~:§:~
Omdat we slechts enkele vader-zoon-relaties 100% zeker kennen, worden de vroegste vermeldingen van de familie de le Roke chronologisch besproken.
Aan het eind van deze chronolgische voorstelling zullen we dan in een schema die personen eruit halen die met grote waarschijnlijkheid de gemeenschappelijke voorouders zijn van de huidige families Verroken, Verhoken-Verhoeke en Delrocq, en misschien ook Delrock.
~:§:~
II.C Nicholès de le Roke (∃ 1221 → 1228)
De aller-aller-aller-oudste vermelding van een naamdrager van "onze" familienaam de le Roke die we tot nog toe vonden is die van Nicholon de le roke, die in 1221 schepen was van de stad Doornik.
De oprichting van het Romeinse castrum Tornacum op de oostelijke Scheldeoever, rond het begin van onze jaartelling, was waarschijnlijk het vroegste begin van de stad Doornik.
Na de val van het Romeinse rijk werd Doornik de hoofdstad van het Frankisch rijk, van waaruit Clodovech en zijn nazaten hun gebieden bestuurden.
Na de invallen van de Noormannen, die de toenmalige stad Doornik volledig verwoestten, kwamen de bisschop en de kannuniken als eersten terug naar de stad.
In 898 verleende de Franse koning Charles le Simple aan de bisschop de toestemming om het bisschoppelijk paleis her op te bouwen en gaf hij hem het recht om tol en taksen te heffen op markten, wegen en waterwegen, zowel voor de bewoners van het bisschoppelijk domein, als voor vreemdelingen op doorreis.
De bisschop en het kapittel, die reeds de feitelijke autoriteit waren in Doornik, verkregen daar zo de politieke bekrachtiging van.
Doornik was net als Arras en Terwaan een bisschoppelijke stad.
In de onmiddellijke nabijheid van het bisschoppelijk domein ontstonden ook de benedictijnerabdij van St.-Maarten en de Augustijnse St.-Medardabdij, ook wel St.-Nicolas-des-prés genoemd.
De veilige, ommuurde nederzetting rond het bisschoppelijk paleis en de kathedraal, was een sterke aantrekkingspool voor handelaars en ambachtslieden van het omliggende platteland.
De stad barstte uit zijn voegen en na elke uitbreiding werd een groter gebied ommuurd en omwald.
Deze steeds talrijker en invloedrijker wordende inwijkelingen wilden meer inspraak in het bestuur van de groeiende en bloeiende stad...
De begoede handelaars en ambachtslieden verenigden zich in de "Charité St.-Christophe" en deze organisatie manifesteerde zich meer en meer als de werkelijke vertegenwoordiger van de dynamische bevolking van Doornik.
Op 27 december 1187 ontnam de Franse koning Philippe-Auguste de soevereiniteit van de stad aan de bisschop, en droeg ze over aan de burgers, die de stad in naam van de koning dienden te besturen.
Doornik werd zo rechtstreeks afhankelijk van de Franse koning.
De oorpronkelijke kernstad, de "cité", bevond zich op de westelijke Schelde-oever.
De belangrijkste wijk op de oostelijke rivieroever, St-Brice was het eerste uitbreidingsgebied van de stad geweest en had zijn eigen schepenbank.
Op het eind van de 13de eeuw werd de stad op de oostelijke oever uitgebreid met de wijk Bruille, en wat later met de wijk les Chauffours.
Nicholon, of Nicholès de le Roke, zoals we zijn naam meestal aantroffen, was één van de 7 schepenen van Doornik-stad.
We vonden onze oudste voorouder enkel vermeld in hoofde van zijn functie als schepen, in een aantal chirografen.
Dit zijn op perkament genoteerde wettelijke passeringen, zoals koop- en verkoopakten, huwelijkscontracten, testamenten enz., die door de
magistraten van de stad werden bekrachtigd.
Op de pagina met een selectie uit de originele teksten kunt u lezen bij welke zaken Nicholès als schepen was betrokken.
Toch leveren deze enkele vermeldingen al een behoorlijke hoeveelheid afleidbare informatie op :
De schepenen van Doornik werden tot in 1187 aangeduid door de bisschop, het kapittel en de 2 prévots (een functie vergelijkbaar met die van baljuw in Vlaanderen).Toen de stad in 1187 onder seculier bewind van de "commune", in naam van de Franse koning was gekomen, verkleinde de greep van de bisschop op het stedelijk bestuur.
Elk jaar vernieuwde men "de wet", door een verkiezing in verschillende stadia.
Onder de "chefs d'ostel", de gezinshoofden die eigenaar waren van een huis, werden 300 "électeurs", kiezers, gekozen.
Dit kiescomité benoemde 30 "éwardeurs", afkomstig uit al de parochies van Doornik, hun aantal per parochie afhankelijk van haar belangrijkheid.
Deze éwardeurs benoemden 30 "jurés", gezworenen, waarvan er 2 werden aangeduid als "prévots", provoosten, evenals de 7 schepenen van de stad en de 7 schepenen van St-Brice.
Allen samen vormden zij "les Consaux", de raden.
Om schepen te kunnen worden moest je een huis bezitten in de stad, en dus behoren tot de viri hereditarii, de erfachtige lieden.
Daarenboven moest je -ook na 1187- een eed van trouw afleggen voor de bisschop, dus lid zijn van de "hommes de Sainte-Marie", de vrijgewijden van de bisschop.
Deze organisatie stamde uit de 10de eeuw en de leden ervan konden hun persoonlijke vrijheid
veilig stellen door een eed van trouw aan de Heilige Maagd en de Heilige Eleutherius af te leggen voor de bisschop.
Ze betaalden een jaarlijks "lidgeld", en een som bij huwelijk en overlijden.
Als tegenprestatie werden de leden-handelaars vrijgesteld van een aantal oorspronkelijk aan de bisschop toevloeiende belastingen, onder andere de tol op markten, land- en waterwegen.
De schepenen hadden een rechtsprekende funktie, ze waren verantwoordelijk voor het beheer van de goederen en het welzijn van de wezen en de weduwen, en hadden wetgevende macht op het gebied van ambachten, handel en industrie.
Vele collega's schepenen van Nicholès de le Roke waren vazallen van de Doornikse burggraaf, of hadden een adelijke of patricische titel.
Aangezien Nicholès zo geen titel droeg, maar toch één van de belangrijkste functies van Doornik-stad kon/mocht bekleden, moet hij ongetwijfeld een invloedrijk man geweest zijn.
Wellicht was hij een belangrijk handelaar, een veronderstelling die we bij gebrek aan andere bewijzen ten zeerste gestaafd zien in de meerseniersactiviteiten van zijn nakomelingen.
Doornik was één van de belangrijke handelssteden van West-Europa, en was via de "Charité Saint-Christophe", een broederschap die alle Doornikse handelaars verenigde, aangesloten bij de hanze van London.
Deze "Charité Saint-Christophe" zorgde voor interregionale en internationale handelscontacten, en de familie de le Roke zal daar dan zeker deel van uitgemaakt hebben.
Zeer waarschijnlijk was Nicholès één de vertegenwoordigers van deze charité in de Doornikse schepenbank, die wellicht een weerspiegeling was van de verschillende machtsblokken in de stad.
Om schepen te kunnen zijn, moest men natuurlijk meerderjarig zijn.
In die periode bereikte je die status als je 25 jaar werd.
Nicholès was schepen in de jaren 1221, 1224, 1225, 1227 en 1228. In de tussenliggende jaren zal hij waarschijnlijk een andere functie in de magistratuur van Doornik-stad hebben gehad.
In 9 van de 12 schepenlijsten waarin we Nicholès geregistreerd vonden, werd hij als laatste vermeld. Daaruit mogen we concluderen dat hij de minste in aanzien was, en wellicht was hij toen de jongste schepen.
We kunnen dus besluiten dat Nicholès de le Roke ten laatste in 1196 werd geboren, doch vermoedelijk niet veel vroeger.
In 1216 was er grote commotie in Doornik ontstaan toen de misdadiger Jacques le clerc zich had verschanst in de kathedraal.
Ondanks het toen geldend imuniteitsprincipe, arresteerden de prévots de man, sleepten hem de kerk uit en lieten hem ter plaatse hangen.
De bisschop was uitzonderlijk verbolgen over dit voorval, en er werd enkele jaren later, in 1227, beslist dat de gehangene terug moest worden opgegraven, en een eervolle begrafenis diende te krijgen.
De galg moest worden neergehaald en verbrand.
Bovendien moesten de schepenen en de jurés bij wijze van boetedoening
blootsvoets en in hun ondergoed vergiffenis komen vragen voor de bisschop.
Waarschijnlijk betekende dit voorval het einde van de politieke carrière van Nicholès, want na 1228 vinden we hem in geen enkele officiële functie meer terug.
Meer nog : het zou enkele generaties duren eer een de le Roke nog een officieel ambt uitoefende, en tot de hogere magistraatskringen klom de familie pas terug op rond 1400.
Een laatste niet onbelangrijke conclusie die we kunnen trekken uit het feit dat Nicholès in de twintiger jaren van de dertiende eeuw schepen was in Doornik, is de onmiskenbare vaststelling dat hij moet kunnen lezen en schrijven hebben, in die periode zeker geen evidentie.
Het lijdt geen twijfel dat ook zijn kinderen en de volgende generaties dit zullen hebben gekund!
Door de totale vernietiging van het Doornikse stadsarchief in mei 1940, zijn wij grotendeels afhankelijk van wat vóór mei 1940 gepubliceerd werd. Hoewel wij aan deze publicaties zeer veel gegevens hebben kunnen ontlenen, zouden wij zeker veel meer persoonlijke details over onze voorouders in Doornik te weten gekomen zijn. Er waren in het Doornikse stadsarchief voor de 13de eeuw alleen al duizenden chirografen bewaard, waarin ongetwijfeld alle facetten van het dagelijks leven aan bod kwamen.
Op het einde van de 12de en het begin van de 13de eeuw maakte de stad Doornik, zoals zovele andere steden een eerste bloeiperiode door.
Weinig inwoners waren in die beginperiode in oorsprong uit de stad afkomstig, de meeste waren er van het omringende platteland heen gekomen vanwege de economische opportuniteiten en de grotere persoonlijke veilgheid en rechtszekerheid die de stad aan haar inwoners te bieden had.
Het zou mij persoonlijk sterk verbazen dat een immigrant van de eerste generatie erin kon slagen om op 25-jarige leeftijd zo succesvol en invloedrijk te worden dat hij het meteen tot schepen van een grote stad als Doornik kon brengen.
Ik durf dan ook stellen dat de familie de le Roke al minstens één generatie vroeger in Doornik aanwezig was, en er rond 1220 reeds een belangrijk netwerk van economische en politieke relaties had opgebouwd.
Een kleine, doch niet onbelangrijke, aanwijzing daarbij kan de voornaam Nicholès zijn : ten einde hun verbondenheid met hun nieuwe woonplaats aan te tonen, noemden vele inwijkelingen van de eerste generatie dikwijls hun eerste daar geboren kind naar de patroonheilige van de parochie waar ze kwamen wonen.
De bouw van de Sint-Nicolaaskerk werd reeds in 1153 aangevat, en werd in 1213 beëindigd.
Aangezien deze kerk zich in de wijk Bruille op de oostelijke Schelde-oever bevond, kan dit een extra aanwijzing zijn dat de eerste generatie de le Roke die naar Doornik is gekomen zich aanvankelijk in deze toen nog buiten de stadsmuren gelegen wijk had gevestigd.
Misschien was de vader van Nicholès als handelaar in stenen en uitbater van een roke als toeleveraar actief betrokken bij de bouw van deze kerk.
De stelling dat de familie de le Roke in Doornik een invloedrijke familie moet zijn geweest, zien we niet alleen bevestigd in het feit dat een telg ervan er schepen werd in het begin van de 13de eeuw, maar ook in een ander merkwaardig feit.
In zijn boek "Tournai ancien et moderne" ging de heer A.F.J. Bozière op zoek naar de oorsprong van de namen van de Doornikse straten en pleinen.
Hij stelde daarbij vast dat bepaalde invloedrijke families hun naam gaven aan de straat waarin ze woonden.
Zo ontleende bij voorbeeld de rue à le Take haar naam aan de familie à le Take, gaf de familie de le Ture haar naam aan de rue de le Ture, ...
We toonden reeds aan dat er op het einde van de 12de en in het begin van de 13de eeuw overal in de stad ter plaatse stenen uit de grond werden gehaald om de huizen en -na elke uitbreiding van de stad- nieuwe stadsmuren te bouwen.
Er waren dus ontelbare rokes in de stad, en het is dan ook onze these dat de rue de le roke genoemd is naar de familie de le Roke die er woonde.
In het renteboek van de St.-Maartensabdij, daterend van vóór 1212 werd deze plek omschreven als "viculi quod itur ad Mallos ante portam nostram" of "viculi iuxta petrinam portam quod itur ad mallos", het straatje dat leidde naar de rue des Maux.
In het renteboek uit 1222 was er reeds sprake van de "viculus rupe quod itur ad mallos", de rue de le roke die naar de rue des Maux leidde.
In het cijnsboek van 1232 werd deze plek omschreven als "vicus de rupe Mallorum" of als "in rupe ad Sanctum Nicasium", de wijk roke nabij St.-Nicaise.
We concluderen dat Nicholès de le Roke zijn naam niet kan ontleend hebben aan een straat of plek, die pas rond 1220 - '28 als rupe of rue de le roke werd omschreven.Een tweede bevestiging van deze stelling vinden we op het einde van de 13de eeuw en in het tweede kwart van de 14de eeuw, toen Nicholès' kleinzoon Jakemes en zijn achterkleinzoon Jak de le roke, le merchier, ook effectief in de rue de le roke woonden.
Wellicht woonde ook Nicholès, die als schepen zeker eigenaar van een huis in Doornik-stad was, reeds in deze rue de le roke.
De heer Bozière legde deze link tussen de familie de le Roke en de rue de le roke niet, en veronderstelde dat deze straat genoemd werd naar een verdwenen steengroeve die zich daar ter plaatse had bevonden.
We weten echter met zekerheid uit het renteboek van het kapittel uit 1289 dat er toen nog effectief in deze rue de le roke een roke was.
Vanaf het midden van de 13de eeuw werd naar deze rue de le roke dikwijls verwezen als rue de le roke st.-nicaise, wat nogmaals aantoont dat dit toponiem niet specifiek genoeg was om op ondubbelzinnige wijze een bepaalde plaats in de stad aan te duiden.
De heer Ludovic Nys maakt in "La pierre de Tournai" de bedenking dat er inderdaad wel rokes "intra muros " zullen zijn geweest, maar dat de exploitatie ervan door de toenemende bevolkingsdruk reeds rond het eind van de 11de eeuw zal zijn stopgezet.
Hij merkt ook op dat de vele archeologische opgravingen in de stad hierover voorlopig geen concrete gegevens aan het licht brachten...
Het toponiem "roque Saint-Nicaise" dat in vele actes uit de 13de en 14de voorkwam, duidde een steengroeve aan, gelegen even ten zuiden van de grote markt, die als ze al niet meer in gebruik was, dan -volgens de auteur- toch minstens nog zichtbaar moet zijn geweest.
Hij veronderstelt dat deze roke, die zich aan de binnenzijde van de nieuwe stadsmuren bevond, waarschijnlijk werd geopend op de plaats van de oorspronkelijke stadswal rond de eerste stedelijke site, op het eind van de 11de eeuw...
We vonden in de persoonlijke nota's van archivaris Hennebert, die bewaard worden in het rijksarchief te Doornik, een volledig schrift waarin deze erudiete historicus blijkbaar een werk over de straten van de Middeleeuwse stad Doornik voorbereidde.
Archivaris Hennebert noteerde de datums en korte fragmenten uit ontelbare chirografen, waarin naar Doornikse straatnamen werd verwezen.
Soms kopieerde hij daarbij de volledige tekst, soms maakte hij een korte samenvatting, en soms noteerde hij helaas enkel de datum en de naam van de straat.
De oudste twee vermeldingen van de rue de le roche dateren van 1228!
En u raadt het al, ... de heer Hennebert noteerde hier enkel de naam van de straat en het jaartal.
Een merkwaardige vaststelling daarbij is dat de oudste vermelding van de rue de le roke werden gevonden in twee chirografen uit 1228... net in het jaar dat Nicholès de le Roke verdween van het politieke toneel in Doornik.
Een derde aanwijzing dat onze these juist kan zijn, vinden we in de wijk Bruille, op de oostelijke Scheldeoever.
We hebben in een bewaard gebleven cartularium van de Sint-Maartensabdij van Doornik, door ons gedateerd rond 1225, gevonden dat Johannes de le Roke daar nabij een plaats aangeduid als "ultra brulium" drie tuinen pachtte.
Wanneer in een volgend renteboek, slechts enkele jaren later, deze plaats omschreven werd als "ad rupem ultra bruleum", (aan de steengroeve, voorbij de Bruille) blijkt iemand -wellicht Johannes de le Roke- daar dus ondertussen een roke geopend te hebben, en werd naar deze plaats reeds als dusdanig verwezen.
In de nota's van de heer Hennebert vonden we dat a° 1301 daar een toponiem en le Roke bestond en dat er bovendien nog steeds een telg van de familie de le roke woonde : Jehan de le Roke, le carpentier, had er een huis.
Ook hier was de naam de le Roke duidelijk aanwezig vóór de plaatsnaam.
Het feit dat Nicholès de le Roke reeds in 1221 schepen van de stad Doornik was, en de constatatie dat de rue de le roke er haar benaming ontleende aan de familie de le Roke die er woonde, leiden ons naar twee conclusies.
Nicholès behoorde reeds tot de tweede generatie van de familie de le Roke die in Doornik aanwezig was, de familie heette reeds de le Roke vóór ze naar Doornik kwam en ontleende haar naam dus aan een ander toponiem roke.
Zoals u reeds kon lezen in het hoofdstuk over de oorsprong van onze naam, konden we deze plaats roke situeren in zuidwest Flobecq.
Ook dáár konden we vaststellen dat Wicars en Jehans, de zonen van Colart de le roke de exploitatie van een steengroeve waren begonnen op een stuk grond dat ze rond 1275 pachtten van Jehan, de heer van Pamele-Oudenaarde.
Bijna alle personen die in 1275 in de Veil Rentier van Jehan, de heer van Pamele-Oudenaarde als leenhouder te Flobecq werden geregistreerd, troffen we eveneens aan in Doornik.
Bovendien bezat de Sint-Maartensabdij van Doornik de tienden van Flobecq, en zullen veel inwoners van Flobecq via deze abdij met Doornik in contact zijn gekomen.
Veel van de vroegste vermeldingen van de familie de le roke in Doornik houden op één of andere manier verband met deze invloedrijke Sint-Maartensabdij.
We stellen vast dat de voornamen van de families de le Roke uit Doornik en Flobecq dezelfde zijn.
We vinden in Flobecq de broers Wicars en Jehans, zonen van Colart de le Roke. De namen Colart en Nicholès zijn identiek, en we zullen verder zien dat er ook in Doornik een Wiart Roke was, en verscheidene Jehans.
In Doornik vinden we reeds heel vroeg een Egidius en een gelijknamige Gilles de le Roke. Gilliart de le Roke vinden we in het begin van de 15de eeuw zowel in Doornik als in Ellezelles.
I. of II.A Johannes de le Roke (∃ ~1225)
In het oudst bewaard gebleven renteboek van de Sint-Maartensabdij van Doornik staat op f° 17 geregistreerd dat Johannes de le Roke de pacht van drie tuinen, gelegen in de heerlijkheid Bruille, op de oostelijke Scheldeoever, overnam van Alardus de Vesenchiel.
Aan de hand van de andere namen die op f° 16 en 17 in dit oud renteboek voorkomen, en enkele supplementaire gegevens uit de persoonlijke nota's van de heer Leo Verriest, die bewaard worden in een 10-tal ringmappen in het Rijksarchief te Mons, konden we opmaken dat dit renteboek vermoedelijk dateert uit de periode 1220-1230.
De buren van Johannes de le Roke waren niet de minste :
In de persoonlijke nota's van de heer Léo Verriest vonden we een transcriptie van het vorige renteboek dat door hem gedateerd werd als zeker vóór 1212. Daarin staat geen de le Roke vermeld.
We vinden in beide renteboeken Willelmus a Longeville die aan de Sint-Maartensabdij pacht betaalde voor 8 tuinen gelegen in de Bruille, bijna alle andere tuinen veranderden in de tussenliggende periode van pachter.
Het volgende renteboek dateert van 1232.
Daaruit volgt dus dat we dit renteboek kunnen dateren tussen 1212 en 1232. Wanneer we de monniken enige regelmaat toedichten zouden we dus kunnen gokken op 1222. We kunnen dus besluiten dat Alardus de Vesenchiel deze tuinen rond 1222 pachtte, en dat Johannes de le Roke deze pacht overnam ergens tussen 1225 en 1230.
We kunnen daaruit ook opmaken dat Johannes de le Roke, Alardus de Vesenchiel en de familie li motons zeer nauwe kennissen van elkaar waren, en waarschijnlijk zelfs verwanten. In de Middeleeuwen konden zulke transacties slechts binnen een beperkte kring plaatsvinden!
Brictius li motons is de stamvader van het geslacht Moutons, in oorsprong genaamd de le Bruyere, en afkomstig van Celles-Molembaix.
Deze familie heeft gedurende vele decennia magistraatsfuncties in St.-Brice uitgeoefend. We merken hier terloops op dat Brictius' voornaam dezelfde is als die van de patroonheilige van de parochie waar hij schepen was... en waar hij dus woonde, en vermoedelijk ook geboren was.
In het cartularium van het Onze-Lieve-Vrouwenhospitaal van Oudenaarde bevindt zich een acte uit 1285 waarin Jan van Gavere, heer van Scoorisse, -en onder andere ook van Berchem- verklaarde dat hij zijn baljuw van Berchem belastte het Onze Lieve-Vrouwenhospitaal van Oudenaarde in het bezit te stellen van een jaarrente van 8 razuren rogge op 5 bunder land en een manoir op een plaats genoemd "hellebruec, gisant en la paroche de Quarmont", door Gillion Mouton van Doornik verkocht.
Gillion Mouton had deze rente voordien gekocht van Gillion d'Orke, een telg uit het Doorniks geslacht d'Orke.
Net op dié plaats, in de heylbrouc bachten tgoed ter Donkt, hield Arent van der Roken in 1501 een leen van de heer van Gruuthuuse...
Omdat Jan van de roke in 1422 schepen van Berchem was, vermoeden we dat de familie van de roke er toen al tot de leenmannen behoorde.
Mogen we daaruit besluiten dat de familie de le Roke, net als de Doornikse families Mouton en d'Orke, reeds in de 13de eeuw renten, lenen of gronden bezat in Berchem ?
Deze merkwaardige passage brengt Gilles Mouton, een nakomeling van Brictius en Walterus Moutons, die rond 1225 te Doornik tuinen pachtten naast Johannes de le Roke, in verband met de heylbrouc op de grens van Kwaremont en Berchem...de heerlijkheid waar de familie van de Roke op het eind van de 14de eeuw woonde...
Zoals reeds aangetoond werd bij de bespreking van Nicholès de le Roke, werd de plaats waar Johannes' tuinen waren gelegen, rond 1222 aangeduid als "ultra Brulium".
In het renteboek van 1232 werd de plaats waar deze tuinen gelegen waren, omschreven als "ad rupem ultra Bruleum".
Johannes de le Roke zou daar dus tussen 1225 en 1230 de exploitatie van een steengroeve begonnen zijn, zelf komt hij in het renteboek van 1232 niet meer voor, vermoedelijk was hij reeds overleden.
In 1280 werd deze steengroeve er nog steeds uitgebaat.
De familie de le Roke heeft gedurende meer dan 200 jaar gronden gehad in de Bruille, zij waren ongetwijfeld allen nakomelingen van deze Johannes.
Gezien er verschillende buren van Johannes de le Roke collega-schepenen van Nicholès waren, kan het niet anders dan dat beide zeer nauwe verwanten waren. Of we daarbij met vader Johannes en zoon Nicholès of met twee broers te maken hebben, kunnen we niet met zekerheid bepalen.
We kunnen ons daarbij de vraag stellen of Johannes deze tuinen kon pachten omdat Nicholès schepen was, of kon Nicholes schepen worden omdat (zijn vader ?) Johannes zich (door een huwelijk met een Mouton of een de Vesenchiel?) had kunnen opwerken in de hoogste patricische kringen...
