de Nederlanden
eind 16de eeuw


een politieke en godsdienstige situatieschets


~:§:~




Politieke situatieschets


           Door de doelgerichte huwelijkspolitiek van zijn ouders en grootouders, en door het overlijden van enkele neven- en nichten-troonopvolgers, werd Karel V, geboren in 1500 in het Prinsenhof te Gent, in de eerste helft van de 16de eeuw heerser over een rijk "waar de zon nooit onderging".

           Hij was naast hertog van Bourgondië en Brabant, graaf van Vlaanderen, Artesië, Zeeland, Holland, Henegouwen, Namen en Luxemburg, koning van Spanje en half Italië, aartshertog van Oostenrijk en keizer van Duitsland, ook heerser over het rijk van de Azteken en de Inca's in Zuid- en Midden-Amerika.
Zijn droom : "één rijk, één godsdienst" werd een illusie toen hij, ten einde zijn rijk samen te houden, na een niet te winnen oorlog tegen de Duitse keurvorsten, verplicht werd in 1555 de vrede van Augsburg te ondertekenen. Vanaf toen gold in het rijk van Keizer Karel het principe : "cuius regio, eius religio", waarbij de lokale vorst kon beslissen welke godsdienst er in zijn rechtsgebied werd beleden.

Bij zijn troonsafstand op 25 oktober 1555 duidde hij zijn zoon Filips II aan als koning van Spanje en de overzeese gebieden, vorst van Italië en heerser over de Nederlanden.
Filips II regeerde vanuit Spanje, en had geen emotionele binding met de afgelegen Nederlanden, "les pays par deça".
Hij stuurde zijn halfzuster Margaretha van Parma, de bastaarddochter van Karel V en Johanna van der Gheynst uit Nukerke bij Oudenaarde, in 1559 als landvoogdes naar de Nederlanden.

In 1559 was de Franse koning Henri II overleden, en Frankrijk kwam terecht in een godsdienstconflict met de proporties van een burgeroorlog.
Toen de katholieken de protestantse "hugenoten" hadden verslagen, vluchtten deze in groten getale de noordelijke grens over, voornamelijk naar de Vlaamse Scheldesteden Valencijn, Doornik, Gent en Antwerpen.

Door een conflict met Engeland in 1565 viel de aanvoer van wol stil, met grote werkloosheid in de Vlaamse textielindustrie tot gevolg. In en om Oudenaarde verloren meer dan 8000 personen, die voorheen te werk gesteld waren door kooplieden en ambachtslui, plots hun inkomen.
De strenge winter had in 1565 in de Nederlanden de oogst doen mislukken, en er kon door een oorlog tussen Zweden en Denemarken geen graan ingevoerd worden uit de Oostzeegebieden, wegens de blokkade van de zeestraat de Sont.

De daarop volgende hongersnood vormde de directe aanleiding voor de beeldenstorm : de duidelijke rijkdom van de Kerk wekte zo'n ergernis op dat de "hageprekers" slechts weinig moeite hadden om de mensen aan te zetten tot gewelddadige acties. In augustus en september raasde de beeldenstorm door de Nederlanden, en in ontelbare kerken werden de heiligenbeelden kort en klein geslagen, en de kerkschatten vernield.

Margaretha van Parma slaagde er door onderhandelingen met de edelen in de gemoederen te bedaren.

Filips II beschouwde zichzelf als de door de paus verklaarde opperste verdediger van het katholieke geloof, en wendde alle middelen aan om die heilige taak te volbrengen.
Bij het uitbreken van de onlusten in de Nederlanden had hij de hertog van Alva met een groot leger vanuit Noord-Italië naar de Nederlanden gestuurd, met de opdracht genadeloos op te treden tegen de rebellerende ketters.
Toen Alva en zijn troepen in 1567 in de Nederlanden aankwamen, was alles echter weer rustig, en zorgde hun aanwezigheid juist voor het opnieuw oplaaien van het ongenoegen ten opzichte van de Spaanse bezetter.
Alva richtte de Raad van Beroerten op, al snel bijgenaamd "de Bloedraad", waar in een periode van zes jaar 1100 doodstraffen en 9000 verbeurdverklaringen werden uitgesproken tegen protestanten.

