Mordinne staat Gille de le rocq geregistreerd.
De plaats waar normaal zou moeten staan waarvoor deze Gille cijns betaalde aan de heer van Ronse is echter blanco gebleven.
De "tweede hand" schreef er enkel bij dat Gille fs dudit Jehan was.

Bij de opsomming van de eigendommen waarvoor Jehan de Robertmasure dit desprez cijns betaalde, werd geregistreerd dat Gille de le rocqs woonplaats eveneens nabij de haysette gelegen was.

De voornaam Gille kwam reeds sinds 1232 generatie na generatie voor in de familie de le Roke.



Magnon de le rocq (1527)



           In dit renteboek van 1527 vinden we ook Magnon de le rocq.

Hij betaalde cijns voor een stuk land, geheten "le courtil phelippe", gesitueerd tegenover luc haneton, naast het "camp de tronrieu" en thomas sadone.
In de marge staat vermeld dat Thomas Sadone en Jehan desprez later de cijns op deze eigendom betaalden.

Magnon de le rocq betaalde eveneens cijns voor een dagwand land gelegen aan het "camp du tronrieu", gelegen aan "li bruecket" en Jehan Latteur neve.
De tweede hand noteerde in de marge dat Jehan le Latteur later, en Jehan desprez nog later deze cijns overnam.

Magnon betaalde een rente voor 5 en een half kwartieren aan de woonplaats die van gille de scouvermont was geweest, gelegen naast het "camp de mueris" en Jehan le Latteur neve, en aan de woonplaats van Gille Moriau.
Deze cijns werd later betaald door de erfgenamen van Pierre Risselin.

Magnon de le rocq betaalde nog een cijns voor een bunder land gesitueerd aan het "camp de tronrieu", naast de woonplaats van Jehan le Latteur neve en de erfgenamen van Jehan de Labie.

Luc Boidin betaalde een rente voor een dagwand land aan de hayette, grenzend aan het land van Magnon de le rocq en de erfgenamen van Polle de Lausnoit.

Zoals eerder reeds vermeld had Magnon des rocq vroeger gewoond aan de chemin de le rocq, naast de woonplaats van Ernoul Sadone.

In het artikel over de lieux-dits anciens van Ellezelles vermeldde Emm. Degand-Dopchie het Camp de Tronrieu in 1425 en een bois de Tronrieu in 1504, in 1895 bestond de plaats Tronrieu nog in de cadastrale sectie C.

Reeds in 1404 en in 1479 noteerden we de naam Maigne de le Rocque in Flobecq, en zonder twijfel is deze Maignon de le rocq hun rechtstreekse nazaat, en volgens de regels van de kunst zou het hier telken male om een grootvader en zijn kleinzoon gaan.



Mahieu de le rocq (1527)



           In het renteboek van 1527 staat de cijns geregistreerd die Mahieu de le Rocq betaalde voor zijn erf, een halve bunder groot, en begrensd door het erf van Gille Ghijs en twee wegen.
Gille Ghijs betaalde cijns voor zijn woonplaats, gelegen naast het camp de Symortie en de woonplaats van Mahieu de le rocq.

Jaquemart le hardi betaalde cijns voor drie dagwand elzenbos in de wijk Crimont, nabij de Kattemolen, grenzend aan het elzenbos van Gille de le voie en dat van Mahieu de le rocq.
De erfgenamen van deze Gille de le Voye woonden naast de erfgenamen van Anthone de le rocq.

Jehan de le Voye fs Jehan betaalde rente voor een halve dagwand land aan het vraycamp, gelegen naast de woningen van Mahieu des rocq, Hanette de Robertmasure en Passe de le Voie.
Lois de Robertmasure betaalde cijns voor een halve dagwand grond aan het vraycamp, begrensd door de woning van Mahieu de le Rocq, Hanette de Robertmasure en Passe de le Voie.

Mahieu de le rocq betaalde verder vermoedelijk cijns voor een hele lijst gronden.
Ik schrijf vermoedelijk omdat zijn naam is doorstreept, en het is niet duidelijk of dit door de eerste dan wel door de tweede hand gebeurde :

Er bevindt zich een zeer in het oog springende naam tussen de buren van Mahieu de le rocq : de erfgenamen van Jehan de le Fontaine.
Hun erf bevond zich naast Nicaise le Louchier, ze hadden een halve bunder grond aan het vraycamp, naast Thomas Yureniau, en een halve dagwand land gelegen voor het huis van Jehan le Latteur fs Simon, grenzend aan de rieu du moulin... midden tussen de de le rocqs, wat zeer waarschijnlijk op verwantschap wijst...