Zoals dikwijls in deze vroege periode zijn we verplicht om soms verregaande conclusies vast te knopen aan kleine details...
Eén van de vaststellingen bij de vermeldingen van de familie de le Roke in de 13de eeuw, is dat de voornaam Jehan zeer dikwijls voorkwam; in de derde generatie waren er zeker drie.
Het was in de Middeleeuwen in vele families de gewoonte dat de voornaam van de "pater familias" werd doorgegeven aan elke eerst geboren zoon.
We konden vaststellen dat de families de le Roke en van de roke door de eeuwen heen dit klassieke stramien hebben gevolgd.
Uit eerbied en respect voor zijn vader noemde menige zoon in vroegere tijden zijn eerstgeboren zoon naar zijn vader.
De tweede zoon werd dan doorgaans genoemd naar de vader van de moeder.
De eerst geboren dochter kreeg meestal dezelfde voornaam als de moeder van haar moeder.
De volgende dochter werd dan naar haar grootmoeder langs vaders zijde genoemd.
Daarna kwamen de namen van vader en moeder zelf aan de beurt.
Wanneer één van deze eerst geborenen als kind overleed, werd het eerst volgende kindje dat ter wereld kwam dan ter herinnering aan zijn overleden broertje of zusje met dezelfde naam gedoopt.
Zo zette men als het ware de dood een hak, en hoopte men dat de goede eigenschappen van de overledene in de pasgeborene zouden kunnen terug gevonden worden, en hield men natuurlijk ook de herinnering aan de overledene in ere.
Enkele zeldzame keren gebeurde het zelfs dat een dopeling de zelfde naam kreeg als een zwaar ziek, "op sterven na dood", broertje of zusje, waarna dit tegen alle verwachtingen in de ziekte overleefde en er dan twee gelijknamige kinderen in één gezin waren.
Zo waren er op het eind van de 14de eeuw in het gezin Jehan de Bruyelle - Jehenne de le Rocque, naast gezinshoofd Jehan, ook twee kinderen met de naam Jehan de Bruyelle.
In het liber amicorum Johan Decavele gaan M. Boone en I. Schoups nog een stapje verder.
Zij zijn in hun dissertatie "Jan, Johan en Alleman : voornaamgeving bij de Gentse ambachtslieden (14de en 15de eeuw), een symptoom van groepsbewustzijn ?" van mening dat de keuze van de voornaam van een pasgeborene in de Middeleeuwen een zaak was van de peter, en -in mindere mate- van de meter.
Dit verhoogde de kans op een meer bewuste en geleide voornaamkeuze.
Een voornaam onthult immers veel : naast het specifieke onderscheidingskenmerk voor de naamdrager, wees zijn voornaam ook op zijn verwelkoming en opname in de familie, en op de integratie in de sociale klasse waartoe de familie behoorde.
De voornaam was verbonden met het collectieve eergevoel van de brede familie, en was de weerspiegeling van bepaalde normen en sociale gedragsregels, en gemeenschappelijke attitudes die de familie in ere hield.
Anders dan nu, waar de ouders van de boorling, die denken of hopen origineel te zijn bij de keuze van een voornaam voor hun oogappel, daarin dikwijls onbewust bepaalde modes volgen, was de voornaamgeving toen een belangrijke familie-aangelegenheid, en een zéér bewuste keuze.
Michael Bennet stelde in Engeland vast dat het doorgeven van de voornaam van peter op petekind vanaf de 12de eeuw in toenemende mate zou verantwoordelijk zijn voor een verschraling van het aantal namen.
Vanaf de 14de eeuw is er in Europa een algemene trend naar een beperkte variatie in voornamen, met de namen van enkele belangrijke heiligen voorop.
De hevige mortaliteitscrisissen in deze eeuw hebben dit proces ongetwijfeld versneld.
Het aantal voornamen van Germaanse oorsprong ging in het bijzonder in Vlaanderen en Picardië vanaf 1300 bruusk achteruit.
Aan het eind van de 15de eeuw noemde ongeveer 45% van de Franse mannen Jean.
We zullen verder kunnen vaststellen dat er in de familie de le Roke een grote concentratie Jehans, Jaks en Colarts was, deze namen kwamen generatie na generatie terug.
Het voorkomen van drie verschillende Jehans de le Roke in de derde generatie wijst er onmiskenbaar op dat zij alledrie kleinzonen waren van een Jehan.
Ook zonder 100% zeker schriftelijk bewijs kunnen we er volgens mij dan ook met vrij grote zekerheid van uitgaan dat de oudste de le Roke een Jehan was.
We beschouwen hem als de vader van Jehans, Egidius en Nicholès de le Roke.Als we deze redenering verder doortrekken, was deze Johannes dan de stamvader van het geslacht de le Roke.
Hij is vermoedelijk geboren rond 1160 à 1170 en overleden rond 1230.
Het was in deze periode dat de erfelijke familienamen zijn ontstaan.
Door zijn deelname aan de complexe stedelijke economie van de grootstad Doornik, en de daaruit voortvloeiende nood om op ondubbelzinnige wijze te kunnen geïdentificeerd worden, was hij waarschijnlijk de eerste die met de naam de le Roke werd aangeduid door de andere participanten in deze stedelijke samenleving.
Zoals Erik Verroken het treffend verwoordde werd de familie de le Roke op het eind van de 12de eeuw letterlijk en figuurlijk "een familie met naam", en de afstammelingen van Johannes de le Roke hebben met gepaste trots deze erfelijke familienaam van generatie op generatie doorgegeven.
II.B Egidius de le Roke (∃ 1232)
In het renteboek van de Sint-Maartensabdij uit 1232 vinden we Egidius de le roke.
![]() |
Hij betaalde tweemaal per jaar, met St-Remi, en met Pasen, een cijns van 8 denarii op zijn masure, gelegen en le cordewanerie, in de Notre Dame-parochie te Doornik.
Zijn huis grensde aan dit van Hellinus Portes, en de cijns op hun beider huizen werd enige tijd later betaald door Jacobus Morille, die blijkbaar beide masures had gekocht.
De rue de la Cordonnerie is nog steeds vlak bij de kathedraal gelegen, en werd in het renteboek van even vóór 1212 aangeduid als "vicus cordubanerie subtus templum Sancte Marie".
Naar Middeleeuwse gewoonte woonden de personen die hetzelfde beroep uitoefenden in dezelfde straat. In deze straat woonden dus de schoenmakers, en we mogen daaruit afleiden dat Egidius ook dit beroep uitoefende.
In volume 6 van Frédéric Godefroy's "dictionnaire de l'ancienne langue française et tout ses dialectes..." vinden we een fragment van een Doornikse chirograaf waarin Robiers de le Roke en zijn vrouw Mabile een "ravestissement" aangaan, een wederzijdse verbintenis waarin verduidelijkt wordt over welk deel van hun gezamenlijk vermogen de overblijvende echtgenoot kan beschikken bij overlijden van de andere huwelijkspartner, en wat die er kan of mag mee doen.
Zo'n verbintenis werd meestal gesloten tussen echtelieden die geen kinderen hadden.
II.A en III.A Jehans de Lerac, li pères et Jehans ses fius (∃ 1257 n.s.)
In het kader van de zoektocht naar overgebleven Doornikse chirografen, ontving professor Léo Verriest in 1946 een brief van M. Jurand, de bibliothecaris van de bibliothèque Méjanes in Aix-en-Provence. De heer Jurand had een kopie gemaakt van een moeilijk leesbare chirograaf uit januari 1257, waarin staat dat Jehans de Lerac li pères et Jehans ses fius een rente verkochten aan Paien de le cure.
De heer Verriest verbeterde terecht "de le cure" in "de le ture", maar wist geen raad met "de Lerac". Aangezien de heer Jurand zeker was van "de le" en blijkbaar slechts twijfelde aan "rac", rijst bij ons een stevig en justifieerbaar vermoeden dat we hier met vader en zoon de Leroc te maken hebben.
De rente waarvan sprake in deze chirograaf was gevestigd op twee woningen met aangrenzende grond in de rue de le Vigne, gelegen in de parochie Saint-Piat in Doornik-stad.
De kans dat er midden in de dichtbebouwde Middeleeuwse stad Doornik een wijngaard was, is wel bijzonder klein. Vermoedelijk werd deze straat genoemd naar de familie de le Vigne. In de Veil Rentier werd een Baudet de le Vigne vermeld als pachter van een leen te Flobecq, op een plaats genoemd "en le vigne"...
In 1294 en 1300 maakte een Paien de le ture zijn testament op. Daar deze testamenten allemaal verbrand zijn, weten we niet of dit tweemaal dezelfde Paien was, en wat de inhoud van dit testament zou kunnen geweest zijn.
In de nota's van de heer Verriest vonden we een fotokopie van een opsomming van rentes die dienden betaald worden aan Jehan Gargate, daterend uit 1339, waarin naast Jakemes de le roke le mercier, eveneens een Paien de le ture werd vermeld. Aangezien de families de le Roke en de le ture in 1339 tot eenzelfde klasse behoorden, met gezamenlijke kennissen, is de kans groot dat deze chirograaf uit 1257 inderdaad over vader en zoon Jehans de Leroc handelt.
Bovendien bestaat de kans dat deze chirograaf nog bestaat ... een bezoek aan de bibliothèque Méjanes in Aix-en-Provence is in één van de komende jaren gepland...
De n.s. na het jaartal 1257 is de afkorting van "nieuwe stijl". Eén van de eigenaardigheden van de Middeleeuwse kalender, is dat het officieel jaar toen niet begon op 1 januari, maar op Pasen. Om het jaartal aan te duiden in onze huidige manier van jaartelling, is het dus van belang te weten op welke datum Pasen viel in elk jaar. De data tussen 1 januari en Pasen behoren dan in de "oude stijl" nog tot het vorig jaar, zodat er één jaartal moet bijgeteld worden om deze data uit te drukken volgens onze huidige kalender -de "nieuwe stijl".
In de nota's van de heer Verriest bevinden zich ook een aantal fotokopies van transcripties van chirografen, gemaakt in de tweede helft van de 19de eeuw.
We kunnen er wel van uitgaan dat deze transcripties woordelijk juist zijn, aangezien archivaris F. Hennebert er eigenhandig heeft bijgeschreven "pour copie conforme" en dit heeft ondertekend met "l'archiviste Fred. Hennebert", waarna hij er een stempel "archives de Tournai" heeft op aangebracht.
Iemand (de kopieerder ?) heeft bovendien na het overlijden van archivaris Hennebert diens handtekening door de stad Doornik laten wettigen op 15 juni 1868, zodat ook de officiële Doornikse stadsstempel "sigilum urbis turnacensis" en de handtekening van een Doornikse schepen, in naam van de burgemeester, op deze transcriptie prijken...
Los van al dit fraais handelde het overgeschreven chirographum over Gras li Quatis, die in januari 1260 de rechten op 4 erven grond "bien et loiaument" teruggaf aan Giervais de le Roke.
Deze 4 erven waren vroeger eigendom geweest van Wllestecke (sic) en Watier le burier.
Mehaus Burier was nu schuldenaar van 70 "fais aan waranten" per jaar, betaalbaar in 2 keer. Zijn zonen Simon en Wathelet staan borg voor hem.
Gras li Quatis heeft de gelden die hij heeft ontvangen en de rechten op deze erven overgedragen in handen van Giervais de le Roke.
Deze akte werd bekrachtigd door Jakemes Costars als voir-juré, hij was de gezworene die kennis had genomen van de betalingsbelofte tussen de twee partijen.
Lambert de Raisse en Gosses Liénart waren "autre hommes", getuigen die beide partijen kenden.
Deze akte werd verleden voor de schepenbank van Saint-Brice.
We vonden nog een transcriptie van dezelfde auteur, met dezelfde handtekeningen en stempels, van een chirograaf uit december 1260 die handelde over de gevolgen van een moord, en de stopzetting van de daaruit voortgevloeide vete ...
Baudes le burier had de zoon van Jehan Costart vermoord, en als schadevergoeding werd in opdracht van de prévot, de gezworenen en de algemene vergadering der kiesmannen, een stuk grond verkocht, dat gelegen was nabij het kruispunt in de Bruille, tussen de grond van Lambiert de Rasse en die van Rogier as vakes, en van een masure die zich bevond aan de roke, waar Wauton le burier in woonde. De koper was Cholart del mortier.
Klaarblijkelijk waren de gelden die gegenereerd werden door de rechten die Giervais de le Roke had op het erf van Watier le burier, eveneens ten gevolge van deze moord, in beslag genomen geweest, en bevestigde de eerst aangehaalde chirograaf dat hij die rechten - vermoedelijk na een gerechtelijk onderzoek- terug had gekregen, samen met alle ondertussen door Gras li Quatis geïnde sommen.
We leren uit de tweede chirograaf ook dat die erven zich bevonden nabij het kruispunt in de wijk Bruille, bij de roke.
Ongetwijfeld was dit de plek waar ook Johannes de le Roke rond 1225 drie tuinen in pacht hield van de Sint-Maartensabdij, en er een steengroeve begon te exploiteren. Giervais was dus zeker een rechtstreekse nazaat van deze Johannes.
We konden uit andere chirografen, gepubliceerd door Armand d'Herbomez, vaststellen dat de familie li Quatis reeds in 1207 in de Bruille aanwezig was : Jehans li Quatis erkende een schuld aan priester Jehan Bocet, waarbij Jakemes Costars voir-juré was, en Lambiers de Raise en Jernols Kiersemake autre homme. Al deze namen komen ook voor in de chirografen van 1260.
In 1212 erkende Jehans li Quatis, fius Jehan Quatis qui fu, een schuld aan zijn tante Katherine.
In een andere chirograaf was Wautier Mouton autre homme voor Jehans li Quatis...
Een chirograaf uit april 1263, gekopieerd door de heer Gilissen in 1888, en op heden te vinden in de "papiers Verriest" in het rijksarchief te Mons, leert ons :
Henris li Grans heeft in naam van Pieronne en Marien, dochters van de overleden Baudon Rousiel, een huis met bijgebouwen, gelegen in de rue des Corriers tussen het huis van Jakemon li Bouclier en het bijgebouw van Baudès li Vakier, verkocht aan Biertrans Sains Dieu.Op dit huis golden enkele erfelijke rechten en renten :
Biertrans Sains Dieu moest elk jaar een erfelijke rente van 1 artesiaanse florijn betalen aan de Tafel van de Heilige Geest, de armendis (een soort voorloper van de OCMW).
Er diende een cijns van 6 loenesiens aan de reffectoir van het kapittel van de Notre Dame-kathedraal betaald te worden, evenals een jaarlijkse rente van 6 paresis en 2 kapoenen, en het in bruikleen geven van een (hooi?)vork.
Er moest met Kerstmis ook een jaarlijkse rente van 1 kapoen en 2 loenisiens betaald worden aan Jehan Deleroke.
Baudes Vakier erkent voor de schepenen dat hij die rente, gevestigd op een bijgebouw grenzend aan zijn huis nog moest betalen.
De rue des Corriers was -en is- gelegen in de Sint-Jacobsparochie in Doornik-stad, en was de straat waar de leerbereiders de huiden prepareerden.
Wellicht was deze Jehan betrokken bij de leerbewerking.
Aangezien Jehan Deleroke een rente had op een huis waarop ook het kapittel een cijns had, moet hij een vrijgewijde van dit kapittel geweest zijn.
Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is deze Jehan de vader van Jakemes de le roke die in 1289 op zijn 4 huizen een rente aan de Cellier van het Kapittel betaalde.
J. Vos publiceerde in deel XII van de Mémoires de la Société Historique et Littéraire de Tournai het cartularium van de Doornikse St-Medardabdij, ook genoemd Saint-Nicolas-des-prés.
In februari 1272 werden in een oorkonde, bekrachtigd door de schepenen van Kalone, de rentes opgesomd waarop de abdij van St-Nicolas-des-prés in die gemeente recht had.
Calonne bevindt zich even ten zuiden van Doornik.
De abdij had een stuk grond gekocht van Dame Annies dele Roke, en had daardoor recht op een rente van 1 louysien.
Annies dele Roke had er nog een stuk grond, gelegen in de richting van Antoing, en moest daarvoor 2 louysiens rente betalen.
De gronden ertussen worden omschreven met het toponiem le roke le Moigne, en alles wijst erop dat de gronden van Dame Annies de le Roke gelegen waren nabij een roke, en dat zij betrokken was bij de exploitatie van een steengroeve.
Als schepenen van Calonne werden vermeld : Jehan Fures, Morkedens, Vincans de Kalone en Willaumes Renars.
De naam van de familie Morkedens komen we verder nog eens tegen : zie de vermeldingen van Gommer de le Roke.
Zij exploiteerden de steengroeve Calenelle tussen Cherq en Calonne.
De term "dame" werd doorgaans gebruikt voor weduwes. Aangezien wij slechts één vermelding hebben van deze dame Annies dele Roke, kunnen wij slechts vermoeden dat zij de weduwe van de vader van Gommer de le roke was.
Het "régistres des faides", uit de periode 1273/1280, is een boek waarin de uitspraken van de Doornikse gezworenen zijn opgenomen inzake familievetes. Ze probeerden de vete op te lossen, en de vrede te bewaren door allerhande boetes, verboden en verplichtingen op te leggen aan de betrokkenen.
Op Pinksterdag 1274 moest Baudès Roke, li tendere, in het openbaar aan het Belfort op de Grote Markt, verzekeren aan de gezworenen van de stad Doornik en het aanwezige publiek, dat hij Monnart li Vent geen lichamelijke schade zou toebrengen.In 1280 werd Monnès li Vens wegens inbreuken tegen de gemeentelijke wetten veroordeeld tot een boete van 20 sous en wegens kleine criminaliteit tot 50 sous.
Baudès Roke werd specifiek aangeduid met zijn beroep "li tendere".
Wanneer de wollen stoffen van de weefboom kwamen, kon men nog duidelijk de draden van de ketting en de inslag afzonderlijk waarnemen.
Een volder behandelde de wollen stoffen zodanig dat ze krompen en verviltten, waardoor een effen stof werd verkregen, waarin de draden van de ketting en de inslag niet meer te onderscheiden waren.
Een "tendere" of "tendeur" was verantwoordelijk voor het opspannen van de gevolde stof op grote houten "ramen", zodat die niet vervormde tijdens het drogen.
![]() |
Op het panoramisch zicht van Gent, daterend van 1534, ziet men duidelijk deze "ramen" met opgespannen lakens in de droogweiden, net buiten de stad.
In vele steden die tijdens de Middeleeuwen befaamd waren voor hun textielproduktie treft men heden te dage in de straat- en wijknamen nog verwijzingen naar deze "ramen".
Na deze behandeling werden de wollen stoffen dikwijls nog gekaard, gekamd en geschoren, waardoor een nog gladder oppervlak werd verkregen.
Baudès Roke was de eerste verwant die in de textielindustrie werkzaam was.
De achternaam van Baudès werd geregistreerd zonder voorzetsel en lidwoord. Dit is niet ongewoon, doch gebeurde niet zo dikwijls.
In het poortersboek van Ath van 1365 werd een Baudes Roke als buitenpoorter ingeschreven, die afkomstig was uit Buissenau, een buurgemeente van Ellezelles ! (zie de familie de le Roke in Flobecq en Ellezelles)
In het "régistre des faides" vinden we in 1275 ook Jehan de le Roke, le patrenostrier.
Jehan li Arriers en Jakemins li Sieliers de le Lormerie gaven aan Jehan de le Roke, le patrenostrier, de veiligheidsverzekering dat ze hem en de zijnen ongedeerd zouden laten.
Deze zekerheid gold overal aangezien deze belofte werd afgelegd "voor de wet van de stad", een standaarprocedure die werd gevolgd bij stadsambtenaren : een lid van de magistratuur van Doornik die een veiligheidsgarantie ontving hoefde er zelf geen te geven.
Daardoor weten we zeker dat Jehan de le Roke, le patrenostrier, een officiële functie uitoefende.
Hij staat niet vermeld in de lijsten van de hogere magistraten, en was dus een lagere ambtenaar van de stad. Welke functie hij juist uitoefende konden we nog niet vinden.
Bij de naam van Jakemins li Sieliers werd bijgevoegd dat hij "in de Lormerie" woonde. Blijkbaar had deze Jakemins geen erfelijke achternaam, en werd hij op ondubbelzinnige wijze geïdentificeerd door zijn beroep en zijn woonplaats te vermelden.
Met "lormerie" werden de voorwerpen aangeduid die werden geproduceerd door de spelden- en spijkermakers en de zadel-, sporen- en harnassenmakers, zij woonden in de rue de le Lormerie.
Reeds vanaf 1240 was dit de straat bij uitstek waar de handelaars woonden.
Deze rue de le Lormerie sloot aan op de rue de le Cordewanerie, waar de schoenmakers woonden (zie ook Egidius de le Roke in 1232).
Daar Jehan de le Roke, le patrenostrier, bij deze zaak betrokken raakte uit hoofde van zijn officiële functie, kan worden vermoed dat hij connétable was voor de rue de le Lormerie, een volksmagistraat met verantwoordelijkheid voor één of enkele straten in de stad,... een straathoekwerker avant-la-lettre.
In 1278 gaf Thumas de Havines de "seurté" vanwege hemzelf en de zijnen aan Jehan le Patrenostrier en de zijnen, in volle halle in aanwezigheid van de provoosten en de gezworenen.
De vermelding le patrenostrier verwees naar het beroep van deze Jehan...
E. Van Der Hallen schrijft in "het Gentse Meerseniersambacht (1305-1540)" dat paternosters uit Milaan, vervaardigd uit amber of koraal, hebbedingetjes die toen zeer goed in de markt lagen, door de merciers van Toulouse werden ingevoerd in Doornik.
Van daaruit verspreidden de Doornikse meerseniers ze over de Nederlanden.
Wellicht was deze Jehan één van die merciers.
Het beroep van mercier bespreken we verder bij Jak de le roke li mierchier, de zeer waarschijnlijke kleinzoon van deze Jehan de le Roke, le patrenostrier.
![]() |
Op het schilderij "de lezende Magdalena" rond 1445 geschilderd door Rogier Van der Weyden -in Doornik geboren als Rogier de le Pasture, en aldaar gewoond hebbende in de rue de le roke, rechtover het kerkhof van de St.-Nicaisekerk- zien we op de achtergrond dat Jozef in zijn hand een amber paternoster houdt.
![]() |
Tijdens archeologische opgravingen in het centrum van Ierlands oudste stad Waterford tussen 1986 en 1992 werden twee zeer oude amber paternosters gevonden.
Ze worden gedateerd rond 1250, doch zijn vermoedelijk ter plaatse gemaakt.
Ze bevinden zich in de collectie van het Waterford museum en via de volgende links naar de website "askaboutireland.ie" zijn foto's te zien van een grote amber paternoster en een kleinere amber paternoster.
De grote paternosters werden gebruikt door de vrouwen, de kleinere exemplaren door de mannen...
In de registre de la loi van het dienstjaar 1279-'80 werd de inschrijving als poorter genoteerd van Ernouls de Broussiele, le patrenostriers d'ambre.
In hetzelfde jaar werd ene Raouls li Patrenostriers veroordeeld tot een boete van 100 sols, in het register van het jaar 1280 - '81 werd Lambekins le Patrenostriers veroordeeld tot een boete van 10 pond.
In de bibliothèque nationale de Paris bevinden zich enkele honderden originele Doornikse chirografen.
In een chirograaf uit 1304 kunnen we lezen dat de timmerman Gilles li Hourderes li peres een huis heeft verkocht aan Renaut le Forceteur.
Dit huis bevond zich "en le roke", tussen het huis van Jehan Trigaut en het huis dat vroeger van Jehan le patrenostrier was geweest.
In deze periode werd een zelfde persoon niet altijd met zijn volledige erfelijke achternaam genoteerd, maar soms slechts met zijn voornaam en zijn beroep... zeker als die niet persoonlijk aanwezig was, of reeds overleden.
Ik durf zonder twijfel besluiten dat Jehan le patrenostrier die "en le roke" had gewoond dezelfde persoon was al Jehan de le roke, le patrenostrier.
We ontmoeten hetzelfde verschijnsel ook bij Jéhennés de le Roke con dist Chanteriel in 1281, die soms werd geregistreerd als Jéhennés Chantereau.