In 1568 gaf Lodewijk van Nassau het startschot van de Tachtigjarige Oorlog, die zou resulteren in de splitsing van de Nederlanden in de onafhankelijke Republiek der 7 noordelijke provincies, en de 10 zuidelijke provincies die onder Spaans bewind bleven, en de repressie ondergingen.

Bovendien hadden de oorlogen van Filips II tegen de Turken in Midden-Europa en tegen de Franse koning in Noord-Italië tot rechtstreeks gevolg dat er in het gehele rijk belastingen werden geheven : de zogenaamde honderdste penning, een vermogensbelasting van 1%, de twintigste penning, een belasting van 5% op de verkoop van onroerende goederen, en de tiende penning, een omzetbelasting van 10% op alle verkochte goederen.
De toen opgestelde belastinglijsten zijn voor de huidige genealoog een rijke bron aan informatie, maar voor de toenmalige belastingbetalers zullen ze allerminst een reden tot vreugde geweest zijn!

In 1572 veroverden de watergeuzen de stad den Briel, en in 1573 boekten de Noordelijke opstandelingen de eerste successen tegen de Spaanse troepen in Alkmaar, en de hertog van Alva verliet onze contreien.
In 1574 opende Middelburg de poorten voor de rebelse milities, en weerstonden Leiden en Woerden een maandenlange belegering door de Spaanse troepen.

In 1575 was de Spaanse staatskas weer eens volledig leeg, en de in de Nederlanden ronddolende Spaanse soldaten, die geen soldij meer hadden ontvangen, organiseerden vanuit Aalst niets ontziende rooftochten, onder meer in Antwerpen in november 1576, waar tijdens deze "Spaanse furie" 8000 mensen werden afgemaakt.
Deze uitwassen vormden de spreekwoordelijke druppel voor de zuidelijke provincies, en ze besloten om, samen met de noordelijke rebellen, ervoor te zorgen dat de Spaanse troepen de Nederlanden verlieten.

Op 8 november 1576 werd de pacificatie van Gent ondertekend tussen de protestantse rebellen en de nieuwe landvoogd don Juan, een bastaardzoon van Karel V.
Het principe van godsdienstvrijheid werd aanvaard, de Nederlanden zouden vóór en dóór Nederlanders worden bestuurd, en de Spaanse troepen zouden het land verlaten.

Hoewel de protestanten numeriek in de minderheid waren, slaagden ze erin in 1578 Calvinistische stadsrepublieken op te richten te Gent, Brussel en Antwerpen.
De militante Gentse protestanten maakten zich meester van Brugge, Kortrijk, Ronse, Oudenaarde, Axel, Hulst, Sint-Niklaas, Ieper, Duinkerken, Sint-Winoksbergen en Veurne, en vele kleine stadjes zoals Deinze en Dendermonde volgden vrijwillig het Gentse voorbeeld, en brachten een Calvinistisch bestuur aan de macht.

Filips II zond in 1578 Alexander Farnese, de zoon van Margaretha van Parma, met zijn elitetroepen naar onze streken.
Hij veroverde onmiddellijk Namen, Luxemburg en Zuid-Brabant.
In 1579 richtten Artesië en Henegouwen de Unie van Atrecht op, waarbij ze vrede wilden sluiten met don Juan, en vroegen dat -in uitvoering van de pacificatie van Gent- de Spaanse troepen de streek zouden verlaten.
Een maand later richtten de noordelijke provincies de unie van Utrecht op, waarbij ze verklaarden trouw te blijven aan de Spaanse koning, maar niet aan de landvoogd.

Alexander Farnese haalde de Spaanse en Italiaanse milities weg uit de Nedrlanden, en deze werden prompt door Alva ingezet bij de verovering van Portugal in 1580-'81.