In het cartularium 384 van het Groot Officie van het kapittel van de kathedraal van Doornik werd in 1289 geregistreerd dat Jakemes de le Roke twee woningen bezat in de rue Merdenchon in de Doornikse St.-Piat-parochie.
We konden de aanpassingen door een latere hand in dit cartularium dateren rond het jaar 1400, en toen werd genoteerd dat de cijns voor één van de twee woningen werd betaald door Jehan de le Fontaine... was dit de (groot)vader van deze in 1527 reeds overleden Jehan de le Fontaine?

Gezien de nabijheid van sommige gronden van Mahieu de le rocq en die van Magnon de le rocq -in het bijzonder deze gelegen aan het toponiem les rocq- en hun gelijke, zij het licht variërende voornaam, waren zij met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kozijns, en beide kleinzonen van Maigne de le Rocque die in 1479 in Flobecq woonde.



Piere de le rocq (1527)



           Piere de le rocq betaalde in 1527 cijns voor een halve dagwand grond aan het bas camp, gelegen aan de Watart brug en voor een erf van anderhalve dagwand dat vroeger van Estievenart Hoy was geweest, aan de rieu du moulin te bas camp.
Hij betaalde een rente voor 7 kwartieren weide aan het bas camp, gelegen naast Jehan le Latteur fs Simon en Nicaise le Louchier, en voor drie kwartieren grond aan het bas camp begrensd door de weide van de erfgenamen van Loys de Bilouez, de grond van de weduwe en de erfgenamen van Loys Foucart en die van "madame labesse".

Piere de le rocq betaalde ook een rente voor 80 roeden weiland aan het bas camp aan het weiland van nicaise le louchier, aan de rieu de hubertmont.

De tweede hand schreef er bij dat de cijns op de weide naast Jehan le Latteur fs Simon en Nicaise le Louchier later door deze Nicaise werd betaald.
Ook de rente voor de 80 roeden weiland van Piere de le rocq werd later door Nicaise le Louchier voldaan.
De cijns voor de woonplaats van Piere de le rocq werd later betaald door Loys de Billoez.



Phelippe de le rocq (1527)



           In het renteboek van de heer van Ronse uit 1527 staat op f° 14 v° Phelippe de le rocq geregistreerd.
Hij betaalde rentes voor zijn woonplaats "a le risebecq", voor 2 bunder land aan de ridryes naast de woningen van Jehan en Hayne Oerman, en voor een halve bunder elzenbos nabij de woning van Meux du Bos.

De tweede hand noteerde dat deze rentes later betaald werden door Jehan de le Rocq, Frans Oorman en George Hellebo.

Maes du Bos betaalde een rente voor zijn woonplaats gelegen aan de Risebecq, naast het elzenbos van Phelippe de le rocq, Maes Hanins en "de weg".

Meus Hayns dit poupelier betaalde rente voor een halve bunder elzenbos aan de Risebecq, grenzend aan het elzenbos van phelippe de le rocq, aan de hoirs van Christoffre Wallemacre en aan de weg.

Jehan Martin betaalde cijns voor zijn woning te biaufau en voor een halve bunder grond grenzend aan zijn woning, aan het land van phelippe de le rocq, aan dat van Jehan de le censerie en aan de weg.

Emm. Degand-Dopchie vermeldde in 1547 de plaats Redrys, en situeerde Redrys in 1895 in de cadastrale sectie A.

Piere Oerman betaalde een cijns voor een bunder land en bos grenzend aan de weide van Maes hains en aan Phelippe de le rocq.
Henri Oerman betaalde een rente voor een bunder grond te beckereel, grenzend aan de gronden van Maes Hains en Phelippe de le rocq.
De tweede hand noteerde nog dat hij cijns betaalde voor een dagwand grond gelegen aan het camp de meeux, grenzend aan Marec du Brueq en aan Pironne de Skelveghem, alsook voor een bunder land en bos grenzend aan de weide van Meux Hains en aan Phelippe de le rocq.