In zijn studie over "les tapisseries de Tournai", gepubliceerd in volume XXII van de Mémoires de la Société Historique et Littéraire de Tournai uit 1891, geeft E. Soil de Moriamé een (kort) uittreksel uit het testament van Jeanne d'Estampes, de weduwe van Jehan le Patrenostrier, daterend uit 1335.
Ze schonk voor haar zieleheil en dat van haar man 2 kussens versierd met planten, struiken en vogels, om op het kansel van de Ste-Magdelaine parochie te leggen.
Léo Verriest publiceerde in 1905 in "Les registres de justice, dits registres de la Loi" de drie oudste bewaard gebleven registers van de jaren 1275-'76, 1279-'80 en 1280-'81.
In zijn inleidend betoog stipt de heer Verriest het onschatbare belang van deze unieke reeks Doornikse registers, die quasi ononderbroken doorliep van 1313 tot 1570, aan.
Zowel de genealogie, de politieke geschiedenis, de economische geschiedenis, de geschiedenis van het recht, de filologie, de folklore, enz. konden er waardevolle gegevens uit putten.
Hij hoopte dat na de publicatie van de oudste drie registers, ook de anderen uit de reeks zouden uitgegeven worden. De heer Verriest zelf heeft het register van 1302 uitgegeven. Helaas zijn de andere registers tijdens de brand ten gevolge van het bombardement op Doornik in mei 1940 allemaal verloren gegaan zonder dat ze werden gepubliceerd, en kunnen wij slechts putten uit de vier door de heer Verriest in extenso gepubliceerde registers.
We kunnen ons moeilijk voorstellen wat een schat aan gegevens wij in de andere registers zouden hebben kunnen vinden !
De registers beginnen elk dienstjaar, dat steeds begon op 13 december, de feestdag van Sainte Luce, met de lijst der magistraten.
Na de magistraatslijsten volgden de namen van de personen die gedurende dat jaar werden aanvaard als nieuwe poorters. Deze burgers waren mensen van het platteland, die zich in Doornik hadden gevestigd om er hun beroep uit te oefenen. Zij dienden als poorter te worden voorgedragen door een "peter", zelf poorter van de stad.
De nieuwe burgers moesten een plechtige eed afleggen, en een bepaalde som betalen, afhankelijk van hun sociale status. Zo moest een gezinshoofd bijvoorbeeld een minimale som betalen.
Zonen van poorters moesten niets betalen, en genoten vanaf hun jeugd bepaalde voordelen.
Wanneer iemand als straf zijn poorterschap van de stad werd afgenomen, was dat niet definitief; na betaling van een som, de "rachat", aan elk der 30 gezworenen, kon men zijn burgerrechten en privilegies terug verwerven. Deze som kon oplopen tot 5 pond per gezworene.
Daarna volgden de veroordelingen ten gevolge van inbreuken tegen de gemeentelijke wetten. De normale boetes waren 20, 40, 50, 100 of 200 sous, de buitengewone boetes konden 60 ponden of 100 marken bedragen (er was in Doornik een familie Centmarcs, en in Gent een familie Honderdmark, die misschien hieraan hun naam "te danken" hadden), de verbanning kon uitgesproken worden voor 1, 3 of 7 jaar, of een eeuwige verbanning uit de stad, de zwaartse straf was de doodstraf.
De straffen werden uitgeroepen, en aangeplakt aan alle kruispunten, zodat afwezigen zich bij hun terugkeer in de stad konden in regel stellen. Overschrijding van de wettelijke termijn gaf aanleiding tot een nieuwe veroordeling en een nieuwe straf, zoals amputatie van een teen (!) of enkele zweepslagen.
Daarna volgden de namen van de "cachiés à cloke".
In de "Revue Tournaisienne" van 1914 ging Léo Verriest dieper in op de term "caches à cloke" :
In de Picardische taal betekende het werkwoord "cacher" zoeken, de stam is verwant met het Franse "chercher". Een "cache à cloke" was een gewapende expeditie onder leiding van één van de prévots van de stad, met als doel een misdadiger op te sporen, en hem naar Doornik te brengen om er zijn straf te ondergaan. Bij het luiden van de klok, de "cloke", moesten alle burgers zich,
voorzien van hun wapens, verzamelen op een bepaald punt om de prévot te vergezellen. Afwezigheid werd bestraft met een boete van 10 pond, en het verlies van poorterschap.
Doorgaans had de achtervolgde misdadiger een aanslag op een persoon gepleegd, die daarbij in levensgevaar was gebracht, of overleden.
![]() |
Het groot zegel van de gemeente Wailly uit 1281 toont ons de burgemeester te paard, gevolgd door met pijken gewapend voetvolk. Dit geeft ons een mooi beeld hoe een gemeentelijke cohorte die ten strijde trok, er toen moet hebben uitgezien.
Het initiatief van een "cache à cloke" werd genomen door de verwanten van het slachtoffer, die bij de prévots of bij de gezworenen konden klacht neerleggen, de verantwoordelijke en zijn vermoedelijke verblijfplaats aanduiden, en gerechtigheid eisen.
Het college van gezworenen en prévôts kon dan beslissen of een "cache à cloke" werd georganiseerd, of niet.
Een "cache" mocht maar één dag duren, van zonsopgang tot zonsondergang, en voor een gepleegde aanslag mocht maar één "cache" ondernomen worden.
Wanneer de gezworenen tot een "cache" hadden besloten, werd door de herauten de dag omgeroepen waarop deze zou worden georganiseerd.
Op die dag werden de twee grote klokken van het belfort, de "bancloke" en de "wigneron" geluid, en werden de twee daartoe bestemde banieren gehesen.
Op dat moment stopte iedereen zijn bezigheid en bewapende zich en begaf zich naar de grote markt.
Een "cache" uitgevoerd in 1217 (!) vermeldde dat de provoost te paard op kop reed, gevolgd door de gezworenen, de schepenen, de éwardeurs en alle hoge stadsfunctionarissen, met wapperende banieren van de koning. Daarna kwamen de rijke burgers met hun harnassen en blinkende wapenuitrusting, met open vizieren. Ten slotte volgden de massa kleine burgers en gewone lieden, de ene gewapend met een pijk of lans, de andere met een boog, een degen of een ijzeren staaf.
Op een gegeven teken zette heel deze stoet zich in gang, en begaf men zich naar de plaats waarvan men vermoedde dat de misdadiger er zich bevond. Dichtbij het doel gekomen hield men halt, en iedereen maakte zich klaar voor de aanval. Een speciale formule werd omgeroepen waarbij de opgespoorde aangemaand werd zich over te geven.
Indien die werd gesnapt, werd die geboeid aan de handen en rond de hals, en onder begeleiding van de hele gewapende groep werd hij naar Doornik gebracht.
Bij doodslag of moord werd de "cachié" voor het gerecht gebracht, en de gepaste straf uitgesproken. Indien het slachtoffer in levensgevaar verkeerde, maar niet overleden was, werd de schuldige geketend opgesloten in de kerker, totdat de door de stad beëdigde dokters de gekwetste buiten levensgevaar verklaarden, waarna de schuldige voor het gerecht werd gebracht om zijn straf te horen uitspreken. Dat kon naast de vergoeding voor de medische kosten een zware boete zijn, het verlies van poorterschap of een pelgrimstocht naar één of ander afgelegen bedevaartsoord.
Niet van alle caches waren de gegevens tot in 1914 bewaard gebleven, en de auteur kon slechts een 40-tal plaatsen aanduiden waarheen een zoekexpeditie was georganiseerd tussen 1217 en 1328.De heer Verriest maakte de bedenking dat deze omslachtige procedure vermoedelijk enkel gold bij "caches" waarbij de misdadiger zich buiten de muren van Doornik bevond.
Gedurende het politiek zeer geladen jaar 1275-'76 werden niet minder dan 36 "caches" uitgevoerd!
In het register van 1275-76 vinden we bij de "cachiet à cloke" de naam van Jehan de le Roke.
Welke misdaad hij had begaan, en waar men hem heeft moeten opsporen weten we helaas niet.
In hetzelfde jaar werd, op de dag na St-Barnabas de apostel, een cache uitgevoerd op Willaumes Gargate, omdat hij bewust zijn paard op de grote markt had laten lopen, en daarbij een jongeman zwaar gekwetst had en in levensgevaar gebracht.
Onder andere Jehan, de zoon van ridder Alart de Haudion, Jakemes Lapars en Colins Boukine werden in 1275 opgespoord.
Tussen de zeldzame overgebleven originele archiefstukken van Doornik-stad vonden we drie oude renteboeken van de Sint-Piat-parochie die dateren van rond 1280.
Eén van die renteboeken behandelde de huizen in de net afgesplitste parochie Sainte-Cathérine.
In de "ruelette si con va as freres" bezat Baudouin de le roke een huis, waarvoor een rente moest betaald worden aan de parochie st.-Piat. Huurder van de woning was Amourris Briffaus, en het huis stond naast dat van dame Kateline li Bouchière en tegenover de huizen van Jakemon li neccre en Thumas fromont (deze was schepen van Doornik-stad).
Het straatje waarvan hier sprake was de rue des Freres Mineurs, de huidige rue des Recollets.
Deze Baudouin de le Roke zou kunnen dezelfde persoon zijn als Baudes Roke, of een neef.
In 1263 was ene Baudouin Nicholès de la Roke schepen van de stad Nijvel.
Verder onderzoek zal moeten uitwijzen of deze persoon tot "onze" familie de le roke behoorde, maar zijn voornamen en zijn functie als schepen zijn veelbelovend.
In de buitenpoortersboeken van Ath staat er in 1363 een Baudes de le Rocque en in 1364 een Bauduin de le Rocke uit Montegny, een plaatsje iets ten zuidwesten van Ath, en in 1365 een Baudes Rocke uit Buissenau, een buurgemeente van Flobecq.
Zeer waarschijnlijk zijn dit nakomelingen van deze (twee) Baudouin(s).
Gommer de le roke (∃ ~1280)
In de twee andere renteboeken staan "les rentes dou lummare Saint-Piat en estet" en "les etats de revenus des rentes en yvier" genoteerd, een soort "zomerrenteboek" en "winterrenteboek" dus.
In beide boeken staat Gommer de le roke geregistreerd. Hij betaalde 18 denieren rente voor een weide in Calonne "con appiele le commun pret", de gemeenschappelijke weide van de omwonenden.
Jehans Morkendieu en Vincans godins huurden deze weide, later werden agnes morkendieu en dame jehane le carlière pachtsters.
Jehans Morkendieu was in 1272 schepen van Calonne, en de familie Morkendieu nam de exploitatie waar van de steengroeven te Calenelle, gelegen halfweg tussen Cherq en Calonne, even ten zuiden van Doornik.
Er zijn aanwijzingen dat deze roke reeds in 1282 in het bezit was van de Sint-Maartensabdij.
In 1314 namen Pierre de Saint-André en Jean li Clerc, dit Morkendieu de exploitatie van deze roke waar, in 1330 waren dat Jakemes en Antoine de Morkendieu.
In het wetsregister van het dienstjaar 1280-1281, gepubliceerd door Léo Verriest, staat dat de genaamde Jehennés de le Roke, c'on dist Canteriel een boete had opgelopen van 10 pond, en zijn poorterschap was afgenomen, omdat hij Laperiel in volle halle, voor provoosten en gezworenen had uitgemaakt voor verrader.
Hij moest een boete van 40 sous betalen aan alle 30 gezworenen, en werd nog een tweede maal tot een boete van 10 pond veroordeeld.
Net na de twee boetes van Jehennés de le Roke, c'on dist Chanteriel stond een gelijkaardige boete genoteerd voor Jakemes de Bruiele. Hij werd veroordeeld tot 10 pond boete en werd zijn poorterschap ontnomen, eveneens "à l'amende des jurés", omdat hij iemand had uitgescholden in de halle, in aanwezigheid van de gezworenen.
Uit vorige en volgende teksten kunnen we opmaken dat beide veroordelingen werden uitgesproken tussen 16 juni en 19 augustus 1281.
Tussen de feestdag van st-Mahiu en de 10de dag van oktober werd Jakemes de Bruiele, li pareres, samen met Robin d'Ausnoit, opnieuw een boete van 10 pond aangerekend, verkwanselde hij opnieuw zijn poorterschap en moest hij alweer 40 sous betalen aan alle gezworenen, omdat hij zijn counestable had uitgescholden.De boete van 10 pond werd meestal gekoppeld aan het verlies van poorterschap, en werd opgelegd wegens geweld tegen poorters of hun kinderen, zelfs buiten het rechtsgebied van Doornik; het beschadigen van hun woning; het bezoeken van iemand die een poorter schade had berokkend; een vals getuigenis; de belediging van een lid van de magistratuur of hun agenten; het verwerpen of bekritiseren van een beslissing die door de Raad van de stad was genomen.
Uit het wetsregister van 1275-1276 weten we dat Jakemins Lapars werd opgespoord in een "cache à cloke", net als Jehan de le Roke.
In datzelfde jaar werd hij ook veroordeeld tot 10 pond boete "pour assaut", voor een aanval.
In 1278 sloot hij in de Doornikse halle vrede met vader en zoon Jehan le Blètepoire, zowel Laperiel als Blètepoire moesten op pelgrim naar Warnieville, en moesten er de processie meedoen.
In 1280 moest Jak. Lapars opnieuw op pelgrim naar Warnieville omdat hij een knecht had geslagen...
Op 16 mei 1281 werd Jakemes Lapars veroordeeld tot een boete van 40 sols. Ook Colars Bletepoire en Hues Bierenghier werden op 5 september 1281 veroordeeld tot een boete van 40 sols. Jehan Sains Dieu en Hanoke Bierenghier elk tot 100 sols, de nacht van de bekering van St.-Paulus ...
Op de nacht van St.-Pieter, begin augustus 1282 werd Jehan Lapereaus verroordeeld tot 100 sols boete, en 2 regels verder had Jehennés Chantereaus opnieuw twee maal 100 sols boete opgelopen.
Waarschijnlijk behoorde deze Laperiel tot de lagere magistratuur, en werd Jehennés de le Roke c'on dist Chanteriel wegens het beledigen van een magistraat in functie veroordeeld tot de standaardboete. Wellicht gaf hij daarbij nog wat commentaar op deze beslissing, wat hem nog eens een boete van 10 pond kostte.
In totaal liep Jehennés een boete op van 70 pond, dit was ongeveer het dubbele van het jaarloon van een meester-schrijnwerker in Doornik in 1275!
Aangezien hij deze boetes opliep samen met Jakemes de Bruiele, leggen we hier de link met Jehane de le Roke die twee generaties later gehuwd was met Jehan de Bruyelle, wellicht een verwant van deze Jakemes.
In de registre des faides blijkt dat Jehennés betrokken was in een vete tussen Hennoke Biérenghier en zijn zoon Jehan en Bertrans Sains Dieu, en zijn zonen Jehan en Monnet, en de families Castagne en Parage.
Lokette, een verwant van Hennoke Biérenghiers was vermoord, en Hennoke moest voor de prévot en de gezworenen verzekeren dat hij geen kwaad zou berokkenen aan Jehan dou Crissant en Chanteriel.
We vonden in het wetsregister van 1302 dat Jehan Biérengier, c'on dist Hanoke, op 4 juni een boete van 10 pond had opgelopen, 40 sous aan elk van de 30 gezworenen, en zijn poorterschap kwijtspeelde, omdat hij geweigerd had al het graan dat hij buiten de stad bewaarde, naar Doornik te brengen, zoals aan iedereen was opgelegd.
Op 12 september 1302 werd Jehans Bierengier, c'on dist Hanoke, veroordeeld tot 4 keer 40 sous wegens beledigingen aan de beenhouwers. Hij diende op pelgrimstocht te gaan naar Vendôme.
Bertrans Sains Dieu ontmoetten we reeds in 1263, wanneer hij een huis kocht in de rue des corriers, waar Jehans de le roke een rente op bezat. Jehennés was met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn zoon.
De naam Jehennés is een variant van de naam Jehan, deze naam komt dikwijls voor wanneer ook de vader Jehan heette.
De specificatie c'on dist Chanteriel, wijst er waarschijnlijk op dat hij een functie had in de Chanterie van het kapittel, en hij zal dus enig muzikaal talent hebben gehad. Bovendien werd hij zo op een ondubbelzinnige manier onderscheiden van de andere Jehans de le Roke.
Blijkbaar werd de bijnaam Chanteriel soms ook als zijn enige achternaam gebruikt. Misschien is hieruit een familie Chanteriel of Chantereaus ontstaan ...
In de persoonlijke nota's van Léo Verriest bevinden zich transcripties en enkele fotokopies van ongeveer 1000 chirografen uit de 13de eeuw. Een fractie dus van wat er tot in 1940 werd bewaard in het Doornikse stadsarchief.
Een fotokopie van een chirograaf uit januari 1282 verdient onze bijzondere aandacht.
![]() |
Gilles de le roke bezat een rente op de masure van de overleden Jehan Bavencoke, op de hoek van de grande rue st.-Jakemes, tussen de woning van Jehan le Marescal en de "rue si con vas as feres".
Aangezien die rente niet tijdig betaald werd, liet Gilles voor de tweede maal beslag leggen op deze masure.
Jakemes li potiers werd de nieuwe huurder van dit erf.
Boudouin de le Roke had in diezelfde "rue si con va as freres" een woning, en was dus een nauwe verwant van deze Gilles.
De naam Gilles is de Romaanse vorm van de Latijnse voornaam Egidius, en ook Gilles en Egidius de le Roke zullen dus vermoedelijk vader en zoon geweest zijn.
In het tiende volume van de "dictionnaire de l'ancienne langue française et tous ses dialectes" van de heer Frédéric Godefroy vinden we een fragment uit een chirograaf uit februari 1288 die werd geregistreerd voor de schepenbank van St.-Brice, met als opschrift : "c'est les enfans Magrite de le Roque".
De tekst luidt : "Qu'il en fisent des rechoites le pourfit des enfans le mius qu'il poroient, sans usure."
Iemand kreeg de opdracht om een handeling uit te voeren of om iets te verkopen, waarbij die diende te proberen om zoveel mogelijk winst te maken voor de kinderen van Magrite de le Roque, zonder daarbij oneerlijke praktijken toe te passen.
Vermoedelijk gaat het hier over een beslissing van de schepenbank in het kader van haar bevoegdheid over wezen.
In "Miscellanea Tornacensia", het verslag van het 33ste congres van de Fédération Archéologique et Historique de Belgique, dat plaats vond in Doornik van 4 tot 8 september 1949, leverde A. Pasture een "Contribution à l'onomastique de la région Tournaisienne à la fin du XIIIième siècle".
Hij constateerde daarbij met grote vreugde dat bij de stadsbrand in mei 1940 de archieven van het Kapittel van de kathedraal door een gelukkig toeval van de totale vernietiging werden gespaard.
De archiefstukken werden (en worden) bewaard in twee zaaltjes in een zijbeuk van de kathedraal, waarvan het plafond als een stenen voute is gebouwd.
Het dak boven deze zaaltjes ging volledig in de vlammen op, maar deze twee ruimtes en hun inhoud bleven gespaard!
Deze rijke archieven bevatten onder meer cartularia en cartulaire registers.
Het capitulair register nr 384 is een overzicht uit 1289 van de rentes en cijnzen op huizen die particulieren moesten betalen aan het "grand Office du Cellier" van het kapittel.
Het cartularium B is een echt polyptiek, een volledige inventaris van de goederen en renten die op het eind van de 13de eeuw toebehoorden aan datzelfde "grand Office du Cellier".
De inkomsten uit cartularium B waren bestemd om te voorzien in de dagelijkse kosten van de kanunniken.
Het manuscript 385 is vergelijkbaar met het capitulair register 384, maar dateert uit 1455.
A. Pasture meldde ons nog dat er in dezelfde archieven een belangrijke verzameling van renteboeken bestaat die loopt van 1245 tot aan het eind van het Ancien Régime.
Dit archief is een privé-archief, en het was tot voor kort ook voor ons niet toegankelijk.
Zeer onlangs zijn wij via mevrouw Anne Dupont in contact gekomen met archivaris professor Jacques Pycke, en kregen wij de toestemming om in het kapittelarchief opzoekingen te doen.
Het capitulair register uit 1289 bevat de rentes die de er geregistreerde personen op st.-Remi en met Kerstmis moesten betalen aan de "grand Office du Cellier" van het kapittel.
Binnen Doornik waren deze rentes geordend per parochie, en per straat, en van vele woningen werd vermeld uit welk materiaal ze waren opgetrokken, en hoe ze er ongeveer uitzagen...
![]() |
In 1289 betaalde Jakemes de le roke een rente voor twee huizen in de parochie Saint-Nicaise, in de rue de le roke!
Het ene huis bevond zich aan het kerkhof van St.-Nicaise, naast het huis van Jehan de vervin, dat zich bevond "en le rue ki de le porte prime retourne a le rue de le roke", meer bepaald tussen de stadsomwalling en de ingang van de roke.
Jakemes' huis stond dus op de hoek van de rue de le roke, en de straat die naar de St.-Maartensabdij ging.
Deze passage bewijst trouwens boven enige twijfel dat er daar in 1289 nog effectief een roke werd uitgebaat!
Het tweede huis waarvoor Jakemes een rente betaalde, bevond zich in de rue de le roke, op het kerkhof van de St.-Nicaisekerk, rechtover zijn ander huis.
Op het stadsplan van Doornik, opgesteld rond 1617 door Braun en Hogenberg, onderscheiden we rechts onderaan de St.-Maartensabdij en de porte Prime, en centraal in dit detailbeeld de in 1771 afgebroken St.-Nicaisekerk in de rue de le roke, die duidelijk evenwijdig loopt met de eerste stadsomwalling.
Deze gegevens laten ons toe deze twee huizen perfect te situeren op de beide hoeken van de rue roc Saint-Nicaise, de rue roquette Saint-Nicaise en de rue du Ballon, de huidige namen van de rue de le roke en de "rue ki de le porte prime retourne a le rue de le roke".
![]() |
de St.-Nicaise-parochie in 1617
Jakemes de le roke betaalde bovendien ook een rente voor twee huizen in de parochie Saint-Piat!
Het ene huis was gebouwd in steen, het ander in hout en ze bevonden zich in de rue Mierdenchon, op de oever van de Schelde.
![]() |
De oever van de Schelde in de wijk St.-Piat werd in 1259 omschreven als "là où on taille pierre", de latere quai taille-pierre.
In zijn manuscript "Vieux Tournai ou Vestiges du Passé Tournaisien" uit de periode 1909-1911, bewaard in de bibliotheek van Doornik in het fonds der nieuwe manuscripten onder nummer XIVn, omschrijft Paul Rolland de quai taille-pierre als de plaats waar men de stenen uit de Doornikse rokes bewerkte en per boot exporteerde.
Ook B. Du Mortier schreef in zijn artikel over het belfort van Doornik dat de stenen die werden gebruikt om het belfort te herstellen in 1396 per boot werden aangevoerd uit de rokes van Saint-Andrieu te Chercq en van Callenelle te Antoing gelost werden "en la Taille Pierre".
De rue Merdenchon was gelegen tegen de eerste ommuring van de stad, en wordt door A.F.J. Bozière in "Tournai Acien et Moderne" omschreven als "zelden gefrequenteerd en verbazingwekkend onproper".
In een oud manuscript van het kapittel werd naar deze straat verwezen als "vicus merdo".
In de 13de en 14de eeuw woonden er verscheidene leerlooiers, wat de geur en de properheid in de straat evenmin zal bevorderd hebben...
Nog volgens Bozière werd in een klein huisje in deze rue Merdenchon in augustus 1349 voor het eerst de pest vastgesteld...
![]() |
de St.-Piat-parochie in 1617
Jakemes dele roke bezat dus twee huizen in de St.-Piat-parochie, aan de oever van de Schelde, en twee huizen in de St.-Nicaise parochie, in de rue de le roke nabij de ingang van de roke en het kerkhof van Saint-Nicaise...
Maakte en verkocht hij grafzerken of herdenkingsstenen op het kerkhof, en dienden de huizen aan de Scheldeoever voor het bewerken van de stenen uit de roke en het looien van leder... en voor de aanvoer van grondstoffen en voor het verzenden en uitvoeren van deze -of allerlei- afgewerkte produkten naar andere steden, gelegen aan de Schelde ?.
De rente op het huis aan het kerkhof werd "later" betaald door Jehan de le fontaine, de rente voor het huis in de rue de le roke werd voldaan door Jehan de Haudion, cauceteur (een cauceteur voorzag de straten van kasseien, en zijn primaire grondstof was natuurlijk steen).