In het voorjaar van 1582 kreeg Farnese echter terug de beschikking over zijn elitetroepen, en hij heroverde in de zuidelijke Nederlanden stad na stad.
Op 4 juli 1582 nam hij Oudenaarde in, en kort daarna alle kuststeden, in april 1584 Ieper, in mei Brugge, tijdens de zomer Dendermonde en Vilvoorde, en in september Gent.
In februari 1585 opende Brussel zijn poorten na 10 dagen onderhandelen, en in augustus viel Antwerpen. Enkel Oostende hield stand, zelfs tot in 1604 !
Farnese liet de ingenomen steden niet plunderen, en hij gaf de protestanten die niet naar het katholieke geloof wilden terugkeren voldoende tijd om hun bezittingen te verkopen, en het land te verlaten, zodat een enorme vluchtelingenstroom op gang kwam.

De zuidelijke Nederlanden kregen toen wel bijzonder zware demografische klappen : de kasselrij van Oudenaarde en het land van Aalst leden een bevolkingsverlies van 40 tot 45%.
Mater had in de periode tussen 1566 en 1575 ongeveer 1500 inwoners, in de periode 1586 tot '95 waren dat er nog 400. Tijdens dezelfde tijdsspanne zakte het aantal inwoners van Schorisse van 1383 tot 534 zielen, eenzelfde beeld voor Petegem, Anzegem, Ingooigem, Avelgem, Tiegem, Nazareth, Outryve en Beveren.
In de kasselrij Kortrijk waren er in 1578 12500 personen buitenpoorter van de stad Kortrijk, in 1585 waren er slechts 2462, een vermindering met 80% !
In Zuid-Vlaanderen en in de Westhoek verdween 75 tot 80% van de bevolking.
In Hondschoote bleef er in 1582 na de Spaanse inval van de 15000 inwoners "niemand" over, de bevolking van het nabijgelegen Poperinge daalde van 17000 naar 400 !
In Doornik waren er in 1557 25000 inwoners, kort na de repressie in 1567 had 50% van de bevolking de stad verlaten.
Brugge verloor tussen 1584 en '87 20000 inwoners, net als Gent, waar er slechts 30000 personen overbleven. Oogetuige Jan van de Vivere meldde in zijn "Chronijke van Ghendt" : "...het derde van de huusen hinghen te coope oft ter hueren, ofte anders sins ledich ende onbewoont", en dat in "een van de principale straeten van de stadt", de Lange Munt, het verkeer dermate was verminderd dat het gras hoog opschoot van tussen de straatstenen, en er paarden graasden, "soo dat dese verwoestinghe niet om schrijven en es, ende ooc niet gheloovelic, dan diet ghesien hebben".
Volgens Victor Fris, die in 1911 een "Geschiedenis van Geraardsbergen" uitgaf, stond in 1581 nog slechts een kwart van de huizen overeind, en hadden vijf zesden van de burgers de stad verlaten.
Antwerpen had in 1566 100000 inwoners, in 1589 waren dat er nog 42000.
Na 1566 hadden 15 tot 19000 mensen de stad Mechelen verlaten, zodat er in 1590 nog 11000 overbleven.

Wolven maakten het platteland onveilig, en door de ontvolking bleven de velden er braak liggen, zodat de hertog van Parma in 1581 een plakkaat kon afkondigen waarbij alle woestliggende gronden in Vlaanderen "zonder pacht door eenieder mochten worden gewonnen zoolang zich de eigenaar niet op en deed", en zich niet bereid verklaarde zelf de hand aan het werk te slaan.

J. Briels concludeert dat op het einde van de 16de eeuw meer dan 125000 personen uit de zuidelijke Nederlanden verhuisden naar de noordelijke Republiek der Zeven Provinciën, waar een meer tolerante en open maatschappijbeschouwing en de daaruit volgende toevloed aan hoog opgeleide arbeidskrachten en intellectuelen leidde tot de Gouden Eeuw.
Dit cijfer is duidelijk een onderschatting : men beschikt wel over cijfers voor de steden, maar nauwelijks over kwantificeerbare gegevens voor de plattelandsgemeenten.
Bovendien kwamen vele Zuid-Nederlandse vluchtelingen uit het midden van de 16de eeuw via omzwervingen in Engeland en Duitsland eveneens in de Republiek der noordelijke Provinciën terecht, zodat de totale migratie van de zuidelijke naar de noordelijke Nederlanden ongetwijfeld véél omvangrijker moet geweest zijn.