Jehan de le Rocq fs Phelippe (1527)



           De registratie volgend op deze van Phelippe de le rocq op f° 14 v° is die van Jehan de le Rocq, die 3 denieren cijns betaalde voor een vierendeel weide en een dagwand elzenbos nabij de woonst van zijn vader.

De tweede hand schreef er nog bij dat Jehan de le Rocq een rente betaalde voor 3 dagwand weide op de voormelde plaats, nabij de woning van Frans Oorman en Joris Hains.
Frans Oorman betaalde een cijns voor zijn masure en gronden gelegen nabij de woning van Jehan de le Rocq en de masure van "madame labesse" (van de abdij van Maagdendaele te Pamele).
Joris Hains betaalde een cijns voor 3 dagwand elzenbos gelegen naast de woning van Adrien Wallemacq, de woning van Jehan de le Rocq en de verblijfplaats van Jehan Hains.

Franchois Wallemacre betaalde rente voor een dagwand land, gelegen aan het camp barbier en grenzend aan de woning van Genemer de Boendroit en aan die van Jehan de le Rocqz.



Jacquemart de le rocq (1527)



           Jacquemart de le Rocq betaalde in 1527 een cijns voor zijn woning te Ellezelles, die vroeger van Gille Neppenere geweest was, gelegen naast het land van "madame labesse", naast Maes Hanins en de woning van Pierre Walmacre, aan de ruel de Risebecq.
Hij betaalde nog een rente voor 5 kwartieren land en een masure nabij de voornoemde plaats, naast Maes Hanins en de weg van Risebecq, en voor een dagwand land naast de woonplaats van Phelippe de le rocq, naast de woonplaats van Pierre Wallemacre en "aan de weg".

De tweede hand noteerde later dat de woonplaatsen van Maes Hanins en van Pierre Wallemacre werden bewoond door de erfgenamen van phelippe de le rocq.

Pierre Wallemacre betaalde een cijns voor zijn woonplaats en een stuk land die gelegen waren naast de woonplaats van Jacquemart de le rocq en aan de weg van de Rijsbecq.
Verder betaalde hij nog een rente voor 5 kwartieren land gelegen nabij de woonplaats van jaquemart de le rocq, naast die van Maes Hains en naast de woning van phelippe de le rocq langs twee kanten.
De tweede hand noteerde in de marge dat deze laatste rente later werd betaald door Jehan en Pier de le Rocq en door Frans Oorman.

De cijns die Maes Hanins betaalde voor de gronden die grensden aan de woonplaats van phelippe de le rocq werd later betaald door Jehan de le Rocq.

Maes Hayns betaalde een cijns voor een masure van 5 kwartieren groot, gelegen voor de woonplaats van Jaqmart de le rocq en grenzend aan de weg.



Loys de le rocq (1527)



           In het renteboek van de heer van Ronse uit 1527 staat vermeld dat Loys de le rocq een cijns betaalde voor zijn woonplaats die zich bevond aan de biaufau, en voor 7 dagwand grond gelegen naast de gronden van Jehan de le Censerie, aan de weg en aan "les fosse".

De tweede hand noteerde later boven de voormelde registratie dat deze rente werd betaald door de weduwe van Loys de le rocq en dat Estienne de le Herne een cijns betaalde voor zijn woonplaats te beaufau, ongeveer 2 bunder groot en gelegen naast de woonplaats van de weduwe en erfgenamen van Louy de le Rocq.



Jehan de le Rocq fs Loui (> 1527)



           Net onder de vorige registratie werd door de tweede hand genoteerd dat Jehan de le Rocq fis loui een cijns betaalde voor zijn woning gelegen aan de weg van biaufau en naast de woning van "madame labesse", de ons ondertussen welgekende abdis van de abdij van Maagdendaele te Pamel.

Emm. Degand-Dopchie vermeldde in de dissertatie "Ellezelles lieux-dits anciens et modernes" de plaats Beaufaux in 1507, het Camp de Beaufault in 1521 en 1531 en Beaufault in 1565.
In 1895 bestond de plaats Beaufaux nog steeds en was gelegen in de cadastrale sectie A.
De rue Beaufaux bestaat ook in 2006 nog steeds, en bevindt zich in het noordwesten van Ellezelles, op de grens met Ronse.
Deze rue Beaufaux ligt in het verlengde van Haizette.