Op de huizen in de parochie St.-Piat werd de rente "later" betaald door pierre bourjon, en nog later door Jehan Buridan.
Deze Jehan Buridan was zeer waarschijnlijk de kleinzoon van Jehenne de le Rocque.
In de later bijgeschreven aanvullingen vinden we geen naamgenoten, doch dank zij enkele namen die we konden plaatsen in de tijd, kunnen we besluiten dat deze aanvullingen dateren van het einde van de 14de eeuw.
Na schepen Nicholès (1221) en Jehans (1263) is deze Jakemes de derde generatie de le Roke die een band heeft met het kapittel van Doornik.
Zij zijn zeer waarschijnlijk grootvader, vader en zoon.
Eén van de rijkste verzamelingen uit het Doorniks archief was ongetwijfeld die der testamenten.
Reeds zeer vroeg bestond in Doornik bij "de bezittende klasse" de gewoonte een testament op te maken wanneer men zijn einde voelde naderen. Bijna steeds werd uit zo'n testament de gezinssituatie van de opsteller duidelijk, alsmede de aard van zijn economische activiteit, zijn bezittingen, zijn schuldeisers en schuldenaren, zijn vrienden en kennissen.Aangezien dit bij uitstek een privé-aangelegenheid was, met bijna uitsluitend interessante gegevens voor de genealoog, werden deze testamenten zelden in extenso gepubliceerd. Wel hebben enkele Doornikse geschiedkundigen, zoals A. de la Grange en A. Hoquet delen van sommige testamenten uitgegeven en geanalyseerd, meestal vanuit een sociologische of culturele invalshoek.
U begrijpt het reeds : zowat 99% van deze testamenten zijn verloren gegaan in de brand in mei 1940, en het enige wat ons rest is hier en daar een deels gepubliceerd testament, en een occasionele transcriptie of fotokopie in de persoonlijke nota's van Léo Verriest...
Wat wel bewaard is gebleven, zijn de alfabetische lijsten van de personen die hun testament hebben opgemaakt, met vermelding van het jaar waarin ze dit deden.
Zo vinden we in de lijst van de testamenten die bewaard werden in het rijksarchief van Mons dat ene Jehans de le Roke in 1299 zijn testament heeft opgemaakt.
Er is een sprankeltje hoop dat dit testament nog zou kunnen bestaan, omdat een Engelse bibliotheek eens een partij Doornikse chirografen heeft gekocht op een openbare veiling ...
Voorlopig kennen wij de inhoud van dit testament niet, en kunnen wij slechts gissen dat het hier om de Jehans gaat die in 1263 samen met het kapittel een rente had op een woning in de rue des corriers.
Hij was de eerste van 5 de le Rokes die hun testament opmaakten, zijn vermoedelijke zoon Jehan, kleinzoon Colars en achterkleindochters Annies en Jehane volgden zijn voorbeeld.
We vermeldden reeds vroeger dat Fred. Hennebert, archivaris van het Doorniks archief in de tweede helft van de 19de eeuw een artikel of een boek voorbereidde over de straten van het Middeleeuwse Doornik.
In zijn nota's over het toponiem les Roques vonden we een vermelding van Jehan de le roke, li carpentier :
In juni 1301 verkocht Watier Bucheaus aan Gillion Houssiel een rente op een huis gelegen "a le roke en Bruille", rechtover het kruis, naast het huis van Jehan de le roke, li carpentier.
![]() |
de wijk Bruille in 1517, met de Sint-Nicolaaskerk (n°6), het kruis (n°15) en de tuinen
(uit Tournai Ancien et Moderne, naar een tekening van Guicciardini)
We leren er ook dat de rue ghiesenfrasne een aangrenzende straat was, en bij de notities over dit straatje vinden we dat Jehan de le roke, li carpentier, in de laatste week van maart 1307 in de rue de giesenfrasne een stuk grond heeft gekocht, dat uitgaf op "le pire des froides parois", van Kateline, de weduwe van Watier Lieppée en haar drie kinderen Jehan, Mikious en Annies.
De schrijfwijze van Jehans achternaam is zeker juist, want de heer Hennebert had eerst de le roque genoteerd, maar heeft dit verbeterd in de le roke. Ook in actes uit 1491, 1493, 1496 en 1540 had Fred. Hennebert vermeldingen gevonden van "les roques au Bruille" en van de rue gasafrain. Zijn nota's bevatten echter niet veel meer gegevens...
Deze Jehan was timmerman van beroep, en bezat grond en een huis nabij de plaats die men aanduidde als "les roques en Bruille", dezelfde plaats dus waar ook Giervais de le roke in 1260 en Johannes de le Roke rond 1225 grond bezaten
In zijn "histoire de Tournai" vermeldt Paul Roland dat op 11 juli 1302 de terugtrekkende Franse cavalerie na haar nederlaag in de Guldensporenslag, door alle Vlaamse gemeenten de toegang werd geweigerd, en dat ook het Doornikse stadsbestuur die avond besloot de poorten van de stad gesloten te houden voor de menigte die zich voor de stad had verzameld.
Dit voorval was de aanleiding voor het stadsbestuur om de stad beter te verdedigen, en alle burgers werden verplicht aan het werk gezet.
Onderverdeeld per straat, onder leiding van hun connétable, en per parochie één dag per week, dienden alle Doornikse poorters in groepjes mee te helpen de stadsgracht te verdiepen en aarden wallen op te werpen.
De smeden, timmerlieden en schrijnwerkers moesten -tegen vergoeding- zo veel mogelijk schoppen, spaden en hauwelen produceren, en waren van deze verplichte graafwerken vrijgesteld.
Zij mochten gedurende die periode geen ander werk aanvaarden.
Er werden nieuwe, zeer stevige stadsmuren gebouwd, meestal direct op de rotsachtige ondergrond en met stenen die ter plaatse werden uitgehouwen, waarvan nu nog steeds de Marvis-torens en de "pont des Trous" overblijven.
![]() |
![]() |
| de Marvis-torens | de Pont des Trous |
Jehan de Bierenghier heeft in 1305 zijn testament opgemaakt
In een bijvoegsel aan zijn testament liet Jehan de Bierenghier alle personen noteren aan wie hij nog iets moest betalen.
Deze lijst vangt aan met 5 steenhouwers, onder wie Simon le Rike, Théri de Calonne en maistre Robiert d'Arras.
5 bladzijden verder vinden we dat Jehan de Bierenghier 30 sols vereffende aan Ysabiel de le Roke. Zij stond vermeld tussen Jehan Colemer en Jehan l'Englesc, le pissonier de mer.
Aangezien Jehennés de le Roke in een conflict betrokken was met onder andere Hennoke Bierengier, vermoeden we dat Ysabiel zijn dochter was.
Deze Jehan is de tweede die een testament liet opmaken.
Hij is dus zeer waarschijnlijk de zoon van Jehan de le Roke die in 1299 een testament opstelde, en vermoedelijk is het deze Jehan die in 1276 tijdens een "cache a cloke" werd opgespoord...
Vanaf het midden van april 1315 tot rond Allerheiligen waren er aanhoudende regens in heel West-Europa, met als gevolg overstromingen en wateroverlast, verregende oogsten, schaarste, honger en ziekte
In het Doornikse mislukte de graanoogst en het wijnjaar was slecht.
Wegens mislukte oogsten en de daaropvolgende hongersnood, verminderde weerstand tegen ziekten en algehele verzwakking stierven zeer veel mensen in deze periode.
Sommige archiefstukken zijn op wonderbaarlijke manier aan de totale vernietiging van het Doornikse stadsarchief in mei 1940 ontsnapt.
314 originele chirografen bevonden zich op het moment van de brand niet in het archief.![]() |
In deze oorkonde erkende Maroie dou Crac, de weduwe van lucas ki faisoit les viroelles, dat zij een schuld had aan Piéron Mal Yvrenet.
Jakemes de le Roke, li mierciers was bij het opstellen van deze chirograaf aanwezig als getuige, die beide partijen kende.
In 1349 werd het testament van Pierre Mal Yvrenet opgemaakt.
Zijn zoon Pierart was gehuwd met Marie Gargate fa Jehan, zijn dochter Katherine was gehuwd met Gilles de Haudion, en diens zus was gehuwd met Jehan Bierenghier con dist Hanoke, allemaal namen die tot de kennissenkring van de familie de le Roke behoorden.
In zijn "dictionnaire de l'ancienne langue française et de tous ces dialectes..." vermeldt Frédéric Godfroid een chirograaf van de schepenbank van St.-Brice uit 1287, waarin Willaumes Pasturiaus erkende dat Jehans dou Crac, c'on apiele Krakelin, hem 40 sols de tornois had betaald.
In een artikel in The Proceedings of the Leeds Philosophical and Literary Society uit 1932 wordt de naam dou Crac in verband gebracht met het Westvlaamse woord "krakke", hitte.
In 1328 werd voor de schepenen van Doornik het testament van ene Jakemon dou Crack geregistreerd.
Lucas ki faisoit les viroelles maakte knoppen, ingelegd met bladgoud, en was waarschijnlijk één van de toeleveranciers van Jakemes de le Roke, li mierciers, die meersenier was.
De meerseniers waren de meest oorspronkelijke kooplieden : als zuivere handelaars produceerden zij niks, maar kochten en verkochten allerlei goederen, vooral dure afgewerkte producten, zoals leder, tapijten, met goud bestikte klederen, zijden lakens, speciale stoffen als cameraat en sindael, juwelen, spelden, knoppen allerhande, ...
Ze verkochten hun waren op de lokale markt, en in de naburige steden, en ondernamen als echte handelsreizigers soms vrij verre reizen.
Hun leveranciers waren leerbewerkers, goud- en zilversmeden, wevers van speciale lakens, ...
Over de Doornikse meerseniers is niet zo veel geweten
In 1268 werd er na een langdurig conflict tussen het kapittel en de gezworenen een nieuwe halle opgericht voor de meerseniers, waarin zij hun goederen konden verkopen.
In 1362 werd deze "halle des merchiers" gesitueerd in de rue de le Ture, in de parochie St.-Nicaise.
In 1369 werd te Doornik de gilde der meerseniers opgericht, onder de bescherming van het kapittel, met als patroonheilige st.-Maure.
Zoals reeds vermeld bij de bespreking van Jehan de le Roke, le patrenostrier, voerden de meerseniers van Toulouse kammen en paternosters van amber en ivoor van Italië in in Doornik, van waar de Doornikse meerseniers deze produkten verdeelden over de Lage Landen.
Volgens een toen wijd verspreide ridderroman had ene ridder Gallehos 30 koningen verslagen.
In 1331 besloot de orde van de ridders van de Ronde Tafel, een organisatie van rijke Doornikse burgers, die tijdens veldslagen instonden voor de persoonlijke veiligheid van de Franse koning, een groots feest in te richten, waarop men de legende van deze koning Gallehos zou naspelen.
Het feest begon op maandag na het sluiten van de handelsfoor van mei 1331, en er waren rijke compagnieën uitgenodigd uit Parijs, uit Senlis, uit Reims, uit St.-Quentin, uit Compiègne, uit Amiens, uit Valenciennes, uit Maubeuge, uit Doullens, uit Arras, uit St.-Omer, uit Lille, uit Douai, uit Gent, uit Brugge, uit Aardenburg, ...
Middenin de feestweek werd het tournooi van de 31 koningen gehouden op de Grote Markt.
De 30 koningen die koning Gallehos, gespeeld door sire Jacques de Corbry, de "koning" van de Doornikse Ronde Tafel, omringden, werden gekozen uit zijn Doornikse metgezellen.
Onder hen : Guillaume de Hellemes, die de rol speelde van koning Pellez du Castel Périlleux, Gilles Mouton, die de rol speelde van koning Banich Bevenich, Jehan d'Hellemes, die de rol speelde van koning Abilacus van Constantinopel, Jacques Mouton, die de rol speelde van koning Abilacus van Carmélide, Jehan Thiebegot, die de rol speelde van koning Caradebrinbas of Cardos Brinbas, Geoffrey d'Orcq die de rol speelde van koning Tenor de Haute Rivière, Jehan Prévost, die de rol speelde van koning Claudas de le Désierte, Jehan Gargate, die de rol speelde van koning Sitor de la Rouge Montagne, en Jacques Gargate.
Vele van deze belangrijke patricische Doornikse families waren aangetrouwde verwanten van de familie de le Roke.
Het tournooi straalde een nooit geziene pracht en praal uit, en kannunik Jean Cousin concludeerde dat "de burgers van Doornik ... hadden willen triomferen als grote prinsen, terwijl ze eigenlijk toch maar gewone poorters waren".
De voorspoed en de rijkdom van de Doornikse magistraten leidde tot hoogmoed, ze weigerden te gehoorzamen aan welke autoriteit ook, en beschouwden zichzelf als enige bron van recht en orde...
De Doornikse kroniekschrijver Sigebert de Gembloux constateerde dat de Doornikse gemeente in niks onderworpen was aan de (Franse) koning.
In 1328 hadden de Doornikse magistraten geweigerd een eed van trouw te zweren aan de koning, en een Parlementair besluit van 4 juli 1332 veroordeelde de Doornikse gemeente tot het verlies van haar stadsrechten, en de stad werd overgedragen "dans la main du roy".
De politieke organisatie van Doornik werd drastisch gewijzigd : geen gezworenen meer, geen provoosten, geen mayeurs noch schepenen.
Het bestuur van de stad werd uitgeoefend door een commissaris van de koning, bijgestaan door een college van "wijze mannen" naar zijn keuze, en enkele officieren van de koning.
Dit college van "wijze mannen", ingesteld op 2 augustus 1332, bestond uit 21 raadgevers voor de administratie en 17 voir-jurés voor de registratie van notariële acten.
Een menigte lagere magistraten werd benoemd door de commissaris van de koning : elke parochie werd bestuurd door 2 gouverneurs, en 202 nieuwe "connétables" werden aangeduid.
Voor de parochies Notre Dame en St.-Nicaise werden Sire Willaume de Waudripont en Sires Jehans Damiens aangesteld als gouverneurs.
Onder de connétables van deze parochies vinden we Jehans Gargate li petis, Jehans de Marèges, Jehans dou Vesancskiel, Evrard de Cordes, Colars del Estrée, ... en Jak de le roke.
Het ambt van connétable was niet nieuw : reeds in 1275 werd hun vergoeding door de Consaux vastgesteld.
Een connétable was een soort vrederechter, een volksmagistraat verantwoordelijk voor één, of enkele straten in de stad.
Hij werd benoemd op voordracht van de inwoners uit die stratengroep.
Hij trad op als bemiddelaar bij geschillen, signaleerde overtredingen van de gemeentewetten, hielp de belastingen innen, organiseerde de plaatselijke feestelijkheden, was verantwoordelijk voor de waterputten en was het plaatselijk hoofd van de brandweer, een soort kruising tussen een wijkagent en een straathoekwerker.
Jak was ongetwijfeld connétable voor de rue de le Roke in de St.-Nicaiseparochie, aangezien hij daar een woning had.
In de parochies St.-Piat en Ste. Katerine waren Jak. Buridans en Jak. de bruielle connétable, in de lijst van de parochies St.-Quentin en Ste.-Marguerite treffen we onder meer Piers Denis.
In 1340 werd deze "nieuwe orde" weer opgedoekt, en verkreeg Doornik wegens de succesvolle weerstand die werd geboden tegen de vijandige legers, opnieuw zijn stadsrechten, en werd de vroegere vorm van bestuur terug ingevoerd.
In de nota's van de heer Léo Verriest vonden we een fotokopie van een lijst rentes op huizen, ontvangen in de naam van Jehans Gargate, opgesteld op 31 mei 1339.
Deze lijst is een deel van de rekeningen van de exécution testamentaire van het testament van zijn overleden vader, seigneur Wattier Gargate.
In de marge staat vermeld : nouv. acqu. frçs. 3596, en onderaan staat een stempeltje van de bibliothèque nationale in Paris, en we hebben het originele document er gevonden.
Jakemes de le Roke, li mierchiers was aan deze Jehans Gargate, een rente verschuldigd voor zijn huis "pour le toukait de le roke St.-Nicaise contre latre", dus op de hoek van de rue de le roke, naast het kerkhof van de St.-Nicaisekerk.
Dit was dus hetzelfde huis als dat waarvoor Jakemes de le roke in 1289 een rente voor betaalde aan het groot Officie van de Cellier van het kapittel van Doornik!
De familie Gargate vinden we zeer dikwijls in de onmiddellijke nabijheid van de familie de le Roke : in de Veil Rentier, het renteboek van heer Jehan van Pamele-Oudenaarde uit 1276, stond geregistreerd dat Thiélens Gargate een rente betaalde voor anderhalve dagwant grond gelegen in "Eleziele".
In 1276 werden zowel Jehan de le Roke als Willaumes Gargate opgespoord in een "cache à cloke".
Jak. de le roke en Jehans Gargate li petis waren beide connétable in 1332, ...
We zien hier duidelijk twee families die tot dezelfde maatschappelijke klasse behoorden.
Aangezien Jakemes de le Roke, li mierchiers in 1339 een woning had in de rue de le roke, waar ook Jakemes de le roke in 1289 twee huizen had, waarvan één op de hoek naast het kerkhof,en daar zij beiden dezelfde voornaam hadden, beschouwen wij hen zonder de minste twijfel als zoon en vader.
Er is echter meer...!
Wanneer we de naam Jak de le roke uit 1332 vergelijken met de naam van Jac van de roke in 1379, de vroegste vermelding van de familie van de roke in Gent, valt toch wel op dat dit dezelfde naam is, waarbij "de le" werd vertaald in "van de".
Omdat er in de regio's Doornik en het Doornikse, Noordwest-Henegouwen en Vlaanderen slechts één familie de le roke en slechts één familie van de roke was, en wij verder zullen bewijzen dat eenzelfde persoon die in Doornik als de le Rocque werd geregistreerd, in Vlaanderen als vander Roke werd genoteerd, is deze Jak de le roke zonder twijfel de
vader van Jac van de roke, de stamvader van de familie van de roke.
Er zijn enkele scenario's bedenkbaar bij deze vaststelling.
Jak de le roke, li mierchiers, zal ongetwijfeld door zijn beroep als handelaar met collega's uit Gent in contact gekomen zijn.
Sinds 1289 werd in Doornik ter gelegenheid van de processie een grote handelsfoor georganiseerd, waarbij 32 steden werden uitgenodigd die handel dreven met Doornik.
20 ervan waren in Vlaanderen gelegen; Kortrijk, Brugge, maar vooral Gent waren de voornaamste handelspartners van de stad Doornik.
De economische belangen van de Scheldesteden Gent en Doornik waren complementair : Gent verwierf een groot deel van zijn inkomsten uit de graanstapel, en Doornik zorgde ervoor dat het graan uit Artesië en Waals-Vlaanderen ongehinderd langs de Schelde kon getransporteerd worden.
Bij de processie van Doornik werden jaarlijks 5000 Gentenaars uitgenodigd.
Vanaf 1331 konden de Doornikse handelaars alle handelswaren, geproduceerd of gekocht in Doornik, vrij van belastingen naar Vlaanderen exporteren.
Dit privilege werd in 1389 nogmaals door de Franse koning bekrachtigd.
Het zal dus voor een Doornikse meersenier zeker niet oninteressant geweest zijn om in Gent zaken te doen...
E. Van Der Hallen vermeldt in zijn dissertatie over "Het Gentse meerseniersambacht (1305-1540)" dat Milanese spelden en paternosters uit amber en koraal door de meerseniers van Toulouse werden ingevoerd in Doornik.
Van daar uit werden ze door de Doornikse merciers verspreid over de Nederlanden.
In het register van de Gentse schepenen van de Keure werd in 1365 genoteerd dat handelaars uit Parijs en Doornik sieraden verkochten op de Gentse jaarmarkten.
In zijn boek over "het dagelijks leven in een Middeleeuwse stad", waarin Raymond van Uytven vele aspecten van het dagelijks leven in de stad Leuven a° 1448 beschrijft, stelt hij vast dat de kwaliteitsprodukten van de Leuvense luxe-industrie en kunstambachten verkocht werden in de stad zelf en de hele regio daar rond.
Via de jaarmarkten van Bergen op Zoom en Antwerpen vonden ze zelfs hun afzet in de interregionale handel.
Hij vermeldt expliciet dat de Leuvens tapijtwerk er halfweg de 15dede eeuw werd aangekocht door handelaars uit Doornik.
![]() |
Doornik werd in 1340 belegerd door een alliantie van de legers van de Vlaamse graaf, de hertog van Brabant en de Engelse koning.
In de chroniques de Froissart uit de 15de eeuw, bewaard in de bibliothèque nationale de Paris, vonden we een prachtige voorstelling van deze belegering
Indien Jak de le roke als connétable in Doornik aanwezig was, zal hij zeker moeten helpen hebben om de stad tegen de vijand te verdedigen.
Indien hij toen toevallig in Gent was, is hij daar misschien wat langer gebleven, en misschien heeft men hem dit in Doornik kwalijk genomen,...
Wegens de succesvolle weerstand die de stad aan deze belegering had geboden, werd in 1340 de vroegere bestuursvorm terug ingevoerd, en mogelijks is er enige vorm van repressie geweest ten opzichte van diegenen die aan het vorig bestuur hadden deelgenomen... een fenomeen van alle tijden en alle plaatsen.
Een andere vaststelling is dat Jac van de roke in Gent eens werd geregistreerd als Jacob van der Roken of Denijs, wat er op wijst dat hij de (bastaard-?)zoon was van een vader met de naam van de roke (of de le roke) en een moeder met familienaam Denijs.
Wellicht verwekte meersenier Jak de le roke tijdens één van zijn handelsreizen naar Gent bij een juffrouw Denys een (onwettige ?) zoon.
Bastaardzonen hadden toen niet dezelfde rechten als de wettige kroost, maar doorgaans zorgde de vader er toch voor dat zijn onwettige nakomelingen aan niets te kort hadden.
We komen deze situatie ook tegen bij Jac van de rokes zoon Jacob die een bastaardzoon Jacop van de Roke of De Smet en een bastaarddochter Zoetine had verwekt bij twee verschillende moeders.
Jacob deed aan beide kinderen een gift, omdat zij als onwettige kinderen niet konden erven van hun vader.
Er kan verder vermoed worden dat Jak de le roke tijdens zijn twee dagen durende reis van Doornik naar Gent ongeveer halfweg zal overnacht hebben...
Berchem, waar de familie vande Roeke reeds vanaf het eind van de 14de eeuw eigendommen had, lag halfweg tussen Gent en Doornik, langs de Schelde...
Enkele Doornikse chirografen afkomstig uit de verzameling van bibliofiel Thomas Phillipps zijn na een verkoop door het veilighuis Sotheby's terechtgekomen bij de Londense boekhandelaar Bernard Quaritch.
In juni 1919 kocht de John Ryland bibliotheek deze chirografen aan, en door de latere fusie van deze bibliotheek met de universiteitsbibliotheek van Manchester worden ze nu daar bewaard.
Het nummer 198 uit de "Phillipps collection" bestaat uit zes reepvormige stroken perkament, waarvan het tweede document de namen bevat van "li debatant dou plait de le St.-Luch l'an xxxij".
Aangezien het eerste document de namenlijst van 1330 is, en de derde namenlijst in 1327 werd opgesteld, en het zeer gelijkaardige geschrift zijn we bijna zeker dat ook deze tweede lijst namen uit die periode dateert, meer bepaald dus van 13 december 1332.
![]() |
De zevende naam op de lijst is die van Watier de le roke.
Verder onderzoek zal moeten uitwijzen wie deze "debatant dou plait" waren en wat ze deden.
In mei 1335 huwde Jehan Daubiermont, li père met ene Marghueritte.
Zij woonde "sur les marlieres du Bruille", op de steengroeven in de Bruille, en was weduwe van Jacquemon le Flamenc, le carpentier de le Roque.
De gelijkenis met Jehan de le Roke, li carpentier is frappant!
Mogelijks was deze Jacquemon een bastaardzoon van Jehan de le Roke, li carpentier, maar het gebeurde in die periode zeer dikwijls dat één van de jongere zonen een andere familienaam aannam dan zijn vader, of dat een zoon uit een tweede huwelijk als toenaam met de familienaam van zijn moeder werd aangeduid, om hem te onderscheiden van de kinderen uit "het eerste bedde".
Jacquemon had een dochter Maryen le Flamenghe, die huwde met Jehan Kagnars, en een zoon Jaquemin le Flamenc die in 1335 nog ongehuwd was.