In 1570 werd het aantal vluchtelingen uit de "Lowe Countrys" in Engeland geschat op 10000, in 1590 waren het er reeds meer dan 15000, verspreid over de grote vluchtelingengemeenschappen van London, Sandwich, Norwich en Colchester, en kleinere als Maidstone, Southampton, Stamford, Canterbury, Rye, Dover, Thetford, Yarmouth, Lynn, Winchelsea en Halstead.
In 1568 werd het aantal exulanten uit de Nederlanden die in Londen woonden geschat op 7000, een derde van de bevolking van Sandwich, een groep van ongeveer 2000 mensen was toen afkomstig uit Zuid-Nederland, voornamelijk door een plotse toevloed uit Wallonië ten gevolge van de ongemeen hevige repressie in die gewesten.
Door de spanningen die dit in deze stad met zich meebracht werd een deel van deze mensen doorgestuurd naar Canterbury en Norwich, en vandaar naar Colchester.
Toen ook in deze steden de nieuwkomers meer dan een derde van de totale bevolking uitmaakten werden -op uitnodiging en met wisselend succes- nieuwe kleinere vluchtelingengemeenschappen opgericht in nabijgelegen stadjes zoals Halstead.
In 1579 waren er 1680 vreemdelingen in Canterbury, in Colchester verbleven er in 1586 1291 "Dewchmen".
De Vlamingen introduceerden in Engeland daar voordien niet gekende weeftechnieken en produceerden er baai- en saaistoffen.
Door hun ondernemingszin gaven ze de locale economie een nieuwe impuls en verschaften in hun ateliers en door de (overzeese) handel in deze stoffen werk aan de locale (sterk verarmde) bevolking.
Na 1590 nam het aantal Zuid-Nederlandse vluchtelingen in Engeland weer af : door de vele wettelijke beperkingen die hen werden opgelegd verlieten vele Vlamingen en Walen Engeland en vestigden zich in de Noord-Nederlandse provincies, waar ze meer dan welkom waren.

De Zuid-Hollandse stadsbesturen voerden een actieve uitnodigingspolitiek ten opzichte van de vluchtelingen uit de zuidelijke Nederlanden en moedigden de vestiging van immigranten binnen hun muren aan met premies, belastingsvoordelen en gratis pooterschap, omdat ze constateerden dat deze geschoolde inwijkelingen uit het zuiden een enorme stimulans voor de lokale economie betekenden.
In Leiden kwam door toevloed van gespecialiseerde wevers, vooral uit de streek van Oudenaarde en Ronse, een bloeiende lakennijverheid tot ontwikkeling.
Leiden had in 1581 12000 inwoners, en daar waren in 1622 twee derden (!) van de 45000 inwoners afkomstig uit de zuidelijke Nederlanden.
Amsterdam telde in 1578 30000 inwoners, in 1622 waren er 108000, waarvan 35000 immigranten uit Zuid-Nederland.
Alkmaar verdubbelde zijn bevolking tussen 1576 en 1622 van 6000 naar 12500, waarvan 20% uit Zuid-Nederland afkomstig was, Haarlem groeide tussen 1572 en 1622 van 18000 stedelingen naar 40000, waarvan de helft uit Zuid-Nederland was gekomen.
Delft had aanvankelijk de toegang aan vreemdelingen geweigerd, doch vanaf 1583 werden schrijvers aangesteld "omme in de poorten deser stadt op te schrijvene alle vreemdelingen in der stad komende". En vanaf 1595 werd een actieve politiek gevoerd om Vlaamse textielproducenten vanuit Vlaanderen en Engeland -en zelfs uit de andere Zuid-Hollandse steden- naar Delft te lokken, middels vestigingspremies, tussenkomst in verhuiskosten, en het gratis aanbieden van het poorterschap.
Hierdoor steeg de bevolking van Delft tussen 1585 en 1622 toch van 14000 naar 22500 hoofden.
In 1622 was te Middelburg in Zeeland de helft van de 30000 inwoners immigrant.
(cijfers van Stefan Deconinck op http://batavia.UGent.be, http://www.20eeuwennederland.nl/, J.Briels in : Zuid-Nederlandse immigratie 1572-1630 en C. de Rammelaere in : bevolkingsevolutie in het land van Schorisse).