Jehan en Pier de le Rocq (> 1527)



           Zoals hoger reeds vermeld noteerde de tweede hand in de marge dat de cijns die Pierre Wallemacre in 1527 betaald had voor gronden gelegen tussen de woningen van Jacquemart en Phelippe de le Rocq later werd betaald door de erfgenamen van Phelippe de le rocq...
Wat verder lezen we dat de rente die Piere Wallemacre had betaald voor die gronden later werd betaald door Jehan en Pier de le Rocq en Frans Oorman.


Jehan de le Roq (> 1527)



           Daniel de Wannemacre betaalde cijns voor vijf kwartieren grond aan het vraycamp, naast Jehan Campion en Gille Ghijs, de buur van Mahieu de le rocq.
De tweede hand noteerde dat hij ook cijns betaalde voor een woonplaats, anderhalve dagwand groot, grenzend aan de woningen van Michiel de le Hamaide, die van Jehan de le Roq en de weg.



Jacques de le Rocque († <1540)



           In een onlangs in een schuur te Ellezelles aangetroffen koffer bevond zich een oud boek waarin de weduwe en erfgenamen van Jacques de le Rocque vermeld worden in 1540.
Dit boek wordt momenteel gerestaureerd en opnieuw ingebonden, zodat we voorlopig over dit gezin niet meer informatie hebben.



Pierre de le Rocq enLoys de le Rocque (1540, 1560)



           In 1540 werd in Henegouwen een haardtelling georganiseerd, en in de gemeente Ellezelles werden Pierre de le Rocq en Loys de le Rocque, een "pauvre" geregistreerd.

In 1552 werd Loy Rock fs Pieters, "geboren telseele" ingeschreven als verzeten poorter van de stad Oudenaarde.
In de haardtelling van 1560 woonde Loys nog steeds in Ellezelles.

Waarschijnlijk was deze Loy Rock fs Pieters de kleinzoon van Loys de le rocq die in 1527 in Ellezelles geregistreerd werd.



Mahieu de le Rocque (1540, 1572)



           De "pauvre" Mahieu de le Rocq die in 1540 werd meegeteld als inwoner van Ellezelles, werd als Mahieu de le Rocke in 1567 en 1573 veroordeeld in Mesen.
Ongetwijfeld had Mahieu in 1566 deelgenomen aan de beeldenstorm, en was hij daarvoor veroordeeld.

In de "stukken betreffende de diaconie der vreemdelingen te Emden" uit de periode 1560-1576, gepubliceerd in de Werken van de Marnixvereeniging, bevindt zich een namenlijst die werd opgesteld tijdens een "extra ordinaire bedeeling".
Eén van de namen uit die lijst is De la Rocke of De la Roche Mathieu.
Emden is een stad die gelegen was in het gebied dat toen werd omschreven als West-Friesland, en was een toevluchtsoord voor vele duizenden vluchtelingen die om-het-geloof de zuidelijke Nederlanden verlieten op het einde van de 16de eeuw.
Zonder twijfel was Mathieu de la Rocke ook zo'n religieuze vluchteling.

In zijn "Essai historique sur la commune d'Ellezelles ..." meldt E. Degand slechts één acte over godsdienstige troebelen in Ellezelles in de 16de eeuw : de abt van de Sint-Thierry-abdij te Reims weigerde in 1578 voor een periode van 9 jaar de opbrengsten, die zijn abdij had in Ellezelles, af te staan aan pastoor Vanderwecq, ten einde de priester schadeloos te stellen voor de verliezen die hij had verborgen "pendant les derniers troubles civils".

Ook E.M. Braeckman wijst er in zijn boeken over "le protestantisme Belge" op dat er in de 16de eeuw in de kasselrij van Ath nergens een gereformeerde gemeenschap schijnt te zijn geweest.

In de stad Lessen getuigde priester messire Pierre de Tilleul in een openbaar onderzoek met ontzetting over het feit dat een honderdtal mensen, waaronder vele die hij kende, bijeengekomen waren om psalmen te zingen, afgewisseld met lezingen uit de Bijbel in de volkstaal.