Zijn kinderen hadden enkel de familienaam "le Flamenc", en het ís natuurlijk mogelijk dat Jacquemon le Flamenc, de timmerman enkel gespecifieerd werd als "de le Roque" omdat er nog een andere Jacquemon le Flamenc was, die eveneens timmerman was, maar die niet bij de roke in de Bruille woonde...
Maar dan zou er vermoedelijk een andere formule gebruikt geweest zijn om dit duidelijk te maken, zoals bij voorbeeld "Jacquemon le Flamenc, manans en le roke".
Vermoedelijk splitst zich hier een tak van de familie de le Roke af, een "branche cadette", die de naam "le Flamenc" droeg.
De meest aannemelijke hypothese is daarbij dat deze Jacquemon een zoon was uit het tweede huwelijk van Jehan de le Roke, li carpentier, met ofwel een Vlaamse vrouw, ofwel met een vrouw die "le Flamenghe" heette.
De naam "le Flamenc" wijst er ongetwijfeld op dat deze familie contacten had met Vlaanderen.
In volume 10 van de "dictionnaire de l'ancienne langue française et de tous ses dialectes" van de heer Frédéric Godefroy vinden we een fragment van een chirograaf uit 1338, verleden voor de schepenbank van St.-Brice met als opschrift op de rugzijde : "c'est Adum de Dohem l'afineur".
Het fragment luidt : "Wiars Roque, saieleres, et Jehans, ses freres, ont vendut, werpit et clamet quite...".
De broeders Wiars en Jehans Roque hebben op 22 september 1338 een eigendom verkocht aan Adum de Dohem.
Wiars Roque en zijn broer Jehans woonden in de parochie St.-Brice.
Wiars Roque was een saieleres, een scelleur of zegelaar, die door het aanbrengen van een zegel iets bekrachtigde.
In de "chartes de l'abbaye de Saint-Martin de Tournai", gepubliceerd door A. d'Herbomez, vinden we een acte van 26 april 1346, waarin de provoosten, gezworenen, eswardeurs en schepenen van de cité van Doornik verklaren dat de Sint-Maartensabdij hen heeft toegestaan een waterput op te richten op een plaats waar dat door een vroegere overeenkomst niet mocht :
"A tous chiaus qui ces presentes lettres veront ou oront, li prevost, li juret, li eswardeur et li esquievain de le Cyté de Tournay, salut et cogniscance de verite."
...
"... En tesmoing desquels coses nous avons ces presentes lettres seelees dou seel de le commugne de le Cyté de Tournay. Ce fu fait et donne le .XXVI.° jour de avril, lan de grace mil trois cens quarante et siis."
Deze acte werd ter bekrachtiging van de getuigenis van de magistraten gezegeld met het zegel van de cité van Doornik.
We mogen er van uitgaan dat dit gebeurde door de zegelaar of de saieleres.
Aangezien Wiars Roque toen de saieleres was was hij vermoedelijk degene die dit zegel heeft aangebracht.
Zoals vroeger reeds gebeurde bij Baudès Roke, en zoals later ook sporadisch gebeurde bij de familie van de roke werd het voorzetsel en het lidwoord in hun naam weggelaten.
De zeldzame voornaam, hier in geromaniseerde vorm maar van Germaanse oorsprong, Wiars verwijst onmiskenbaar naar Wicars de le Roke die in 1275 in Flobecq leefde.
Zeer waarschijnlijk zijn Wiart Roque en zijn broer Jehans zijn kleinkinderen.
Zoals we verder zullen zien maakte Wiart Roke in 1349 zijn testament op, over zijn broer Jehan vonden we voorlopig geen verdere informatie.
G. de Nédonchel publiceerde in 1867 in de Mémoires de la Société Historique et Littéraire de Tournai een artikel over de rechtspraak in Doornik vanaf 1313 tot 1553, met speciale aandacht voor de doodstraf.
In bijlage aan deze dissertatie publiceerde hij vele voorbeelden uit de registres de la loi.
Op woensdag 4 april 1347 werd te Doornik recht gesproken over Hanins Journier.
Hij werd "justichiés de tranier et puis pendre" -veroordeeld om van de gevangenis tot aan de galg gesleept te worden, waarna hij moest worden opgehangen.
Het was immers afdoend bewezen dat hij, samen met Hanins de le Fosse, Hanins Richard en Guillot à Ronkiere, het huis van Stievenart Stievenoch, in brand had gestoken.
Hanins Journier bekende dat ze het huis van Stievenart waren binnengedrongen, en omdat ze hemzelf niet konden vatten, hadden ze zijn huis platgebrand.
Hij verklaarde ook dat hij de zoon van Renier de le Roke, de dakdekker, had gekwetst omdat die op de brand kwam toegelopen.
Daar Renier de le Roke dakdekker was, was hij vermoedelijk een zoon van Jehan de le Roke, li carpentier.
Over de zoon van Renier kwamen we verder niets te weten.
Toch leidt het feit dat hij door Hanins Journier werd gekwetst toen hij op de brand toeliep, ons tot enkele conclusies.
Een connétable was verantwoordelijk voor het organiseren van de bluswerken bij een brand in zijn connétablie.
Uit een verordening van de Conseaux uit 1275 en de Doornikse stadsrekeningen van 1408 weten we dat hij daarvoor de beschikking had over een aantal (lederen) emmers van de gemeente, de ladders waren zijn eigen eigendom.
Een leidekker had ladders nodig ... een connétable moest ladders in eigendom hebben ... een connétable moest zich ter plaatse begeven als het brandde...
Ook in Gent werden reeds in de 14de eeuw metselaars, dakwerkers en allen die gewoon waren op ladders te klimmen als brandbestrijders aangeduid (door "de koning van de Moorkinderen", maar dat is een ander verhaal).
![]() |
Wanneer we op het schilderij "de Maagd met kind voor het haardscherm" uit 1430, van "de meester van Flémalle", door vele kunsthistorici geïdentificeerd met de Doornikse meester-schilder Robert Campin, door het raam naar buiten gluren, zien we 2 middeleeuwse dakdekkers aan het werk.
In de alfabetische lijsten van de testamenten die zich destijds in het Doorniks archief bevonden, staat Maroie Roke, die in 1348 haar testament opmaakte.
Zoals de meeste lijsten, zijn de alfabetische namenlijsten van de Doornikse testamenten geredigeerd door mensen, wat inhoudt dat er kleine foutjes kunnen in staan.
We konden zelf meermaals vaststellen dat een niet nauwkeurig gesloten "o" gauw op een "u" gaat lijken.
Wanneer men gehaast is, niet goed geconcentreerd, of -godbetert- niet erg geïnteresserd is in wat men leest of lezen moet, kan men de familienaam Roke als Ruke lezen, zeker indien men met deze naam geen emotionele band heeft...
Ook bij de voorbereiding van de publicatie van deze (lange) lijsten kan het zetduiveltje hebben toegeslaan.
Tijdens onze vele opzoekingen in de Doornikse en Henegouwse archieven hebben wij nergens een familie Ruke vermeld gevonden.
Ik vermoed dan ook dat Pierre Roke tijdens het pestjaar 1348 zijn testament liet opmaken.
Ook Wiart Roke vonden we in de alfabetische lijsten van de Doornikse testamenten, gepubliceerd door Adolphe Hoquet in de Annales de la Société Historique et Archéologique de Tournai, verspreid over enkele jaargangen.
![]() |
In 1348 en 1349 werd Doornik, zoals alle andere steden in West-Europa, geteisterd door de pest.
Vooral omdat men niet wist wat de ware oorzaak van deze ziekte was, kon de pest hele gezinnen uitroeien, en de bevolking van een getroffen streek decimeren.
In Doornik stierf in 1348 en '49 30% van de bevolking.
In de eigentijdse kronieken van Gilles Li Muisit, werd geïllustreerd dat er zo veel doden waren, dat er niet genoeg doodskisten konden worden gemaakt en dat de overledenen in witte doeken werden begraven.
Gilles Li Muisit, de abt van de Sint-Maartensabdij, vertelt in zijn kroniek dat de ziekte begon in de rue Merdenchon, in de parochie St-Piat (waar Jakemes de le roke in 1289 twee woningen had).
Elke dag werden de lichamen van de overledenen naar de kerken gebracht, soms 5, soms 10 en in de St.-Bricekerk wel eens 20 of 30.
De angst groeide in de stad, maar niemand had een remedie.
Wellicht maakten Maroie, Pierre en Wiart Roke te Doornik hun testament op, alvorens de stad te verlaten om zo aan de pestepidemie te ontsnappen.
Zoals we onder andere uit de "De camerone"-verhalen van Giovanni Boccaccio uit 1353 weten, vluchtten de begoede stedelingen tijdens pestepidemieën naar hun landgoederen in de provincie.
Daar hadden zij hun voedselvoorraden, en vermeden zij contact met door de pest besmette lieden.
Jammer genoeg is het jaartal van hun testament het enige gegeven dat we over Maroie en Pierre Roke konden vinden...
Blijkbaar stond er in deze testamenten niets speciaals of verbazingwekkends, en hadden Maroie noch Pierre Roke een bijzondere functie of beroep, zodat geen enkele historicus, die vóór 1940 gegevens uit de Doornikse testamenten heeft aangewend bij zijn studie, (een deel van) hun laatste wil heeft opgenomen in de "pièces justificatives" bij de publicatie van zijn werk.
Zoals helaas is geweten zijn al deze testamenten in mei 1940 in de vlammen opgegaan.
Het aantal misschiens, wellichts, waarschijnlijks en vermoedelijks in onze teksten over onze voorouders in Doornik zou drastisch dalen mochten wij al deze documenten hebben kunnen inzien.
In 1359 liet Colars Delerocque zijn testament opmaken.
Colars had dezelfde voornaam als Nicholès de le Roke die in het begin van de 13de eeuw schepen was in Doornik, en als Colart de le Roke die in 1275 in het Veil Rentier werd vermeld als vader van Wicars en Jehans die cijns betaalden voor een grond in Flobecq.
Deze vaststelling laat ons toe te besluiten dat deze Colars een rechtstreekse nazaat van Nicholès was.
Aangezien het opmaken van een testament een "erfelijke" gewoonte was, kan worden vermoed dat hij de zoon was van Jehan Delerocque die in 1315 zijn testament liet opmaken, en de vader van Anniès en Jehenne Delerocque die dit een generatie later deden...
Graaf G. de Nedonchel publiceerde in 1867 honderden uittreksels uit de Doornikse wetsregisters tussen 1313 en 1555 aangaande ter dood veroordelingen.
In het "registre de la loi" dat de periode 2 oktober 1364 tot 2 okober 1384 beslaat, vinden we een uitzonderlijk merkwaardige vermelding :
Op zaterdag 14 augustus 1367 werd Hues de le Court Daxele dales Deuse ter dood veroordeeld omdat hij bekend had ongeveer een half jaar voordien een man te hebben overvallen nabij Orchies.
Zijn medeplichtigen waren Willekins Ghillains en Robin de le Sauch, dit Van den Ruque.
Hij bekende ook een man te hebben beroofd in Kortrijk, samen met Gillekins van vise uit Rusbieke, deelgenomen te hebben aan een overval nabij Gent en een mercier te hebben beroofd nabij Mont St.-Aubert, samen met Gillekins van Russelede.
Enkele dagen voor zijn veroordeling had hij samen met Monekins de Bruges, Gasteres en een andere knecht die Willem heette, nabij Orque een man overvallen.
Zoals reeds vermeld bij de bespreking van het testament van Pierre Ruke, opgemaakt in 1348, hebben wij tijdens onze vele genealogische opzoekingen nergens een familie Ruke of Van de Ruke ontmoet...
Aangezien graaf de Nedonchel ook Rusbieke leest, waar het bijna zeker over Ros[e]bieke gaat, kunnen wij er vanuit gaan dat de scribent regelmatig een eerder slordige, bovenaan niet-gesloten "o" neerpende, zodat deze letter sterk op een "u" ging lijken.
Daar graaf de Nedonchel de teksten zo getrouw mogelijk wou weergeven, transscribeerde deze dan ook een "u" wanneer er een niet-gesloten "o" stond...
Ik ben dan ook van mening dat we hier te maken hebben met ene Robin de le Sauch, dit Van den Roque.
In theorie was de familienaam van Robins vader de le Sauch, en was de achternaam van zijn moeder Van den Ruque of Van den Roque.
Het feit dat Robin een dubbele achternaam had, kan twee oorzaken hebben : ofwel was hij een bastaard, ofwel was er nog een andere Robin de le Sauch, en wilde men door deze dubbele achternaam verwarring vermijden.
We vinden in Doornik testamenten van Piéronne Delesauc in 1301, van Jehan Delesauc in 1316, van Ysabiaus Delesauc in 1330, van Jehan Delesauch in 1349, van Alis Delesauc in 1392, van Jehan de le Sauch in 1415, van Jehan de le Sauch in 1430, van de weduwe van Thomas de le Sauch in 1443, van Coppart de le Sauch in 1444, van Jaque de le Saulch, weduwe van Bernard Coutelier in 1479, van de weduwe van Jehan de le Sauch, geboren Conreur, in 1482, en van Florence de le Saulch, weduwe van Rogier le Louche in 1493.
Ook voor deze passage kunnen we dus niet anders dan betreuren dat deze registres de la loi in mei 1940 ten prooi vielen aan de vlammen...
Het is voor ons dus niet mogelijk om het origineel op te zoeken en te checken of er "van den Ruque" of "van den Roque" stond geschreven.
In de stadsrekeningen van Brugge van 1378-'79 staat Willem van der roke geregistreerd.
Op f° 93 lezen we :
"dus es de stede achter van dat thuutgegeven meer draecht dane de otfang... en der gheenre namen wien men de vorseide somme van achterstelle sculdich ende tachter is... sijn hiernabescreven ende verclaert :
...
jane van landas ... 3 pond groten
jane van bethune ... 3 pond groten
willem van der roke ... 10 pond groten
De familienamen van Landas en van Bethune kwamen in Doornik voor als de Landas en de Béthune, en de familienaam van der roke kwam in Doornik voor als de le roke.
Deze vermelding is één van de bewijzen dat de familienaam de le roke vertaald werd in van der roke wanneer leden van deze familie werden geregistreerd in Vlaams sprekende contreien.
Hoewel Willem van der Roke duidelijk een Doorniknaar was, konden we van hem (nog) geen vermelding in die stad vinden.
De begoede Doornikse families leenden belangrijke sommen geld aan hun eigen stad, maar ook aan steden als Brugge, Oudenaarde en Kortrijk.
Zoals we verder zullen zien leende ook Jehane van der Roke= Jehenne de le Rocque geld aan de steden Doornik en Kortrijk.
Vermoedelijk waren Willem en Jehane zeer dichte verwanten.
Deze Jac van de roke is de stamvader van de familie van de roke, en dus van de families Verroken, Verhoken en Verhoeke.
Voor de verdere bespreking : zie de familie van de roke in Gent.Het enige gegeven dat we over deze Anniès Delerocque konden vinden is het jaartal waarin haar testament werd opgemaakt.
Zij is de tweede Anniès in de genealogie de le Roke, en zoals gold voor de jongensnamen, werden vaak ook de meisjesnamen van grootmoeder op kleindochter doorgegeven.
Wellicht is zij de dochter van Colars Delerocque, en uitgaande van het testament van haar vermoedelijke zus Jehane kunnen we veronderstellen dat Anniès Delerocque de moeder was van Jehan du Bos dit Thiébaut, en van Colard du Bos.
Colard du Bos heeft duidelijk de voornaam van zijn grootvader geërfd.
Jehan du Bos dit Thiébaut had minstens 2 dochters : dame Jehane du Bos, kloosterlinge te Marcquette, en Mariette du Bos.
Ook Colard du Bos had een dochter Mariette, waaruit we durven besluiten dat één van hun twee grootmoeders Mariette heette.
Op 6 juli 1386 overleed Katherine dou Bos, vrouw van Jehan dou Bos, mercier.
In haar testament schonk ze 6 francs aan de dochter van Jehan Buridan, zodat ze zich een getijdenboek kon aanschaffen.
In de Doornikse stadsrekening van 1398 vonden we naast Jehenne de le Rocque ook ene Jaque du bos, merchier, die op lijfrente geld leende aan de stad.
Bij onze zoektocht naar de voorouders van de familie Verroken deelde Frans Debrabandere ons mee dat in de oudste bewaard gebleven stadsrekening van de stad Kortrijk, daterend uit 1392, de naam Jehane vander Roke voorkomt.
In deze stadsrekening lezen we dat de stadsontvanger naast de gebruikelijke "payemente" op Sente Bamesse voor een lijfrente, ook 10 pond parisis cleene betaald heeft aan Jan van Bruweele fs Jans, in naam van Janne van Bruweele, sinen vadre, van een achterstel dat men hem schuldig was, zodat de stad Kortrijk hem in totaal nog 70 pond cleene "in nieuwen ghelde" schuldig bleef.
"Den voerseiden Janne" ontving in de name van jonkvrouwe Jehane vander Roke, "Jans sijns vaders wedue" eveneens , naast de gebruikelijke betaling voor haar lijfrente, een achterstel van 25 pond parisis cleene, dat de stad haar schuldig was "van den payemente van St Bamesse int jaer 83.
"Reste dat men haer sculdich" bleef : 175 pond parisis cleene "in nieuwen ghelde".
De volgende personen aan wie de stad Kortrijk een gelijkaardige vergoeding betaalde, waren jonkvrouwe Marie Gaergatte, Jan thiebegoets wedue, vinchant dou kesne in de name van jonkvrouwe kateline hauweele, en jaquemaert le lonchier in de name van her goesin louchiere zinen vadre.
Verder nog Colaerd Croquevillain en margriete platoele, en Maersianen sGramez.
Al deze personen waren duidelijk afkomstig uit Doornik.
De familienaam Gargate kwamen we reeds enkele malen tegen in onze genealogie, en ook de namen Croquevillain, de Grammez, Platoule en Thiébegot zullen we later nog terug zien.
De specificatie "jonckvrouwe" wijst hier niet op een adelijke afkomst; het was een beleefde aanspreektitel voor een (welstellende) weduwe.
In het Rijksarchief te Gent bevindt zich het fonds van het kartuizerklooster van Sint-Maartens-Bosse uit Sint-Maartens-Lierde.
In de tweede helft van de 15de eeuw werden een aantal renten verschuldigd aan dit klooster genoteerd op een rol perkament, die blijkbaar bestond uit aan elkaar genaaide "gerecycleerde" folio's van de stadsrekeningen van de stad Kortrijk van het dienstjaar 1376-'77!
Op vel 7 vinden we een uitgavepost in de week van 5 tot 11 oktober, waarbij "den personen hierna volghende als van der lijfrente die hemleden de stede van Curtricke jaerlix schuldich es te haerleder live ... int jaer LXXVI ende bi elx lettren van quitanchen".
In deze lijst staat de naam van Jhanne van Bruweeles, die 2x per jaar een som van 35 lb ontving.
Meerdere geldschieters uit deze lijst waren uit Doornik afkomstig : Jhan Tibegoets weduwe, joncvrouwe Katheline Hauweele, Goesaert le Lonchier, lombaard Nicholay Dymenche, Symoen Reynault, Jhanne Desplechijn
Ook in de oudste stadsrekeningen van Doornik van 1397, waarvan een dubbel is bewaard in het fonds Rekenkamer in het Algemeen Rijksarchief te Brussel, staat Jehenne de le Rocque vermeld.
In 1396 had de Franse koning Charles VI aan de Doornikse magistraten de toestemming gegeven leningen op lijfrente van 400 pond parisis uit te schrijven, onder meer om de uitzonderlijke kost van meer dan 10000 pond te kunnen dekken, nodig voor de heropbouw van het belfort en de herstelling van de klokken, ten gevolge van een brand.
De terugbetaling van deze lening verviel wanneer de geldschieter overleed.
Toen een zekere Mabellezune als eerste meldde dat Jehenne de le Rocque in februari 1398 overleden was, kreeg hij voor deze mededeling een som van 5 sols van de stad Doornik.
![]() |
We leren daaruit dat Jehenne de le Rocque zowaar 3 lijfrenten aan de stad had geleend!
Samen met de sommen die zij en haar man aan de stad Kortrijk hadden geleend, was dat een uitzonderlijk hoog bedrag.
De heer de la Grange heeft op het einde van de 19de eeuw een "Choix de Testaments Tournaisiens antérieurs au 16e siècle" gepubliceerd in de Annales de la Société Historique et Archéologique de Tournai.
We lezen er dat Jehan de Bruyelle, echtgenoot van Jehenne de le Rocque zijn testament liet opmaken op 17 januari 1391.
Aan zijn broer Ansel liet hij zijn zegelring na, aan Jaquemart Gaumont liet hij zijn mes na, waarop de beeltenis van de koning en de koningin stonden, aan zijn zoon een ivoren tafeltje, en aan Katerine Buridan, dochter van zijn dochter Katerine, een witte koffer met verguld slot.
Jehane de le Roque, weduwe van Jehan de Bruyelle, maakte haar testament op op 24 maart 1397.
Ze schonk haar beste mantel, met langharige voering, aan de Ste.-Catherinekerk, zodat men het beeld van Ste.-Catherine er kon mee aankleden, zoals in het glasraam te zien was.
Ze gaf een zilveren st.-Christoffelbeeldje aan Jehan Buridan, de zoon van de reeds overleden Aubert.
Dame Jehane, dochter van de reeds overleden Jehan du Boz dit Thiebaut, kloosterlinge van Marcquette, haar boek met een afbeelding van Ste.-Catherine op de omslag, en aan haar zus Mariette du Boz een beursje met vergulde zilveren knopjes.
Mariette, de dochter van Colard du Boz erfde een half dozijn met vogels versierde kussentjes.
Ze schonk ook een som geld om te verdelen onder de armen.
Jammer genoeg publiceerde de heer de la Grange dit testament niet volledig, en daar de genealogie niet zijn belangrijkste invalshoek was, missen we hier waarschijnlijk maar net een gedetailleerde omschrijving van de gezinssamenstelling en de uitgebreide familie.
In de persoonlijke nota's van E. Soil de Moriamé, bewaard in het rijksarchief te Doornik, vonden we eveneens een gedeeltelijke transcriptie van dit testament.
Helaas noteerde hij helemaal géén namen van erfgenamen.
We krijgen er op 3 pagina's een overzicht van de inboedel van Jehenne.
Een greep :
een lepel "a poireche" uit Vlaanderen,
een ijzeren kandelaar,
een verlucht getijdenboek met zilveren sluiting (!),
een perkamenten boek, met vermelding van aubry de bourgignon, een papieren boek met plannen en "baudry" en een leerboek,
een ander verlucht getijdenboek met zilveren sluiting en afbeeldingen op de omslag
een inktpot,
...
een ijzeren borstbeeld,
een kettinkje met verguld zilveren schaap, en enkele parels,
une coine de mouton -een muntstuk,
een ivoren tafeltje,
een ijzeren kluisje,
gouden ringen waarvan één met een safier, en één met mahoniet,
een gouden zegelring,
...
Deze zegelring, waarvan we geen afbeelding hebben, noch een beschrijving, is de dichtste benadering van één of andere vorm van wapenschild of familiezegel dat we van het geslacht de le roke konden vinden.
Mag er in het met parels versierde kettinkje met verguld zilveren beeldje van een schaap een verwijzing naar de familienaam Mouton worden gezocht?
Het was geen gebruiksvoorwerp, en de kans dat Jehenne de le Rocque (dure) beeldjes van schaapjes verzamelde lijkt mij toch zeer klein!
![]() |
| de petites heures van Jean, duc de Berry, a° 1372 |
In de Middeleeuwen was het voor veel (begoede) mensen de gewoonte om iedere dag op vaste tijden te bidden.
Men bad bij het opstaan, de metten, bij zonsopgang, de lauden, om 6 uur, de priem, om 9 uur, de terts, om 12 uur, de sext, om 15 uur, de noen, aan het eind van de middag of het begin van de avond, de vesper, en voor het slapengaan, de completen.
Al die gebeden werden verzameld in een gebeden- of getijdenboek.
Deze getijdenboeken waren echte meesterwerkjes van de gothische kunst in de middeleeuwse traditie.
Het waren verzamelingen van geïllustreerde teksten, van kelenders, van psalmen, van missen voor elk liturgisch uur van de dag.