Net toen Farnese aanstalten maakte de herovering van de noordelijke steden aan te vatten, werd in Parijs de Franse koning Henri III vermoord.
Filips II kon als hoeder van het katholiek geloof het risico niet nemen dat de protestantse troonpretendent Hendrik van Navarra de vermoorde Henri III zou opvolgen, en stuurde daarom Farnese met zijn legers naar Parijs.
Ondertussen consolideerden de protestantse Vereenigde Provinciën hun stellingen, en was de splitsing van de Nederlanden een onomkeerbaar feit.

Filips II, die op het einde van zijn leven niet wou toegeven dat hij verslagen was door de rebellen die een onafhankelijke Republiek der Vereenigde Nederlanden hadden opgericht, wou de 17 provincies afsplitsen van de Spaanse kroon.
Hij duidde op 6 mei 1598 zijn lievelingsdochter, de infante Isabella, aan als landvoogdes der Nederlanden, op voorwaarde dat ze huwde met haar neef Albrecht de Vrome, een telg van de Oostenrijkse tak der Habsburgers.
Vele beperkende maatregelen maakten van deze "onafhankelijke" 17 Provincies slechts een satellietstaat van Spanje. Bovendien was bepaald dat de Nederlanden terug zouden keren in het Spaanse rijk, mocht het paar kinderloos blijven, en één van hen beiden overlijden.
Aangezien de noordelijke 7 provincies het gezag van Albrecht en Isabella niet erkenden, bleven er slechts 10 onder de administratie van de aartshertogen : de hertogdommen Brabant, Geldere, Limburg en Luxemburg, de graafschappen Artesië, Vlaanderen, Henegouwen en Namen, de kasselrij Rijsel en de heerlijkheid Doornik.

Filips' opdracht voor de aartshertogen was tweeërlei : de herovering van de opstandige gebieden, en het terugleiden van het ganse grondgebied naar de katholieke godsdienst.

In juli 1600 leed het Spaanse leger een verpletterende nederlaag bij Westende, en het vroeg een beleg van langer dan drie jaar en vele duizenden Spaanse slachtoffers om de stad Oostende te heroveren in 1604.
Ondanks deze zege bleef de militaire situatie er somber uitzien, en Albrecht bekrachtigde in 1607 een onderbreking van de vijandelijkheden, waarbij hij expliciet de onafhankelijkheid van de Verenigde Provincies moest erkennen.
Er werden moeizame vredesgesprekken gevoerd die in 1609 resulteerden in een wapenstilstand die zou duren tot 1621, toen Albrecht stierf , en de Nederlanden terug onder rechtstreeks Spaans bewind kwamen.

Ten gevolge van de heroveringen van Farnese tussen 1581 en 1585, en de enorme emigratiegolf die erop volgde, was het protestantisme in de zuidelijke Nederlanden onder het bewind van de aartshertogen tot een randfenomeen herleid.
Toch leidde de minste verdenking van protestantse sympathieën tot zware vervolgingen en strenge straffen, al werd de doodstraf niet meer weerhouden voor "religieuze delicten".




Godsdienstige situatieschets


           Van de vroege Middeleeuwen tot in het begin van de 16de eeuw was het katholieke geloof de enige godsdienst in Europa. Het gezag van de katholieke Kerk was onaantastbaar, en de religie nam een zeer belangrijke plaats in in het dagelijks leven van iedereen.
In de steden had de economische organisatie binnen de gilden een diep gewortelde religieuze inslag, getuige daarvan waren de vele kapellen die ter devotie van hun patroonheiligen in de kerken werden opgericht.
Op het platteland beheersten de geestelijke instellingen en de lokale heren het leven van de bevolking volledig.
Zo'n 5% van de bevolking was pastoor of kloosterling.

Er was geen duidelijk afgelijnde scheiding tuusen Kerk en staat, en wereldlijke gezagsdragers hadden in hun heerlijkheden dikwijls het patronaatsrecht, het recht om de plaatselijke geestelijken aan te duiden.