Toch werd Agnes Deleplache, "femme et espeuze" van George Delecourt, iiiixx jaar oud, geboren te Ellezelles, veroordeeld wegens hekserij, en op 26 oktober 1610 geëxecuteerd "par la corde et le feu", samen met Martine Delevigne, 50 jaar, vrouw van Nicolas Walleracque dit Papin, Catherine Delevoye, 60 jaar, vrouw van Jean de Robert Masure, Quintine dele Clisserie dite Tremprenerte en Madeleine Lestarquy, 65 jaar, vrouw van Gilles le Sucre.
Deze heksenverbranding wordt in Ellezelles jaarlijks op folkloristische wijze herdacht : zie www.ellezelles.com.



Louis Delroke (1571)



           In het penningcohierenboek van Ronse van 1571 wordt Louis Delroke vermeld als eigenaar van een grond te Schoonboeke, op de grens van Ronse met Ellezelles.



Jacques en Bartelmeeus, zonen van Marcus van de Roecke (1590, 1591)



           Mahieu de le Rocke was niet de enige die Ellezelles had verlaten op het eind van de 16de eeuw.
In de kerkelijke ondertrouwregisters van de stad Leiden in Zuid-Holland, treffen we in 1590 en 1591 de twee broers Jaecques van der roecke, geboren in "Elsylle bij Ronse", en Bartelmeeus van Roocke geboren "bij Ronse in Henegou", zonen van Morick van de roecke, ook wel genoteerd als Marcus van Roocke.

Er kan geen twijfel over bestaan dat zij behoorden tot de familie de le Rocque uit Ellezelles, en dat zij om het geloof van de zuidelijke Nederlanden naar de meer tolerante noordelijke provincie Zuid-Holland zijn uitgeweken.
De achternaam van Marcus' oudste zoon Jaecques en diens zoon Salomon werd er zelfs een keer als van Roocque genoteerd.
De nakomelingen van deze Marcus van Roocke worden uitgebreid besproken in de genealogie van Marcus van Roocke.

Hoewel in de Zuid-Hollandse archieven de namen van vreemdelingen dikwijls fonetisch werden neergepend, is mij buiten de familie van Roocke geen enkele maal opgevallen dat een achternaam werd vertaald.
Doorgedreven onderzoek bracht wel grove verbasteringen en zware verminkingen van vreemde namen aan het licht, maar géén vertalingen!
Dit laat vermoedelijk toe te besluiten dat de familie de le Rocque-van Roocke tweetalig was en dat zij zelf hun achternaam hebben vertaald.

We kunnen hier in elk geval constateren dat voor de vierde maal de naam de le Rocque vertaald werd in van de roecke, net als toen in het derde kwart van de 14de eeuw Jac de le Roke in Gent Jac van de roke werd, zoals toen Willem vander roke uit Doornik in 1379 werd geregistreerd in de Brugse stadsrekeningen, en toen in 1392 de Doornikse Jehenne de le Rocque in de Kortrijkse stadsrekeningen als Jehane van der Roke werd genoteerd!



Adriaentgen vande roucke (1592)



        In het kader van zijn onderzoek naar zijn om-het-geloof uit de Vlaamse stad Ronse gevluchte voorouders met als naam "Baccau", noteerde J. Bekouw in zijn boek "Bannelingen en vluchtelingen uit Ronse" de namen van zeer veel uit Ronse geëmigreerde personen, die verwant waren aan de Baccau's of er (economische) contacten mee hadden.

Reeds rond 1990 vond Erik Verroken in dit werk de vermelding van Adriaentgen vande roucke.

In het Leidse Gemeentearchief vonden we de registratie van de kerkelijke ondertrouw op 7 juli 1592 van Adriaentgen vande roucke uit Alcksielandt, weduwe van Jan de Man, met Jan van der Hooge van rontse.
Jan was "vergeselschapt met" Jan de Ryckere, zijn bekende, en Adriaentgens getuigen waren Elijsabeth Buket en Jannetgen Rijsselings.
Aangezien Elisabeth Buket de vrouw was van Jaecques vande roecke was Adraientge ongetwijfeld een dochter van Morik vande roecke alias Marcus van Roocke.