Wanneer een museum zo'n getijdenboek in huis heeft, is dit meestal één van de meest waardevolle stukken van de collectie!
Als voorbeeld van getijdenboeken kennen we de beroemde "petites heures du duc de Berry" en de "très riches heures de Jean, duc de Berry" uit 1372 en 1413, verlucht met miniaturen van de gebroeders van Limburg.
Op de websites les petites heures du duc de Berry en les très riches heures du duc de Berry kunt u zich een idee vormen hoe prachtig zo'n getijdenboek kon zijn.
![]() |
![]() |
Op twee schilderijen van "de meester van Flémalle", het middenpaneel van de "Merode-triptiek" en "de annunciatie", zien we een typisch vroeg 15de eeuws interieur afgebeeld.
De "meester van Flémalle" wordt door vele kunsthistorici vereenzelvigd met de Doornikse meester-schilder Robert Campin (1375-1444).
De vrouw die model staat voor de H. Maagd leest een boek.
Op de tafel zien we het zakje waarin dit boek werd bewaard en de stoffen band die gebruikt werd bij het lezen.
We zien er ook tweemaal eenzelfde type kandelaar en vaas.
Op de kunstig bewerkte (harde) houten zitbank ligt een (zacht) kussentje.
Gezien Jehenne de le Rocque duidelijk tot de Doornikse upper class behoorde, mogen we veronderstellen dat zij ongeveer deze kledij zal hebben gedragen en dat de meeste voorwerpen uit deze schilderijen zich ook in haar huis zullen hebben bevonden.
In hun "Etudes sur l'art à Tournai et sur les Anciens Artistes de cette ville" vermeldden de heren de la Grange en Cloquet dat in de "exécution testamentaire", de uitvoering van de laatste wilsbeschikking van Jehenne de le Rocque, Willème Tahon 15 sols betaald werd voor het graveren van de naam en achternaam van de overledene, en de datum van haar overlijden op haar grafzerk.
In de Doornikse satdsrekeningen van 1396 werd Wil Tayon betaald voor het plaveien van de rue de Marvis.
In dezelfde rekeningen werd hij ook betaald voor het wegvoeren van 2 karren mest en afval uit de straten van de stad.
In volume 8 van zijn "dictionnaire de l'ancienne langue française et tous ses dialectes" van de heer Frédéric Godefroy vinden we een fragment uit het testament van feue demisiele Jehane de le Roque, opgemaakt op 19 februari 1398.
De tekst luidt : "A le femme Jehan le Fevre, men voisin, .i. blancq warcolet".
Demisiele Jehane de le Roque schonk in haar testament een warcolet, een kledingsstuk ter bescherming van de hals, aan de vrouw van haar buurman Jehan le Fevre.
Waar we een hele periode -buiten een benaderde sterfdatum- bijna niets aan gegevens vonden over onze voorouders in Doornik, worden we hier overstelpt met informatie!
We stellen onomstootbaar vast dat Jehenne de le Rocque, de weduwe van Jehan de Bruyelle uit Doornik, in 1392 in Kortrijk opgetekend werd als Jehane vander Roke, wedue van Janne van Bruweele.
Dit is het sterkste bewijs dat de familienaam van de roke de Vlaamse vertaling is van de -in oorsprong Picardische- familienaam de le Roke!
Jonkvrouw Jehane van der Roke werd in verhouding tot Janne van Bruweele omschreven als de weduwe van zijn vader.
Dit, en het feit dat deze Jehan een broer had die ook Jehan de Bruyelle heette, laat veronderstellen dat de oudste Jehan de Bruyelle geen zoon was van Jehane... de tweede Jehan en Catherine de Bruyelle waren vermoedelijk wél haar kinderen.
Helaas heeft niemand een volledige transcriptie van haar testament of de uitvoering ervan gemaakt.
Dochter Catherine de Bruyelle bereikte de top van de Doornikse samenleving.
F.J. Bozière publiceerde in 1860 een dissertatie over "Les épitaphes rimées des Eglises et des Couvents de Tournai", de grafschriften op rijm in de Doornikse kerken en kloosters.
Het grafschrift van Catherine de Bruyelle bevond zich in de Ste.-Catherinekerk, die in de 17de eeuw werd afgebroken bij de constructie van de citadel.
Vous qui ici passez,
Veuillez à Dieu prier,
Pour l'âme de demiselle
Cathelaine de Bruielle
A honneur eneline, ki fust de son vivant,
Espeuse à Aubiert de Buridan ;
De sire Jehan de Collemer
fut femme en second, et mourrut de Tournai
Prévost souverain.
Son tiert mari d'honneur
Fu en plein nommé sire Gille
De Gramés, ecuyer,
Dieu les ait et les sauve.
Catherine de Bruyelle was eerst gehuwd met Aubiers Buridans, een meersenier.
Ze hadden drie zonen : Jaquemart, Francois en Jehan Buridan, en een dochter Catherine Buridan
Jaquemart Buridan vonden we vermeld in de genealogische nota's van F. Van den Bemden.
Hij is geboren in 1378 en overleden na 1405.
In de Gentse stadsrekening van 1420-'21 staat genoteerd dat Jacob Buridan zich mesuseerde, in de stadsrekening van 1425 werd geregistreerd dat hij yssu betaalde, als "poortere die buten trac".
Francois Buridaen, geboren in Doornik, zoon van Aubert, is overleden in Gent op 18 augustus 1420.
Hij is begraven in de kerk van de Augustijnen in de grafkelder van de familie Buridaen.
Jehan Buridan was net als zijn vader meersenier.
Hij werd poorter van Doornik op 2 april 1403 (n.s.), en was ewardeur voor de parochie St.-Quentin in 1404.
Jan Buridaen fs Aelbrecht huurde in 1407 van Pieter Colpaert een huis, genaamd Winendale, in de Steenstraat te Gent.
In 1410 kocht Jan fs Aelbrecht Buridaen in diezelfde Steenstraat te Gent een huis en huisje, voor het huis Sint-Elooi, en een plaatsje vrij erfgoed, dat tot aan de Lieve liep.
In 1410 was Jan Buridaens pachter van 4 munten op 1 stoep wijn, en pachter van de poorte.
Hij was gehuwd met Margherite Croquevilaine, en hij is overleden vóór 1424.
In de jaarregisters van de schepenen van Gedele van Gent werd in augustus 1424 een plaatsje voorzien om de staet van goed in te schrijven van Hannekine en Moenica, Jan Bueridaens kinderen bij Mergriete Croquevilleine, met als voogd claeys de smet.
Om één of andere reden is deze staet van goed nooit ingevuld, en is het blad blanco gebleven...
De persoon Claeys De Smed komen we ook tegen bij de familie van de roke in Gent.
Claeys Smeeds was in 1400 gehuwd met kateline Otterspore. Haar broer Zeger was in 1401 borg voor Simoen Otterspore, die in 1420 borg was voor janne de clerc toen die een schuld bevestigde aan jacop van der roke, bijgestaan door zijn borg jacop van der roke, zijn zone.
In 1401 ontving Jan Bonaert een som van Claeys De Smed, voogd over de kinderen van N. van den Bunre. Willemme Meerijs, de eerste vrouw van Jacop van der roke was voordien gehuwd geweest met Jan van den Bunre. Jan Bonaert werd in 1428 in het testament van Jacop van der roke vermeld als "minen neve". In 1430 was Clare de Poerter, de tweede vrouw van jacop van der roke borg voor Jan Bonaert.
Heinric van den Upstalle ontving wezengeld over de kinderen van Claeys Smeeds. Heinric van den Upstalle werd eveneens vermeld in het testament van jacop van der roke in 1428, en hij was borg voor Jan Bonaert toen die een schuld erkende jegens Beelen van der Corben.
Naast het feit dat leden van de Doornikse familie de le Rocque in het begin van de 15de eeuw aanwezig waren in Gent, is de vaststelling dat Claeys De Smet voogd was over de kinderen van de kleinzoon van Jehenne de le Rocque, en dat hij duidelijke banden had met de bekenden en verwanten van Jacop van der roke, zoon van Jac van de roke, een duidelijke aanwijzing dat deze families elkaar nog kenden, en dus zeer nauw verwant moeten geweest zijn.
Dochter Cathérine Buridan huwde met Jacques de Hellemes.
Hun dochter Jehenne de Hellemes huwde met Gerard de Hurtebise, en bij diens overlijden in 1492 werd een akte bezegeld door onder andere Loys de Ghisdalle.
Een dochter van Arent vander Roken was gehuwd met een Loys van Gheesdale...
Aubiers Buridans maakte zijn testament op op 1 oktober 1387, en wou begraven worden in de S. Nycaisekerk, naast zijn vader.
Hij wou een grafzerk met als personnages zijn vader, zijn moeder en hijzelf.
Catherine de Bruyelle hertrouwde met Jehan Colemer.
Jehan Colemer was prévost van Doornik, en maakte zijn testament op op 8 oktober 1389.
Catherine de Bruyelle trouwde een derde keer, met ridder Gilles de Gramez.
Gilles de Grantmes is reeds overleden vóór 1424, want in dat jaar werd Catherine als zijn weduwe geregistreerd.
In het register van onroerende renten van de abdij van St.-Nicolas des prés van 1424, kunnen we lezen dat Catherine de Bruyelles de rente van 9 "sols obol tournois" geschonken had aan de abdij, zoals bleek uit haar testament.
Daarin staat geregistreerd dat deze rente betrekking had op een stuk grond met tuinen, gelegen buiten de Bruillepoort, tussen de straat langs de stadsgracht en de weg naar Oudenaarde...
Deze tuinen bevonden zich zowaar exact op dezelfde plaats waar Johannes de le Roke rond 1225 drie tuinen pachtte van de Sint-Maartensabdij!
In de Veil Rentier van heer Jan van Pamele-Oudenaarde uit 1275 werd reeds ene Monsigneur Williaume de Grant Meis vermeld die een masure bezat op de plaats Hélebruec, gelegen deels in Melden en deels in Berchem... opnieuw in de onmiddellijke nabijheid van de plaats "heylbrouc" waar het familiaal leen van de familie van der Roke zich bevond!
Gezien zijn voornaam zal Williaumes de Grant Meis wel een voorvader van "onze" Gilles de Grantmes zijn geweest, derde echtgenoot van Jehane de le Rocques dochter Cathérine de Bruyelle.
Dit is het tweede bewijs dat er op het eind van de 13de eeuw meerdere families waren die bezittingen hadden in de streek rond Melden en Berchem, en de regio Flobecq en Doornik.
In de jaarregisters van de schepenen van de Keure van de stad Gent staat geregistreerd dat op 14 september 1393 Gheerard van Westrem "comen es voor scepenen" waarbij hij "kende en lijde dat hij tachter es goede redeliker scult joncvr. Katheline van Bruielle gillis wijf van grandmes de som van negen ponden ellef scelen groot lichts gelts.
Ook Kateline van Bruielle had dus duidelijk economische contacten in de stad Gent...
In 1822 werd door Sir Thomas Phillipps een groot aantal Doornikse chirografen aangekocht op een openbare veiling -tegen de prijs van het perkament.
Een dertigtal van die chirografen bevinden zich nu in de John Rylands library van de universiteit van Manchester, in de Phillipps Charters Collection.
Dank zij een tip van apis tornacensis kwamen we de acte met referentie PHC/193 uit dit fonds op het spoor.
Op 19 mei 1392 werd een chirograaf opgesteld waarbij Jehan de Hellemes, de prévôt van Doornik, aan Colard de Roques een stuk land verhuurde, gelegen nabij de Porte Fierain.
We herinneren ons dat Katerine Buridan, de dochter van Katerine de Bruyelles en Aubiers Buridan, en kleindochter van Jehane de le Rocque,rond 1400 gehuwd was met Jacques de Hellemes, ontvanger van de "droits de justice" van Doornik, en ongetwijfeld een nauwe verwant van prévôt Jehan de Hellemes.
In de stadsrekening van Doornik van het tweede kwart van 1400 vinden we volgende passage :
De Colard De Rocque, vieswarier, pour cause de l’acort ou grace a li fait par les consaux
de pooir tenir et exercer les jeux de le hauditte et des brelens durant le feste de l’Assencion
en celli an, et pareillement a le feste de le pourcession ensuivant, par certains jours et lieux
acoustumez en deux tentes, et aussi d’avoir, tenir et exercer le jeu des billes, fiestes et dimences
jusques au jour de la creacion de le loy prochain venan, pour ce par marchié a li fait ... ... ... ij.C. l.
Waaruit onder andere blijkt dat Colard een vieswarier was, een handelaar in en hersteller van oude klederen, en dat hij als lucratieve bijverdienste tijdens de feesten ter gelegenheid van de Hemelvaart en tijdens de grote processie in september de "hauditte"-, "brelens"- en "billes"-spelen organiseerde in twee tentjes...
In de Archives Nationales de France in Parijs is er een centrum voor historisch juridisch onderzoek.
In het fonds van dit Centre d'Etude d'histoire juridique de Paris bevindt zich onder referentie X1a 51050 een notariële acte van 27 juni 1404 waarin een geschil wordt beslecht tussen Colart de Roque en de provoost en gezworenen van Doornik.
We hebben het document nog niet kunnen bestuderen.
In de nota's van de heer Verriest vonden we een gedeeltelijke kopie van het testament van Catherine de Crespelaines, dite Hanièle, weduwe van Jacques Davesnes, van 12 augustus 1411 waarin Colart de Roque wordt vermeld.
Hij bezat samen met Henry de le Catoire twee huizen "en le Chaingle" -in de rue du Cygne te Doornik- waarop Cathérine de Crespelaines, dite Hanièle een rente had, die zij na haar dood schonk aan haar nicht Jehenne Haniele.
P.A. du Chastel de la Howarderie vermeldt Catherine de Crespelaines dit Haviel als weduwe van Jaquemes Davesnes.
Hij was teinturier, verver, van beroep en was schepen en eslisseur van Doornik tussen 1363 en 1408.
In het ambtsjaar 1367-'68 was hij raadgever van de prévôt, in 1374-'75 gedelegeerde van de ververs, en in 1387-'88 deken van de "XIII hommes de la draperie".
Catherine de Crespelaines was de dochter van Gilles de Crespelaines en Marguerite Haviel.
Het echtpaar Davesnes-de Crespelaines ligt begraven in de Doornikse St-Jacqueskerk, in de kapel van St.-Roch.
De familienaam Haviel is vermoedelijk identisch aan de naam Hauwiel, die we her en der bij de families de Rocque, de le Roke en van de Roke ontmoeten.
In de namenlijst van de Doornikse testamenten vinden we ene Maigne de Crespelaine, weduwe van Jehan Buridan, die haar testament heeft opgemaakt in 1431, en een tweede versie in 1433.
We vinden ze in de Choix de Testaments Tournaisiens... als Maigne de Crespelaine dite Hanielle als weduwe van Jehan Buridan en moeder van Jaquemart.
We bespraken reeds bij de de familie de le Roke in Doornik dat Catherine de Bruyelles, de dochter van Jehane de le Rocque gehuwd was met Aubiers Buridans.
De rente op twee huizen in de rue de le roke die Jakemes de le roke aan het Groot Officie van de refectoir van de kathedraal betaalde in 1289, werd later (vermoedelijk rond 1400) door ene Jehan Buridan betaald.
We vonden in de Doornikse stadsrekeningen van 1399 in de lijsten van de personen die aan de stad Doornik geld hadden geleend op lijfrente demis. cathérine de crespelaine dite hannielle (of hauvielle) en demis. margueritte se soer.
Ze staan er geregistreerd tussen Catherine de bruyelle en demis. catherine, fille de feu Jehan de Bruyelle, de dochter en kleindochter van Jehenne de le Rocque, die in 1397 en '98 ook zelf in die lijsten werd vermeld.
In het (privé)archief van de kathedraal van Doornik wordt onder nr 506B een renteboek bewaard uit 1415.
Per parochie werden alle personen genoteerd die aan het groot officie van de Cellier van het kapittel van de Doornikse kathedraal een rente dienden te betalen.
Diep verscholen in een grote plooi in dit licht beschadigd renteboek vinden we dat er door de kapelanen van de ste.-Margritekerk een rente betaald werd op een huis in de rue Franoise in de st.-Magdeleine-parochie.
Dit huis was gelegen tussen het huis van Jehan Labalestrier, en dat van Colard de Rocque, dat vroeger van Colard le Vieswarier was geweest.
Opnieuw springt de merkwaardige gelijkenis in het oog tussen Colard de Rocque, vieswarier, en Colard le Vieswarier.
Misschien mogen we daaruit besluiten dat de vader of grootvader van Colard de Rocque eveneens Colard heette, en eveneens handelaar in tweedehands kledij was...
Het doorgeven van de voornaam van grootvader op kleinzoon was heel gebruikelijk, wat ons bij Colart Delerocque zou kunnen brengen, die in 1359 zijn testament opmaakte.
In zijn "Choix de testaments Tournaisiens..." noteerde A. de la Grange ook een fragment uit het testament van Maigne d'Essartiaux, weduwe van Colart de Rocque die was hertrouwd met Jehan Benoit dit Vallet.
Haar testament werd opgemaakt op 11 augustus 1422, en ze overleed 16 dagen later.
Ze schonk aan de St.-Brice kerk "ung vermeil couvertoir" om de kerk mee op te smukken.
Generatie na generatie vinden we de naam Colart terug in de familie de le Roke in Doornik, de veronderstelling dat deze Colart de Rocque een afstammeling van deze familie is lijkt daardoor alleen al aanvaardbaar.
Zijn duidelijke connecties met de families Buridan en de Hellemes bevestigen deze these.
In de rekeningen van de Sint-Nicolaasparochie, gelegen in de wijk Bruille, van 1401 werd Clais l'escrignier vermeld.
In datzelfde jaar werkte Clais l'escrinier ook voor de stad : hij bezorgde een koffer "d'assielles d'anemarche" aan het stadsbestuur.In 1404 maakte Clais acht van de "calis" van het st.-Jacobshospitaal, en in 1405 maakte hij een deur voor dat ziekenhuis.
Hij is volgens de auteur "sans doute" dezelfde persoon als Clais le Roque, de schrijnwerker die in 1417 herstellingen uitvoerde aan de vleugels van de engelen en aan de beelden van de St.-Nicolaaskerk.
Onmiddellijk valt de voornaam Clais op, een variant van de naam Nicolaes.
Ongetwijfeld is deze Clais le Roque een nazaat van Colars Delerocque die in 1359 zijn testament opmaakte.
Zoals we vroeger reeds zagen gebeuren, raakte Clais een deel van zijn achternaam kwijt.
Deze maal verdween enkel het voorzetsel, een fenomeen dat zich op het eind van de 15de en 16de eeuw opnieuw manifesteerde.
![]() |
Een escrinier maakte koffers en schrijnen, en beoefende dus het oorspronkelijke ambacht van schrijnwerker.
In een artikel van C. Slootmans over "De verhouding Antwerpen - Bergen op Zoom" kunnen we lezen we dat in Bergen op Zoom de makers van koffers, tafels en scheden deel uit maakten van het meerseniersambacht.
Op het rechtse zijpaneel van de zogenaamde Merodetriptiek, daterend van rond 1425, schilderde "de meester van Flémalle" de heilige Jozef aan het werk.
Er wordt tegenwoordig algemeen aangenomen dat "de meester van Flémalle" de Doornikenaar Robert Campin was.
Hij was de leraar van o.a. Jacques Daret en Rogelet de le Pasture (= Rogier van der Weyden), en samen met peintre Roger werd hij vermeld in de rekeningen van de Ste.-Margueritteparochie, waarin we ook Jehan de le Roc aantroffen.
Ongetwijfeld krijgen we hier een prachtig beeld van het atelier van een vroeg 15de-eeuwse (Doornikse) schrijnwerker.
De ambachtsman zit op een (koffer)bank aan een tafel.
Op de werktafel en op de grond zien we de getrouwe weergave van de middeleeuwse werktuigen : twee soorten boren, een hamer en spijkers, een beitel, een tang, een kapmes, een (figuur)zaag en twee soorten bijlen.
Dit schilderij verschaft ons ook meer informatie over het interieur, waarbij vooral de luiken opvallen die enerzijds dienden om de onbeglaasde ramen af te sluiten, en anderzijds naar buiten konden geklapt worden als toonbank.
Wellicht werd dit systeem ook door andere ambachts- en kooplui aangewend!
Op de werktafel en de toonbank bemerken we muizenvallen en op de grond staat een voetbankje, blijkbaar typische produkten die door de schrijnwerker vervaardigd en verkocht werden.
We krijgen ook een idee over de kledij die een 15de-eeuwse ambachtsman droeg, waarbij het speciale hoofddeksel opvalt en de schoen met gesp.
De houten trip waarop zijn linkervoet rust was algemeen in gebruik, en diende als isolatie door rechtstreeks contact van de voeten met de (koude) vloer te voorkomen.
We worden bovendien getrakteerd op een prachtig zicht op een middeleeuws stadsplein en aanpalende straten.
In het door A. Cloquet gepubliceerde obituarium van de Doornikse St.-Jacquesparochie staat in 1407 Gilliart le Rocque vermeld.
Hij had dezelfde naam als Egidius (1232) en Gilles de le Roke (1260), en is vermoedelijk dezelfde persoon als Gilliart de le Rocque die we in de periode 1404-1418 aantreffen in Flobecq.
(zie de familie de le Roke in Flobecq en Ellezelles).
In de "Annales de la Société Historique et Archéologique de Tournai" werden in tome XIII door de heer E. Soil de Moriamé de rekeningen van de parochie St.-Brice gepubliceerd.
In de rekeningen voor het jaar 1408-1409 staat Lotart de rocque vermeld, die 7 deniers ontving "pour 2 esperges servans as benitoirs".
De term "bénitoirs" verwijst naar het werkwoord "bénir", wijden, in combinatie met "esperges" afkomstig van het werkwoord esperger, besprenkelen, wijst deze passage er wellicht op dat Lotart de Rocque hier betaald werd voor de verkoop van 2 wijwaterkwasten.
Wellicht één van de vele artikelen die verkocht werden door meerseniers die gespecialiseerd waren in de verkoop van paternosters en dergelijke, daarbij denkend aan Jehan de le Roke, le paternostier uit 1263.
De naam Lotart is een afkorting van de vleivorm Gillotart van de naam Gilles.
Zowel in Ellezelles als in Doornik ontmoetten we reeds een Gilliart de le Rocque en een Gilliart le Rocque in dezelfde periode, mogelijk gaat het hier om dezelfde persoon of om een zeer dichte verwant.
Ter gelegenheid van de 20ste verjaardag van de Guides de Tournai, werd in de reeks Tournai Art et Histoire in 1993 een 7de publicatie uitgegeven : Les Grands Siècles de Tournai.
Als archivarissen en conservators van het slechts sinds kort voor het publiek, en dus ook voor ons toegankelijk geworden archief van de Doornikse kathedraal, publiceerden kanunnik Jean Dumoulin en professor Jacques Pycke in dit boek de 15de eeuwse rekeningen van de Sainte-Marguerite-parochie van Doornik.
We vinden er in de rekeningen van 24 juni 1423 tot 24 juni 1424 dat er een som van 19 s. en 10 d. betaald werd omdat er een pale –een zwart rouwkleed- op het lichaam van Jehan de le Roc werd gelegd.
![]() |
De gebroeders Pol, Hermann en Jannequin Limburg, in dienst van Jean, duc de Berry, illustreerden rond 1408 het persoonlijk gebedenboek van de hertog met enkele fraaie miniaturen.
Eén van die pagina's geeft ons een idee hoe zo een (rood) rouwkleed over de kist van de overledene werd gedrapeerd.
Bij de begrafenis op het kerkhof zijn de gewoonten blijkbaar nog niet veel veranderd, en ook toen begeleidden de naasten van de overledene hem naar zijn laatste rustplaats.
![]() |
In het archief van de kathedraal van Doornik konden wij onlangs het originele document inkijken.
De vergelijking tussen de eind-e's van de woorden le en pale, en de laatste letter van de naam van Jehan de le roc leidt tot onze spijt onvermijdelijk tot de conclusie dat in 1423 een lijkwade werd gelegd over het lichaam van Jehan de le roe...
![]() |
Deze persoon heeft dus helemaal niks met onze familie te maken.
In de namenlijst van de Doornikse testamenten, voor het nageslacht bewaard door de heer Adolphe Hocquet, vinden we in 1452 de naam van Pierre de Rocque.