Ten einde haar feodale machtspositie in de maatschappij te consolideren liet de Kerk zich door het wereldlijk gezag (meestal vreemde overheersers) inschakelen bij de uitvoering van door het rechterlijk systeem opgelegde straffen : zo moesten veroordeelden dikwijls een glasraam met de uitbeelding van hun misdaad, mèt vermelding van hun naam en toenaam, laten vervaardigen en dit uithangen in de kerk; moest menigeen aan de deuren van de kerk, al dan niet in zijn ondergoed en geknield, vergiffenis voor een begane misstap vragen aan de gehele gemeenschap, en werd na de misdienst dikwijls omgeroepen wie wàt had mispeuterd, en welke de nieuwe wetten waren.
Dit leidde natuurlijk bij vele mensen tot een diepe wrevel ten opzichte van de katholieke Kerk en haar vertegenwoordigers.

In het midden van de 16de eeuw, een periode van economisch verval, zorgden vooral de kerkelijke tienden (waarbij één tiende van de oogst diende te worden afgestaan aan de pastoor, het klooster of de abdij) bij de verarmde plattelandsbevolking voor grote ergernis.

           Vele kerkelijke vertegenwoordigers (van hoog tot laag) hadden bovendien een niet onbesproken levenswandel : concubinaat, simonie (het verkopen van een kerkelijk ambt), niet-resideren in de parochie, en drankmisbruik gaven aanstoot bij vele diepgelovige lieden.
Vooral het systeem van de aflaten, waarbij men de vergiffenis voor zijn zonden, en de toegang tot het Paradijs kon afkopen, leidde tot zeer duidelijke misbruiken, en veroorzaakten verontwaardiging bij de gelovigen.
Deze grote en kleine ergernissen zetten sommigen grondig aan het denken, en in een algemeen wijzigend wereldbeeld bleek een vernieuwing van de kerkelijke moraal onafwendbaar.
Zo had men door de ontdekkingsreizen (her)ontdekt dat de aarde onomstotelijk rond was, kwam men ondermeer in Italië tot verbluffende wetenschappelijke vaststellingen en ontdekkingen, en bereikte dit alles door een betere talenkennis, en de nieuwe techniek der boekdrukkunst, aan een voorheen ongekend tempo, brede lagen van de bevolking in alle ontwikkelde streken.

De humanist Desiderius Erasmus van Rotterdam stelde naast verdraagzaamheid en pacifisme een persoonlijke interpretatie van de levensbeschouwelijke thema's centraal.
Hij meende dat de belangrijkste funktie van de Kerk de propaganda van het geloof moest zijn, en dat de Kerk niet moest geleid worden als een staat.
Hij introduceerde als één der eersten een wetenschappelijke filologische benadering bij het bestuderen van bijbelse teksten, en publiceerde vanuit dat standpunt zijn eigen Latijnse versie van het Nieuwe Testament.
Hij stak in zijn pamflet "de Lof der Zotheid" de draak met de kerkelijke en wereldlijke hoogwaardigheidsbekleders.
In zijn funktie van raadsheer van Keizer Karel bezocht hij in onze contreien vele steden, zoals Antwerpen, Gent, Brussel, Leuven,...

In 1517 schreef de Duitse theoloog Martin Luther zijn befaamde 95 stellingen, en hing die op aan de poort van het slotklooster van Wittenberg.
In deze stellingen liet hij zich bepaald kritisch uit over de gangbare verklaring van de bijbelse teksten, en stelde een aantal misstanden binnen de Kerk aan de kaak.
Martin Luther streefde hervorming bínnen de Kerk na.

In Engeland ontstond in 1534 -mede door de persoonlijke (huwelijks)problemen Van de vorst Henri VIII- de Anglicaanse Kerk, die het gezag van de paus niet langer erkende.

Vanaf 1540 predikte Jean Cauvin in Genève een nieuwe leer waarbij de leiding van de Kerk werd overgelaten aan door de gelovigen gekozen kerkraden.
Hij smeedde zijn hele leven aan zijn "Institutio Religionis Christianae" waarin hij zijn visie over alle christelijke vraagstukken verduidelijkte.
De Calvinisten kantten zich vooral tegen het vereren van heiligen, en meenden dat de kerk zo sober mogelijk moest worden ingericht.