In het landboek van Ellezelles uit 1527 werden verschillende leden van de familie Risselin geregistreerd als inwoners van Ellezelles.
In het trouwboek van de Nederlandse vluchtelingenkerk Austin Friars in London staat ene Jan Rijsseling van Ronssen, die daar op 1 maart 1584 huwde met Pierijne Neckers uit Tielt.
Emmanuel Degand publiceerde in zijn "Essai historique sur la commune d'Ellezelles ..." een chirograaf uit 1616 waarin Pier Risselin vermeld wordt als één van de zeven schepenen van Ellezelles.

Het mag op het eerste gezicht ver gezocht lijken, maar na jàren tevergeefs speuren naar de plaats Alcksielandt, ben ik er van overtuigd dat dit een fonetische nabootsing is van een verbasterd Ellezelles.
Adriaentges broer Jaecques was geboren in "Elsylle", en als je de e's als a's verstaat heb je "Alsylla" ...



Flobecq en Ellezelles in Henegouwen / a° 1601



Lowijs van Roockelen, Pieter van Roocken en Lodewijk van Roockem



           Bovendien werd in Leiden ook een Lowijs van Roockelen geregistreerd toen één van zijn kinderen er in 1604 overleed ten gevolge van de pest.
In 1648 droeg Pieter van Roocken er zijn kind ten grave, en in 1664 overleed Lodewijck van Roockem er.

Zij zijn vermoedelijk nakomelingen van Pierre en Loys de le Rocq(ue).

Er bestond in deze Elzeels-Leidse familie van Roocke immers een zeer klassieke manier van voornaamkeuze, waarbij de dopelingen de voornaam kregen van hun grootouders of ouders.







Maercq de la Roche († 1653)



           Een Maercq de le Rocque vonden we nog niet in de archieven van Ellezelles.

Wel vonden we in 1653 in Oudenaarde de staat van goed van een Maercq de la Roche fs (niets ingevuld), waarbij we de bijkomende informatie "fs" interpreteren als zoon van een gelijknamige vader Maercq (naar het voorbeeld van o.a. J. Decavele).
Vermoedelijk gaat het hier om dezelfde persoon als boekverkoper Marcus Marcusz Rocquius die in 1646-'47 een winkeltje had in Amsterdam.

Eén van de in de Oudenaardse staat van goed vermelde kinderen van Maercq de la Roche heette natuurlijk ook Maerc de la Roche. (zie de afstammelingen van zoon Marcus in de genealogie van Marcus van Roocke).



~:§:~



Aangezien een hele groep mensen van de Elzeelse familie de le Rocque op het eind van de 16de eeuw zijn uitgeweken, bleven er niet veel familieleden meer over in de streek rond Ellezelles.
Het feit dat er nu in Ellezelles en Lessines nog een vijftal mensen wonen die Delrocq heten, laat toe te vermoeden dat ze er geweest zijn...

Zo weten we al dat er in de parochieregisters van het plaatsje Irchonwelz, nu een deelgemeente van de stad Ath, en dus op minder dan 20 kilometer ten zuidoosten van Flobecq, in de periode tussen 1622 en 1797 twee personen vermeld zijn met de naam Delerocqz.

In de gemeente Chièvres, iets ten zuidoosten van Ath komt de familienaam Delrocq voor in de parochieregisters tussen 1617 en 1797.
Deze archiefstukken zullen zeer binnenkort ingekeken worden.

In het jaar negen tijdens de Napoleontische tijd werd Louis Rocq geregistreerd te Rebaix, een plaatsje op 12 km ten zuiden van Flobecq, net ten noorden van Ath.

De resultaten zullen besproken worden op de webpagina over de familie Delrocq.



~:§:~



Bij gebrek aan gegevens kunnen wij (voorlopig) nog geen sluitende genealogie opstellen voor de familie de le Roke uit Flobecq en Ellezelles.
Verder onderzoek zal misschien nieuwe gegevens opleveren, zodat we ook voor deze tak van de familie de vader-zoon verbanden kunnen schetsen.

klik hier om een schematische voorstelling van deze Vloesbergse familie de le Roke te bekijken.

Er kan nu reeds met stelligheid worden beweerd dat alle personen die in dit artikel werden besproken onmiskenbaar zeer nauw aan elkaar verwant waren, en zo het misschien niet noodzakelijk steeds om vaders en zonen ging, zijn ze dan wellicht ooms en neven geweest.


klik hier om naar het begin van dit document te gaan


verder naar de familie de le Roke in Doornik