We vinden zijn naam in de namenlijst van de "comptes de tutelle et d'exécution testamentaire" in 1453 vermeld als Pietre de Rocque.
Waar we doorgaans niet méér informatie vinden dan een naam in de lijst van de testamenten, hebben we met deze Pietre de Rocque meer geluk.
In zijn "Choix de testaments Tournaisiens antérieur au 16e siècle" publiceerde Amaury de la Grange een deel van dit testament.
We leren er dat het testament van Piettre de Rocque werd opgesteld op 4 september 1452, en dat de man overleed op 13 september 1452.
Hij was gehuwd met Cathérine de Galois, en besliste dat na zijn dood een grafsteen moest vervaardigd worden met daarin gebeeldhouwd de 4 beeltenissen van Onze Lieve Vrouw, Sint Pieter, Sint Cathérine en Sint Jan.
Deze gedenksteen diende te worden aangebracht in de muur voor zijn graf waar zijn lichaam zal rusten...
De heer de la Grange voegt er tussen haakjes nog aan toe (à st. Brice).
In 1412 werd Jacop van der roke te Gent aangeduid als voogd van Grielkine Doedekin, dochter van Mergriete van den Hecke en kleindochter van Lysbette van Gallaeys.
Marie van Orroir, Jakomaerde van Galaeys en Willem vander Fossen waren erfgenamen van Lysbette van Galaeys toen die overleed in 1420.
Marie van Orroir was gehuwd met Simoen Meerijs, een nauwe verwant van Jacop van de rokes vrouw Willegemme (Ha)merijs.
Willem van der Fossen vonden we terug in Doornik in 1415 als Willin de le Fosse, waar die een cijns aan het kapittel van de kathedraal overnam van de weduwe Rommel, over wiens kinderen Jan van de roke dan weer voogd was.
Jacquemart de Gallais staat vermeld in het obituarium van de St-Piat-kerk in Doornik, en in september 1445 maakte hij er zijn testament op.
Wij vinden hier via de familie de Gallois - van Gallaeys als tussenpersonen een vrij direct verband tussen de familie de Rocque uit Doornik en de familie van de roke uit Gent en Berchem.
Ook in de nota's van E. Soil de Moriamé, bewaard in het Rijksarchief te Doornik, vinden we de vermelding van de staat van goed van Piettre de rocque.
De heer Soil de Moriamé vermeldt als meest in zijn oog springende voorwerpen tussen de inboedel van Piettre de rocque :
In zijn artikel over "les constitutions de Tournay sous Philippe de Valois" vermeldt A. d'Herbomez onder de officiële functionarissen van de stad de "gardes des fripiers des vieses robes et des vieses pennes" als lagere magistraten die door de schepenen werden benoemd.
Piettre de Rocque was vermoedelijk zo'n "fripier des vieses robes", een handelaar in oude kledij ... net als Colard de Rocque, le vieswarier, dat één generatie vroeger was geweest.
Wat ons dus ook doet durven besluiten dat we hier met zoon en vader de Rocque te maken hebben.
Tot overmaat van vreugde vonden we ook in de genealogische nota's van Ferdinand van den Bemden, bewaard in het handschriftencabinet van de bibliotheek van de Rijksuniversiteit van Gent een gedeeltelijke transscriptie van het testament van Pietre de Rocque!
Hij noteerde als erfgenamen zijn vrouw Cathérine Gallois en zijn broers Coppin en sire Jehan de Rocque.
Als bijzondere clausule vinden we vermeld dat hij zijn laatste rustplaats kiest op het kerkhof van St.-Nicaise, zo dicht mogelijk bij het graf van zijn vader -wiens naam helaas niet werd vermeld- en dat men een grafzerk diende te bestellen met daarin 4 beeltenissen gehouwen ; die van Onze Lieve Vrouw, die van St.-Nicaise, die van Ste.-Cathérine en die van St.-Jehan, om aangebracht te worden in de muur voor zijn graf waarin zijn lichaam zal rusten.
Het kerkhof van St.-Nicaise was gelegen in de rue de le roke, en één van de twee woningen die Jakemes de le Roke er bezat in 1289 was vlakbij dit kerkhof gesitueerd... over een aanwijzing gesproken!
Van deze Coppin de Rocque vonden we (voorlopig) enkel een eenmalige vermelding in het testament van zijn broer Piettre in 1452.
De naam Coppin is een taalkundige variatie -een augmentatief- van de naam Jacop.
Zoals reeds eerder besproken bij de familie de le Roke in Doornik, de familie van de roke in Gent en bij de familie van de roke in Berchem was de naam Jacop de meest voorkomende voornaam in deze familie in de 14de en 15de eeuw.
De heer Barbiot deed genealogische opzoekingen vóór een enorme brand tijdens de Tweede Wereldoorlog het rijke Doornikse archief volledig in de as legde.
Zijn nota’s werden gepubliceerd in het kader van de reeks “documents détruits” in de “Annales du Cercle Archéologique du canton de Soignies” van 1955.
Hij noteerde dat Jehan de le Roche in de rekeningen van de St-Nicaiseparochie van 1453 vermeld werd tussen vele van zijn medeparochianen als “bonne gens d’ycelle paroisse”, samen met onder andere Hutin Barbiot en ene Jehan Bourlet.
We zagen vroeger reeds dat Jakemes de le Roke in 1289 een cijns betaalde aan het grand office du refectoire du chapitre cathédrale voor twee huizen in de rue de le roke in de St-Nicaise-parochie.
Zijn vermoedelijke zoon Jak was er connétable in 1332 en woonde eveneens in de rue de le roke st.-nicaise.
Blijkbaar bezat de familie de le Roke in 1453 nog steeds een woning in die St.-Nicaiseparochie, vermoedelijk in deze rue roc st.-Nicaise.
We kunnen enkel nogmaals betreuren dat deze rekeningen van de St.-Nicaiseparochie zijn verloren gegaan in de brand van mei 1940, en dat niemand deze rekeningen in extenso heeft gepubliceerd.
We zouden er ongetwijfeld een massa gegevens over de familie de le Roke in hebben kunnen vinden...
In 1404 erkende Jan van der Roke voor de schepenen van de Keure van Gent dat hij een som van 12 schellingen en 4 denieren groten schuldig was aan Beelen Noes.
Jan Bourlet beloofde Jacoppe [van der Roke] "scadeloos te quitene".
Het samen voorkomen van de familie Bourlet met de familie de le roke te Doornik en de familie van de roke te Gent is één van de vele kleine aanwijzingen die bevestigt dat deze één en dezelfde familie waren.
Bovendien was er in het begin van de 17de eeuw (en wellicht ook vroeger) een vrij uitgebreide familie Bourlet aanwezig in Ellezelles...
In zijn inleidende beschouwingen over de Doornikse gewoonten rond overlijden vermeldt A. Delagrange in zijn Choix de testaments Tournaisiens... een passage uit de rekeningen van de uitvoering van het testament van Ysabielle de Rocques uit 1456.
In de 14de en 15de eeuw werden in Doonik meerdere missen opgedragen voor de overledene, en dikwijls in meer dan één kerk.
Niet altijd was het lichaam van de aflijvige daarbij aanwezig.
Een passage uit de rekeningen van de uitvoering van het testament van Ysabielle de Rocques uit 1456 leert ons dat de priesters, kapellanen en geestelijken de ceremonie van de dodenzangen en laatste gebeden hadden gecelebreerd rond een dekkleed met een voorstelling van het lichaam van de overledene, die blijkbaar reeds eerder was begraven.
Over deze Jehan de Roques vonden we enkel zijn vermelding in de namenlijsten van de Doornikse testamenten.
We verwijzen hier naar het testament van Pietre de Rocque uit 1452, waarin zijn broers Coppin en sire Jehan de Rocque worden vermeld...
De titel "sire" werd gebruikt voor iemand die prévot geweest was in Doornik, of die priester was.
Monique Vleeschouwers-Van Melkebeek publiceerde de "Compotus sigilliferi curie Tornacensis", de "Rekeningen van de officialiteit van Doornik" voor de periode 1429 tot '81.
Deze bisschoppelijke rechtbank bestond reeds sinds het einde van de 12de eeuw.
Het financiële overzicht van de inkomsten en uitgaven verbonden aan de werking van deze rechtbank, werd jaarlijks door de zegelaar of zegeldrager -"de sigillifer curie"- aan de bisschop van Doornik voorgelegd.
Door de eeuwen heen zijn aldus een indrukwekkende reeks jaarrekeningen ontstaan, waarvan er helaas slechts 16 bewaard zijn gebleven.
In de jaarrekening van de inkomsten en uitgaven van de officialiteit van Doornik, lopende van 1 juli 1461 tot 30 juni 1462, opgesteld door sigillifer Pieter de Vlenke, werd in de week van 12 tot 17 april 1462 een voor ons interessante uitgave gedaan door de Doornikse bisschop en de drie aartsdiakens :
Item solvi domino Johanni de Roqua qui audivit confessiones certorum prisonariorum curie in Ebdomada Sancta ultima preterita... 24s.
Zegelaar Pieter Vlanke had aan priester Johannes de Roqua een som van 24 sols. betaald, omdat hij tijdens de Heilige Week de biecht had afgenomen van enkele gevangenen.
Johannes de Roqua was dus de biechtvader van de bisschoppelijke gevangenis in Doornik.
Deze priester Johannes de Roqua is mogelijk dezelfde persoon als Jan de le roke, de priester van Schorisse, die in 1440 lid was van de Oudenaardse st.-Jorisgilde (zie de familie de le Roke in Flobecq).
In het handschriftencabinet van de Gentse Rijksuniversiteit worden vele genealogische aantekeningen van Ferdinand Van den Bemden bewaard.
Daarin vinden we vermeld dat Sire Jehan de Rocques, presbyter, in 1479 een lijfrente startte voor zijn dochter Isabelle de Rocques die hij had bij Marie de Liequenech fa Willem.
Isabelle de Rocques huwde met brouwer Willemme Fourment, en is een rechtstreekse voorouder van Hélène Fourment, de echtgenote van Pieter Paul Rubens.
We verwijzen hier ook naar het testament van Pietre de Rocque uit 1452, waarin zijn broers Coppin en sire Jehan de Rocque worden vermeld...
Adolphe Hoquet publiceerde in zijn "monographie de l'Eglise St.-Jacques de Tournai" het obituarium van deze kerk.
In dit obituarium werden de overledenen van de parochie St.-Jacques genoteerd.
In 1472 werd Jacques Roke erin vermeld.
Hier hebben we met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te maken met Jacob van der Roken uit Berchem, die ook in 1470 in Oudenaarde werd geregistreerd als Jacob Roke (zie de familie van de roke in Berchem).
In het handschriftencabinet van de Gentse Rijksuniversiteit worden vele genealogische aantekeningen van Ferdinand Van den Bemden bewaard.
Daarin vinden we vermeld dat Sire Jehan de Rocques, presbyter, in 1479 een lijfrente startte voor zijn dochter Isabelle de Rocques die hij had bij Marie de Liequenech fa Willem.
Zeer waarschijnlijk is deze priester Jehan de Rocques dezelfde als de boven vermelde priester Johannes de Roqua die in 1462 biechtvader was in de bisschoppelijke gevangenis in Doornik.
We vernamen reeds bij de bespreking van sire Jehan de Rocques dat hij een dochter Isabelle had bij Marie de Lieqenech fa Willem.
Haar voornaam wijst op een nauwe verwantschap met de Ysabielle de Rocque die in 1456 overleed.
Isabelle de Rocques huwde met brouwer Willemme Fourment, en is een rechtstreekse voorouder van Hélène Fourment, de tweede echtgenote van Pieter Paul Rubens.
In het Rubensjaar 1977 verscheen onder andere in het genealogisch tijdschrift "Le parchemin" een artikel over de voorouders van Hélène Fourment.
We leren er het geboortejaar 1474 van Isabelle de Rocques kennen, en haar nageslacht.
Haar zoon Pierre Fourment († <1554) huwde Marie Chuquant.
Hun zoon Jean Fourment († <1610) huwde Jeanne Bulteau.
Hun zoon Daniël Fourment, geboren in 1565 in Doornik, en overleden in Antwerpen op 5 juni 1643, huwde op 13 februari 1590 met Claire Stappaert.
Daniël Fourment was tapijthandelaar en een goede vriend van Pieter Paul Rubens.
Daniël en Claire waren de ouders van Hélène Fourment, geboren in 1614, en overleden in 1673.
Op 16-jarig leeftijd huwde zij met Pieter Paul Rubens.
![]() |
![]() |
In de alfabetische namenlijst van de te Doornik bewaarde testamenten, komt ook ene Catherine Le Roc voor.
Zij liet haar testament opmaken in 1499.
In 1513 werd Doornik na een korte belegering veroverd door de Engelse koning Henry VIII.
Alle poorters van Doornik werden verzocht een eed van trouw af te leggen aan Henri VIII, en indien zij weigerden dienden ze binnen de 40 dagen de stad te verlaten.
Vele Doornikse handelaars verlieten de stad en trokken naar Gent of Brugge.
In 1513 werd Aernoudt de Roc ingeschreven in het poortersboek van Brugge.
We vinden zijn naam tussen enkele andere namen die duidelijk van Doornik afkomstig waren.
Aernoudt de Roc is bijna zeker dezelfde persoon als Arent van (der) Roken, geboren rond 1473 (zie de familie van de roke in Berchem).
Paul Armand du Chastel de la Howarderie, erudiet historicus uit Doornik, onderzocht en publiceerde in het begin van de 20ste eeuw vele genealogieën van Doornikse geslachten, onder andere over de familie Mouton en de familie Thiébegot.
De familie Tiébegot bezat enkele lenen in het noord-westen van Henegouwen, onder meer dat van la Cucquière in Celle-Molembaix en dat van Chinaumont te Ellezelles, in leen gehouden van het feodaal hof van Leuze.
Het leen "Cynaumont" te Ellezelles werd in een aanvulling aan het testament van Jakemès Tiebegot le père uit 1344 omschreven als bestaande uit een manoir met gronden, weiden, bos en elzenbos.
Er bestaat ook nu nog een straat Guinaumont in Ellezelles en deze plaats bevindt zich op anderhalve kilometer van het bos de le roke te Flobecq.
Tussen 1239 en 1256 was Jehan Tiébegot schepen van Doornik-stad en van St.-Brice.
Zijn kleinzoon Jehan was provoost van de stad van 1340 tot 1349 en was gehuwd met Maigne Gargate, we ontmoetten haar reeds in de Kortrijkse stadsrekeningen van 1392, waar zij net na Jehane vander Roke werd opgetekend in de lijst van begoede Doornikse burgers die op lijfrente geld hadden geleend aan de stad Kortrijk.
Deze Jehan’s broer Henri had een dochter Magnon Tiébegotte die rond 1349 gehuwd was met Jaquemes Gargate.
(In 1339 werd Jak de le Roke, le mercier vermeld in het testament van Jehan Gargate).
We vinden verder in de genealogie van deze familie Thiebegot de drie kinderen van ene reeds overleden Jehan de le Rocque, en een eveneens reeds overleden dochter van Jacquemart Thiebegot in het op 5 mei 1515 opgemaakte testament van diens weduwe Jehenne Prevost.
Jehenne Provost was een dochter van Pierre Prevost, die in 1492 een huis bewoonde “en le roque, en la paroisse St.-Nicaise”- hij was "eslisseur des povres".
A.F.J. Bozière leert ons dat na de brand van het belfort in 1391 de klokken -de bancloque, de vigneron, de cloche des ouvriers en de timbre- volledig waren vernield.
De klokken werden vernieuwd, en de bancloque bevatte de wapenschilden van de families Thiébegot, Crisembien en Prévost, die toen allen tot het Doornikse stadsbestuur behoorden.
Er was -en is- in Doornik een rue Prévôt.
Een acte uit 1300 leidt A.F.J. Bozière in zijn boek "Tournai Ancien et Moderne" ertoe te geloven dat deze straat werd genoemd naar de familie Prévôt die er woonde.
In deze acte verkocht Jehan Prouvos, "li pères", twee huizen gelegen in de straat die men Prouvost heette, aan Wille Boutillier.
F. Desmons maakte vóór de brand van 1940 een bijna woordelijke transcriptie van dit testament, en daarin zijn de voornamen van deze drie kinderen de le Rocque evenmin vermeld.
Driewerf helaas was de heer Desmons slechts geïnteresseerd in de bezittingen van de testamenteurs !
Handelaar Godefroid Tiébegot, de broer van de vrouw van Jehan de le Rocque, heeft zijn testament opgemaakt op 1 mei 1515.
Godefroid had als uitvoerders van zijn testament Pierre Prouvost en Caron Cocquiel dit le Merchier aangeduid, en bij hun weigering Denis de Rocques en Olivier Dommessent.
Toen Godefroids testament werd uitgevoerd op 4 mei 1515, werd Caron Cocquiel inderdaad als executeur vervangen door Denis de Rocques.
Zeer waarschijnlijk was Denis de Rocques één van de drie kinderen van Jehan de le Rocque en de zus van Godefroid Tiébegot.
We verwijzen voor de verdere bespreking naar de pagina over de familie de Rocques in Doornik.
Wegens de verwantschap van de families Thiebegot en Gargate, en de aanwezigheid van de familie Provost in de roque in de St.-Nicaiseparochie behoorde deze Jehan de le Rocque ongetwijfeld tot de familie de le Rocque uit Doornik.
Het leen Chinaumont van de familie Thiebegot in Ellezelles was ongeveer 1 kilometer verwijderd van het bos de le Roke in Flobecq.
Ook de familie Gargate werd in de Veil Rentier van Jehan van Pamele-Oudenaarde in 1275 reeds in Ellezelles opgetekend.
De familiale allianties van deze Jehan leveren ons de zoveelste aanwijzing dat de familie de le Roke uit Doornik en de familie de le Roke uit Flobecq en Ellezelles één en dezelfde familie waren.
Handelaar Godefroid Tiébegot, de broer van de vrouw van Jehan de le Rocque, heeft zijn testament opgemaakt op 1 mei 1515.
Godefroid had als uitvoerders van zijn testament Pierre Prouvost en Caron Cocquiel dit le Merchier aangeduid, en bij hun weigering Denis de Rocques en Olivier Dommessent.
Toen Godefroids testament werd uitgevoerd op 4 mei 1515, werd Caron Cocquiel inderdaad als executeur vervangen door Denis de Rocques.
(Deze Caron Cocquiel dit le Merchier en zijn vrouw Jehenne Havet zijn nummers 42 en 43 in de kwartierstaat van Hélène Fourment, waarin Isabelle de Rocques nummer 17 is, en Jehan de Rocques nr 34.)
Zeer waarschijnlijk was Denis de Rocques één van de drie kinderen van Jehan de le Rocque en de zus van Godefroid Tiébegot.
Het verband tussen deze Denis de Rocques en de familie de le Rocque is hier zeer duidelijk.
In de genealogische nota's van de heer Van den Bemden, bewaard in het handschriftencabinet van de Rijksuniversiteit Gent, vonden we dat Denis de Rocques is overleden in 1532.
Hij was gehuwd met Cathérine du Rieu fa Jehan.
Zij hadden één dochter : Jennin de Rocques.
In 1521 kwam Doornik, na 8 jaar Engels bewind, voor het eerst bij de Nederlanden.
In de Doornikse stadsrekening voor het dienstjaar oktober 1521 - september 1522 werden ontvangsten voor de stad genoteerd die voortvloeiden uit rentes wegens het levenslang huren van "eschoppes".
Eén van de 10 winkeltjes gelegen rechtover la grange des disme werd gehuurd door Charle de le Roche. Hij betaalde er een jaarlijkse rente voor van 20 sols.
La grange des dîmes is gelegen op de Doornikse Grand'Place. Het was de schuur waarin de Sint-Maartensabdij het graan opsloeg dat haar toekwam wegens het bezit van "dîmes" of "tienden" op allerlei gronden, een taks van 10% van de opbrengst.
Ook in de Doornikse stadsrekening voor 1522-'23 werd Charles de le Roche geregistreerd.
Meer nog, in dat jaar kocht Charles de le Roche, vieswarier, het poorterschap van de stad voor 67 sols en 8 deniers.
Dit leert ons dat de vader van Charles geen poorter van Doornik was, en dat Charles geen lid was van één of andere schuttersvereniging (leden van die verenigingen kregen een aanzienlijke korting bij het verwerven van poorterschap).
Charles de le Roche was een vieswarier, een verkoper en hersteller van tweede handskledij.
Op de pagina over de familie de Rocque in Doornik vindt u meer informatie over Colard de Rocque die in 1415 werd geregistreerd als vieswarier en eigenaar van een huis dat vóór hem had toebehoord aan ene Colard le vieswarier.
Het feit dat Charles de le Roche vanaf het eerste jaar dat de stad Doornik tot de Nederlanden behoorde een winkeltje kon huren op de Grote Markt, kan er enkel op wijzen dat de familie de le Roche nog steeds goed ingeburgerd was in Doornik.
We vinden Charles de le Roche vermeld als huurder van deze echoppe tot in het dienstjaar 1525-'26, in de stadsrekening van 1526-'27 wordt hij niet meer vermeld, wat het ergste voor de gezondheid van Charles laat vermoeden.
De stad verhuurde eveneens enkele echoppes in de grande halle, Raymond Varlut die we later nog zullen ontmoeten, huurde er twee.
In de nota's van F. Van den Bemden vonden we Jennin de Rocques in 1532 als dochter van Denis de Rocques en Cathérine du Rieu.
In "Tournai et le Tournaisis au XVIe siècle" van A. Hocquet lezen we dat Marie Boisière, weduwe van Olivier de Rocq wegens heresie werd opgehangen en daarna verbrand.
A. Hocquet vermeldt nog dat in het "registre de la Loi" op 18 september 1564 gepreciseerd werd dat Marie Boisière geboren was in Kortrijk.
In het "biografisch lexikon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme" lezen we dat Mayken Boosers, geboren te Kortrijk ca 1532, zich in 1552 liet wederdopen en zich aansloot bij de kleine doperse gemeenschap te Doornik.
Volgens de kroniek van Pasquier de le Barre ontving zij 400 gulden per jaar aan rente.
Zij werd gevangen gezet door de inquisitie en weigerde tijdens de verhoren haar visie over doop en avondmaal te verloochenen.
Tijdens haar gevangenschap schreef zij brieven aan haar ouders, kinderen en vrienden waaruit haar diepe geloofsovertuiging blijkt.
Kort voor haar terechtstelling schonk zij haar vijfjarig zoontje Hans een peer, die hij bewaarde en die thans nog in het bezit is van de Verenigde Doopsgezinde Gemeende te Amsterdam.
Voorlopig konden we geen verdere informatie vinden over Olivier en Hans de Rocq.
In 1558 leefde er een Olivier vander Roken in Kerkhove, we weten niet of het over dezelfde persoon gaat.
In 1568 werden Pierre de Roque, espinglier, en zijn zoon Michiel de Roque, samen met vele andere Doornikse ambachtslui wegens ketterij veroordeeld.
Een espinglier vervaardigde of verkocht spelden... één van de artikelen die van oudsher door de meerseniers werden verhandeld.
Ook M. Fr. J. Bozière deed op het eind van de 19de, begin 20ste eeuw genealogische opzoekingen in de Doornikse archieven.
In zijn werk "l’armorial de Tournai et du Tournaisis", besprak hij de wapenschilden van de Doornikse patricische families.
Aangezien de stad Doornik zonder tussenpersonen rechtstreeks afhing van de Franse koning stonden de burgers van Doornik op het zelfde feodaal niveau als de adel en hadden zij dus het recht om een wapenschild te voeren.
Een wapenschild van een familie de le Roke treffen we in Bozières werk niet aan…
Bij de bespreking van het wapenschild van de familie Varlut, vinden we er in de tweede helft van de 16de eeuw wel een vermelding van ene Jehan de Rocq, gehuwd met Genevieve Varlut, dochter van Raimond Varlut.
In de archieven van de Raad van Beroerten, bijgenaamd de Bloedraad, opgericht door don Alvarez de Toledo, "Alva", vinden we dat Jehan le roch, uit Doornik, echtgenoot van Genefieve Varlut, gevangen genomen werd in 1568.
De geconfisceerde goederen, “que les biens meubles et immeubles annotez et saisiz de Jehan le roch, prisonnier” werden er opgesomd.
![]() |
Deze Jehan le roch werd door Bozière en Moreau genoteerd als de Rocq, en heette dus waarschijnlijk de le Rocq.
Uit de tekst blijkt dat deze Jehan le roch een huis bezat “en le ture”, in de rue du quesnoij, en dat op dit huis verscheidene renten verschuldigd waren.
We zagen vroeger reeds dat de rue de le ture gelegen was in de parochie St.-Nicaise te Doornik.
Gilles Merchier, grand vicaire de legelese de notre dame -de kathedraal-, vroeg van deze goederen
de betaling van een rente heritable van 16 denier op een lening van 9 pond tournois aangegaan op 5 februari 1565.
In deze waren “coobligé” Genefieve Varlut, “femme audit prisonnier”, Paul Varlut en Marcq Amberbecq.
Verder vroeg honorable homme Jehan Villain, bourgeois de la Ville et cité de Tournay, de betaling van een “rente viagaire”, waarin Pol Varlut borg was.
Catherine le Mauyre, vesve du feu Anthone Meurisse, vroeg de betaling van de intresten op een “rente fonsiere sur la myson dudit prisonnier”.
Meester Jehan Moendas vroeg in naam van Jaques du Bois de terugbetaling wegens een “rente heritable” op de aankoop van een huis “seant en le ture”, oorspronkelijk ten voordele van Nicolas Frayere, wiens weduwe de rente verkocht had aan Jaques du Bois.
Ook Olivier Libart, receveur de Arnould, seigneur de Peronne, en de broers Hermes en George de Landas zegden recht te hebben op een vergoeding wegens een “rente fonsiere sur la maison dudit prisonnier seant en tir rue du quesnoij”.
Verder kwam ook broeder Anthone, “clercq religieulx de la maison et religion des moisne” in naam van deze abdij de intresten van een “rente fonsiere sur la mayson dudit prisonnier seant en le ture” opeisen.
Deze rente gold reeds op dat huis sinds 1480.
Als laatste kwam Piat du Pre, receveur de l’office du cellier de leglise de notre dame de Tournay, een rente fonsiere opeisen die aan dit officie toebehoorde sinds 1406, en waarvan de laatste vier jaar niks was betaald.
Dit is duidelijk nogmaals een connectie tussen een lid van de familie de le roke en het kapittel van de kathedraal van Doornik.
Behalve het vaststaand feit dat hij in 1568, zonder twijfel om-het-geloof, gevangen genomen was, zijn goederen in beslag werden genomen, en hij vermoedelijk de stad heeft moeten verlaten, is er wegens het bijna compleet verloren gaan van de Doornikse archieven bijzonder weinig over deze Jehan de le Rocq geweten.
Over de familie Varlut kwamen we wel meer te weten :
Genefieve was de dochter van Raimond Varlut.
Raimond Varlut was één van de meest vooraanstaande leden van de Calvinistische Kerk in Doornik.
We vertalen even uit het boek van G. Moreau :
Tussen 1526 en 1530 groeide en bloeide de protestantse beweging te Doornik onder leiding van geestelijken zoals Jean Fourment, Jean Carpentier en Jacques Morenghe,… rijken zoals Jean Piemont, Jean Rousseau, Corneiile Arians en Damien Delemotte, maar ook kleine handelaren, zoals Jean Fouant, schoenmaker, Jacques Hespiel, hoedenmaker, Raymond Varlut, mercier …
Du Chastel de la Howarderie schreef in deel 4 van de Revue Tournaisienne in 1908 dat op 16 juni 1531 een proces werd ingespannen tegen Raymond Varlut en dat hij voor eeuwig werd verbannen, en zijn goederen geconfisceerd “pour hérésie”.
In 1557 telde Doornik 25 000 inwoners, en de stad werd het jaar daarna omschreven als “pleine de novateurs qui par leur doctrine … corrempent la foi et les moeurs.”
Vanaf 1561 was het Calvinisme er onder leiding van de gematigde kerkhervormer Guy de Bray volledig georganiseerd, waren er 13 à 14 000 personen lid van de protestantse gemeente en poogde men de stad onder een theocratisch bestuur te plaatsen.
Volgens Gerard Moreau werd Jeanne Varlut, echtgenote van Jean de Rocq, en zus van François Varlut in de gevangenis opgesloten omdat haar broer een nacht in haar huis had doorgebracht.
Zij werd vóór eind oktober 1564 weer vrijgelaten.
Hier treedt wel enige verwarring op aangaande de voornaam van de vrouw van “Jean de Rocq”
François Varlut was één van de belangrijkste bezielers van de Calvinistische zaak in Doornik.
Veel gegevens en verwijzingen naar originele archiefstukken vonden we ook in l’ “Histoire du Protestantisme à Tournai jusqu’à la veille de la Révolution des Pays-Bas” van Gérard Moreau en in de nogal zwaarwichtige publicatie door Adrianus Haemstedius, predikant te Antwerpen, over de “Historie der martelaren die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze zaligmaker af tot het jaar 1655”…
We leren er dat Franciscus Varlut, een Doornikse arbeider-wever, zich rond 1550 naar Genève had begeven, en er zich had verdiept in de Nieuwe Leer van Calvijn, waarna hij zich in 1559 en ‘60 Orléans had gevestigd.
Kort daarna keerde hij terug naar Doornik, en legde er zich toe op de religieuze vorming van de jeugd. Zijn jeugdig enthousiasme werkte zeer aanstekelijk, en ontelbare jongelingen werden door hem tot de Nieuwe Leer bekeerd.
Op 14 september 1561 organiseerde de katholieke Kerk zoals elk jaar de grote processie ter ere van het Heilig Kruis, die een grote menigte in Doornik bijeen bracht.
Ook de Calvinisten Simon Fauveau en Philippe Mallart van Valenciennes brachten op die dag een bezoek aan hun Doornikse vrienden.
Met tegenzin aanschouwden ze de ceremonieën die de katholieke geestelijkheid daar ten toon spreidde, en ze vatten het plan op om ook grote protestantse demonstraties te houden.
In de nacht van 28 september 1561 ging een grote menigte door de straten van Valenciennes, terwijl ze in de volkstaal psalmen van David zongen.
De dag erna, op de feestdag van St-Michel verzamelden 400 jonge Doornikse Calvinisten in de vooravond aan de porte de Lannoy, en trokken al zingend de stad in.
De daaropvolgende dag trokken wel 3 à 4000 zingende Calvinisten door de stad.
Deze “chanteries” hadden tot gevolg dat de Calvinistische beweging in Doornik de aandacht had getrokken van de centrale overheid, en de reactie was ongemeen hevig.
Er werden speciale commissarissen van de Raad van Vlaanderen naar Doornik gezonden om de zaak te onderzoeken.
Toen procureur des konings Pasquier de le Barre in 1561 aan de poort van de grote kerk de namen uithing van 26 personen die zich, op straffe van eeuwige verbanning en confiscatie van hun goederen, persoonlijk moesten aanbieden bij deze speciale
Commissarissen van de Raad van Vlaanderen, stond de naam van Guillaume Varlut daar bij.
Guillaume was de oom van François Varlut, hij was hoedenmaker, en woonde aan de St-Nicaise-kerk in Doornik, dus "en le Rocque".(!)
Hij werd verdacht nauwe banden met de Calvinisten van Lille te onderhouden, en de inquisiteurs hadden vernomen dat hij zijn Paasplicht niet had vervuld!
Hij slaagde erin te vluchten, doch zijn goederen werden geconfisceerd, en hij werd verbannen.
Volgens Bozière verbleef Guillaume reeds in 1557 in Antwerpen.
De Calvinistische Kerk van Doornik werd volledig ontmanteld : Jean de Lannoy, de voornaamste bezieler van de Doornikse protestantse gemeente, die steeds tegen de “chanteries” gekant was geweest, was net ten gevolge ervan als één der eerste ter dood gebracht, de anderen moesten vluchten : Guillaume Cornu en Jacques Carette naar Valenciennes, Jean du Mortier naar Antwerpen, Pierre Guillaume en Charles Capreau naar Parijs, Guy de Bray, de gebroeders Tallemant, Alexander Dayke en Jean Cornu waren naar Normandië gevlucht.
De inquisitie liet Franciscus Varlut arresteren, en zelfs zijn tegenstanders qualifieerden hem als “homme superbe, fort bon en languaige et prompt ès passaiges de l’excripture saincte”.
Uit vrees voor een hevige reactie van de volksmenigte bij een executie van Varlut, werd deze verbannen uit alle staten waarover de koning van Spanje heerste.
François Varlut trok zich enige tijd terug in Orléans in Frankrijk, “avec sien beau-frere
(Jean de Rocq ?), sa soeur et quelques amis”, doch keerde in 1562 samen met Alexandre Dayke en Guillaume Cornu toch terug naar Doornik.
Deze Alexandre Dayke werd betrapt toen hij in een huis, “située en le Roque” in het bijzijn van verschillende personen een duiveluitdrijving uitvoerde.
(met “en le Roque” wordt de rue de le Roke bedoeld, de huidige rue Roc-St-Nicaise, waar zich ook het ouderlijk huis van de familie de le roke bevond).
De wacht onder leiding van Jean Gombault, raadgever van de baljuw, en ontvanger-generaal, ondernam hiertegen geen actie, zelfs niet toen een menigte zich, psalmen zingend, onder leiding van Dayke van Doornik naar Blandain begaf.
De kanunniken van het Doornikse kapittel beklaagden zich hierover bij de Raad van de landvoogdes, waarop die een gepeperde brief stuurde naar het stadsbestuur van Doornik, waarin zij zich erover beklaagde dat het stadsbestuur zo laks optrad tegen heretiekers!
Toen enkele dagen later, op de ochtend van woensdag 15 september 1562 François Varlut en Alexander Dayke zich buiten de stad begaven in gezelschap van enkele honderden sympathisanten, om er in het “bois de la Commune”, nabij de gemeente Orcq naar een preek van Guy de Bray te luisteren, kón het Doorniks stadsbestuur niet anders dan reageren.
Een grote groep soldaten, gevolgd door sergeanten van de stad en de gouw, werd naar het bos gestuurd waar de protestantse bijeenkomst doorging.
26 personen werden aangehouden, onder wie François Varlut, Alexander Dayke, Ogier Cambrebecque, Walerand Baudry, Betremine Bourgeois, Jacqueline Bruneau, Bon de Bury, Antoine Carré, Gilles Clincquant, Isabelle David, Isabelle Dumont, Péronne Rousseau, Cornille de Gand, Jaques le Grand, Barbe Hardoye, Antoine Marchant, Alexandre Robe, Margueritte Testelin, Margueritte de Villers en Barbe Lestrée.
Ze werden naar het kasteel te Doornik gebracht, en Barbe Lestrée, Peronne Rousseau, Alexander Dayke en François Varlut werden er zwaar gefolterd.
Enkele brieven die Dayke en François Varlut tijdens hun gevangenschap schreven (met hun eigen bloed) aan hun vrienden en familieleden bleven bewaard, en daaruit blijken duidelijk hun standvastigheid en vertrouwen in hun geloof.
Volgens de orders van landvoogdes Margaretha van Parma, werden François Varlut en Alexandre Dayke op zaterdag 10 oktober 1562 geëxecuteerd : “la teste trenchee au chateau”, waarna de beul de aflijvigen op een kar had geladen om hun lichamen naar het bos nabij Orcq te brengen om ze er te verbranden.
De vele honderden Doornikenaars die de kar volgden, hielden de beul tegen en begroeven de twee lichamen eerbiedig.
François Varlut was ongeveer 25 jaar toen hij werd terechtgesteld.
Bovendien springt de naam van Ogier Cambrebecq, die samen met François Varlut werd opgepakt in 1562 in het oog.
Jean Cambrebeque, “armoieur” was in 1544 op het nippertje aan het gerecht ontsnapt toen Pierre Bruly werd opgepakt.
Hij werd in 1545 verbannen “pour hérésie” en zijn goederen werden geconfisceerd
(A.D.N. série B reg. 13069 f° 105 en f° 130 v°).
Hij was vermoedelijk de vader of de oom van Ogier Cambrebeque.
Die werd bij zijn arrestatie op 16 september 1562 omschreven als één van de vier opgepakte “ieusnes garsons”.
Ogier was armurier en toen 20 jaar oud.
Pasquier de le Barre, procureur des konings slaagde erin Ogier na maanden opsluiting in de gevangenis te overtuigen het ketters geloof af te zweren, waarna hij op 6 juli 1563 werd vrijgelaten.
In het begin van 1564 ontmoette Paul Chevallier Ogier Cambrebecque te Antwerpen, en ontdekte er tijdens een discussie met enkele anabaptisten dat Ogier hun opinie deelde.
In 1566 werd Ogier Cambrebecque samen met de andere anabaptisten uit Doornik verbannen.
Marcq Amberbecq was samen met Paul Varlut en Genefieve Varlut, femme audit prisonnier, borg voor een erfelijke rente die Gilles Merchier, grand vicaire de leglise de Notre Dame had op verscheidene eigendommen van Jehan le roch die in beslag waren genomen.
Deze Marcq was ongetwijfeld een nauwe verwant van Jehan (de) le roch, en onmiskenbaar trekt zijn voornaam de aandacht...
Na de beeldenstorm in 1566 vond in Doornik een zeer hevige repressie plaats, zodat Marcus van Vaernewijck in zijn relaas over de “beroerlyke tijden” meldde “datter te Doornicke nauwelic deen heelft vanden volcke ghebleven en was. De reste was al ghevlucht, ghebannen ende gheexecuteert”.
Ook Guy de Bray werd gearresteerd, en geëxecuteerd op 31 mei 1567.
Ongetwijfeld werd Jehan le roch opgepakt ten gevolge van deze nieuwe religieuze troebelen in de stad Doornik.
Het feit dat hij de schoonbroer was van François Varlut zal zijn zaak wellicht geen goed gedaan hebben.
J. Briels meldt dat de meeste Doornikse vluchtelingen tijdens deze migratiegolf van 1567 naar Duitsland of Engeland zijn gevlucht… en dat velen later terugkeerden, vertrouwend op de in de Pacificatie van Gent in 1576 afgesproken godsdienstvrede.
…Om na de herovering van Doornik door de Spaanse troepen in 1581 opnieuw – en deze maal wellicht definitief- de stad te ontvluchten.
Toen ik de voorgaande regels neerpende, wist ik nog niet dat ze op uitzonderlijke wijze zouden gestaafd worden :
In samenwerking met de "Friends of Historic Essex" heeft George Emmisson alle testamenten gepubliceerd die tussen 1550 en 1650 werden opgemaakt in Essex.
In zijn inleiding vermeldt de auteur dat de welgekende emigratie van vrome Vlamingen naar Colchester en Halstead bevestigd wordt in twee testamenten, die van Henry Ozell en van Charles Godscalk.
Het testament van Henry Ozell werd opgemaakt op 26 oktober 1582.
Henry Ozell schonk 10 s. aan the poor people of the Dutch (i.e. Flemish) congregation in Colchester en eenzelfde som aan de armen van de Nederlandse (Vlaamse) congregatie in Halstead.
Zijn overige goederen wees hij in drie gelijke delen toe aan zijn drie dochters Jakemynken, Gaengen en Mayken. Deze laatste duidde hij samen met haar man Christian De Frend aan als executeurs van zijn testament.
De getuigen waren Willem Vigerus, Edmond Smythe, Jan Van Rooke en Joos Myner.
Verder onderzoek naar de naam Ozell zal misschien een verband aantonen met één van onze familietakken.
Het is een feit dat de familie Van Roocke, een uit Ellezelles afkomstige om-het-geloof gevluchte tak van de familie De le Rocque, die zich op het einde van de 16de eeuw in Zuid-Holland vestigde, zeer duidelijke connecties had met de Engelse plaatsen Noorwits (Norwich) en Colchester waar Nederlandse vluchtelingenkerken waren.
Deze Jan van Rooke is zeer waarschijnlijk dezelfde persoon als Jehan de Rocq, die om-het-geloof Doornik definitief heeft verlaten.
Vermoedelijk is hij de ontbrekende schakel tussen de Elzeels-Doornikse familie De le Rocque en de genealogie van Marcus van Roocke.
Misschien was hij ook dezelfde persoon als de John Vanrock die we in 1549 reeds in London aantroffen... (zie een zwervende familie van Roken).
Ook een deel van de familie Varlut heeft Doornik verlaten : we vinden ze vanaf het einde van de 16de eeuw terug in de gereformeerde vluchtelingengemeenschap in het Duitse Hanau nabij Frankfurt am Main.
Gezien de bij deze familie voorkomende voornamen François, Paul en Guillaume, kunnen we er vrij zeker van zijn dat dit de nazaten van de Doornikse familie Varlut zijn, waar we eveneens de namen Guillaume, François en Paul vonden.
Op 9 oktober 1694 huwden te Hanau de pastor en hoofdprediker Jean-Pierre Jenin met Catharina Varlut fa Paul.
In de voorouderlijn van Pierre Souchay de la Duboissière vinden we Anna Petronelle Varlut terug, dochter van Guillaume Varlut en Anne Christine Hesterman.
Zij huwde met Esaye Souchay, geboren te Hanau (Duitsland) in 1723.
In 1779 kwamen Esaie Souchay's kinderen op bezoek.
Hij schreef in zijn kroniek :
"Als meine ganze Familie versammelt war, kam mir der Gedanke, ein Familienbild von Tischbein malen zu lassen.
Er vollendete es nach ihrer Abreise, und ich erhielt es gegen Ende des Jahres.
Ich zahlte, wie vereinbart, 300 fl. dafür.
Damit meine Kinder darüber nicht in Streit geraten würden, habe ich bestimmt, daß dasjenige, das das Bild haben wollte, seine Brüder und Schwestern in Höhe dieses Preises entschädigte mit der Klausel, daß die ältesten der Söhne den Vorrang haben sollten"
![]() |
Esaïe Souchay (1723 - 1791), zittend in het midden, zijn vrouw Anne Petronelle Varlut (1725 – 1769), portret links aan de wand.
Hij woonde van 1723 tot 1788 in Hanau en was driemaal ouderling van de Waalse Kerk.
hun kinderen :
Jeanne Guillaumine (1746 – 1818), huwde met Röttger Ganslandt (1740 – 1786), links naast haar vader zittend, met haar kinderen:
Röttger Ganslandt (1772 – 1834), leunend op grootvaders knie ;
Johanna Wilhelmine Ganslandt (1776 – 1786), links naast haar moeder staand ;
Elisabeth Louise Ganslandt (1778 – 1841), op moeders schoot, de enige bestaande afbeelding van de moeder van dichter Emanuel Geibel (1815-1884).
Isaac Pierre (1748 – 1787), rechts voor de tafel staand ;
zijn vrouw Elisabeth Cornelie Escher (1755 – 1788), portret in de hand van haar kind: Françoise Charlotte Souchay (1778 – 1785), op de tafel staand.
Isaac liet in 1787 door schulden overladen zijn gezin in de steek en vluchtte naar Rusland.
Jeanne Marie (1751 – 1771), huwde Wilhelm Ganslandt, portret rechts aan de muur.
Jacob Charles (1753 – 1808), links staand aan het venster.
Hij was pastor in verscheidene gemeenten in de Nederlanden.
Anna Marie Christine (1755 – 1832), rechts aan de stoel staand.
Susanne Cornelie Louise Petronelle (1757 – 1833), staand achter de tafel.
Marc André (1759 – 1814), tweede van links, staand.
Jean Daniel (1760 – 1823), links van zijn vader, staand in de achtergrond.
Marianne Catherine Petronelle ( 1766 – 1838), uiterst rechts, zittend.
Ook in Zuid-Holland vonden we sporadisch de familienaam Varlut :
Isaac Le Long vermeldt in zijn "Kort historisch verhaal van den eersten oorsprong der Nederlandschen gereformeerden kerken onder 't Kruys" dat terstondt naar de Capitulatie een begin werd gemaakt met het bouwen der Nieuwen Stadt Hanauw.
De aanleg van dit nieuw stadsgedeelte werd in 1597 mogelijk gemaakt om 58 Nederlandse en Waalse gevluchte protestantse families te huisvesten voor wie er in Frankfurt geen plaats meer was.
Één van de 11 gedeputeerden der "nieuwe inwoonders" was ene François Varlut.
In het "Zeitschrift für die Provinz Hanau zur Aufklärung ihrer Geschichte ..." uit 1839 vinden we een tabel met namen van personen die tussen 1597 en 1648 bouwgrond hebben gekocht in de Neustadt Hanau, zoals ze werden geregistreerd in het manuscript met plan in 1604 opgesteld door Baumeister Philipp Koch.
.
Tussen 1602 en 1615 kocht Franz of François Varlut er verschillende bouwgronden.
In 1602 kocht Jakob le Roque in de Neustadt Hanau de Bauplatz die op het plan van Baumeister Koch werd aangeduid met nummer 40.
Deze bouwgrond was 47,75 roeden en 21 sch groot en Jakob kocht deze grond voor de som van 23 florijnen en 20 schillingen.
Het samen voorkomen van de namen Varlut en le Roque wijst er zonder enige twijfel op dat deze Jakob en zeer nauwe verwant moet geweest zijn van Jehan le Roch die in 1568 in Doornik werd gevangen genomen en veroordeeld wegens heresie; wellicht was Jehan le Roch de vader van Jakob le Roque.
We zagen vroeger reeds bij Baudès Roke in 1274, bij Wiars Roke et ses freres Jehans in 1338, bij Maroie, Wiart en Pierre Roke in 1348-'49 en bij Jacques Roke in 1472 dat de achternaam van sommige van onze verwanten werd geregistreerd zonder de voorzetsels "de" en "le".
Bij Claeis le Roque in 1401, Gilliart le Roque in 1407, Catherine le Roc in 1499 en Jehan le Roch in 1568 werd hun achternaam net als bij deze Jakob le Roque geregistreerd zonder het voorzetsel "de".
We stelden bovendien onomstootbaar vast dat de voorzetsels "de" en "le" meer dan eens vertaald werden naar "van de" wanneer leden van de familie de le Roke in Vlaams- of Nederlandstalige streken werden geregistreerd.
In de alfabetische tafels van de geboorten van de Doornikse parochie St.-Jean-Baptiste staat Louis-Jacques Delerocq geregistreerd op 28 september 1647.
Helaas zijn de parochieregisters van de parochie St.-Jean-Baptiste zèlf van deze periode niet bewaard gebleven...
In de bibliothèque communale van Doornik bevindt zich het manuscript XLVI n, waarin zich voor eensluidend gehomologeerde transcripties van uittreksels uit deze parochieregisters bevinden... helaas werd de geboorteacte van Louis-Jacques Delerocq niet overgepend.
In de alfabetische tafels van de geboorten van de Doornikse parochie St.-Brice staat Jean-Baptiste Delerocq geregistreerd op 9 september 1661.
Helaas zijn de parochieregisters van de parochie St.-Brice zèlf van deze periode niet bewaard gebleven...
In de bibliothèque communale van Doornik bevindt zich het manuscript XLVI n, waarin zich transcripties van uittreksels uit deze parochieregisters bevinden... helaas werd ook de geboorteacte van Jean-Baptiste Delerocq niet overgeschreven.
In de lijst van achternamen die voorkomen in de door Raymond Bullion op internet gepubliceerde "Baptêmes du Tournaisis, de l'ancienne châtellenie d'Ath et du nord de Valenciennes" kunnen we vinden dat er 1 persoon met de achternaam Delerocq tussen 1582 en 1699 geboren is in Condé sur Escaut, een Frans stadje gelegen aan de Schelde op een boogscheut stroomopwaarts van Doornik.
In de lijst van achternamen die voorkomen in de door Raymond Bullion op internet gepubliceerde "Baptêmes du Tournaisis, de l'ancienne châtellenie d'Ath et du nord de Valenciennes" kunnen we vinden dat er 1 persoon met de achternaam Delroche tussen 1596 en 1796 geboren is in Orcq, een noordelijke buurgemeente van Doornik.
In het doopregister van de Doornikse parochie Notre Dame werd op 2 juni 1684 de doop van Jérome Jules De Rocq geregistreerd.
In de lijsten van de opvarenden van de Verenigde Oostindische Compagnie vinden we tot onze niet geringe verbazing ene Machiel Rok uit Doornik.
Machiel Rok was op 7 oktober 1764 als soldaat in dienst getreden op het schip Bleiswijk.
Het schip legde aan aan de Kaap op 13 januari 1765 en vertrok er weer op 29 januari.
De Bleiswijk is aangekomen in Batavia op 2 april 1765.
Op 24 augustus 1766 is Machiel Rok overleden in Azië.
klik hier om naar het begin van dit document te gaan