Ook de geschokte kerkleiders begrepen dat hervormingen nodig waren.
Op het concilie van Trente werd overgegaan tot een herschikking der bisdommen, er werd besloten tot een betere opleiding van de pastoors, en een beter contact tussen "de herders" en "de kudde", waarbij de deken éénmaal per jaar alle parochies binnen zijn district een bezoek moest brengen, en daarvan verslag diende op te maken.
De neerslag van vele van deze "visitaties" is bewaard gebleven, en geeft ons een goed inzicht in de geestelijke en morele staat waarin de parochianen en hun pastoors zich bevonden.

Op 10 augustus 1566 startte de Beeldenstorm in Steenvoorde in Frans-Vlaanderen, een toen zeer geïndustrialiseerde streek, waar door de crisis in de textielnijverheid een verarmd werkloos proletariaat was ontstaan, dat door de hongersnood en armoede zwaar op de proef werd gesteld.
Na de vurige hagepreken van Sebastien Matte en Jacques de Buyzere trok de opgehitste menigte naar de kerken en kloosters, en sloeg er alle beelden, altaren, schilderijen en andere kerkornamenten kort en klein.

In de tweede helft van augustus en gedurende de maand september 1566 raasde de Beeldenstorm door de Nederlanden, in aanvang op het platteland een spontane, maar later in de steden onmiskenbaar gecoördineerde uiting van volkswoede tegen de welstand van de Kerk, tegen de katholieke godsdienst, tegen de priesters, en in ruimere zin ook tegen de katholieke Spaanse overheersing.
Van Vlaanderen tot Holland, van Sint-Winoksbergen tot Cambrai, werden in enkele weken honderden gebedsplaatsen "gestormd" door de iconoclasten.

De Spaanse koning Filips II reageerde met een ongekende heftigheid en stuurde de hertog van Alva aan het hoofd van een leger elitesoldaten naar de opstandige Nederlanden, met als expliciete opdracht, en met inzet van alle daartoe benodigde middelen, in de 17 Provinciën het katholiek geloof opnieuw als enige godsdienst op te leggen.

Alva's campagne mislukte schromelijk, en na zijn vertrek uit de Nederlanden werden overal in Vlaanderen Calvinistische stadsrepublieken opgericht, en brak er een periode aan waarin een protestantse feitelijke numerieke minderheid zijn religieuze overtuiging kon laten prevaleren.
Nadat Farnese de Vlaamse steden één voor één had heroverd, volgde natuurlijk een zware repressie, waarbij de protestanten de keuze werd geboden : hun "dwaalgeloof" afzweren, en zich gedragen als een goede katholiek, of binnen een periode van enkele maanden hun hebben en houden verkopen en verdwijnen uit de stad.
Dit alles had een klimaat geschapen waarin vele lieden geen andere uitweg zagen dan hun geboortestreek te verlaten, uit onvrede met de wereldse en kerkelijke gezagsdragers, uit schrik voor het vege lijf, of uit armoede zonder uitweg...



Vluchtelingen om-het-geloof


Uit de acta van het consistorie van de Nederduitse vluchtelingenkerk van London a° 1582 :

"Ghecompareert Jan de Backer, ... aenghevende hoe dat geschiedt is :
Zo hij, Jan, den voorn[oemden] Geeraert (Truyen) ghezonden hebbende nae Ghendt mit brieven van recommandatie opdat hij zijne huysvrouwe met haer goedt zoude helpen herwaert (naar London) beschicken, zo zij onder ander twee weezen medegeschickt... Onderweghen heeft den voorn[oemden] Geeraert an de weezen ghesolliciteert tot oneerbaerheyt, tusschen Ghendt en Oudenaerde."
"Commende te Dornicke in den Groenen Leeuwe zo dede hij haer te 'z avonts gaen ligghen op het voetende van zijn bedde daer hij lach om te slaepen...ende dreichde haer, zegghende hij zoude se daer laeten, zo zij het niet en liete geschieden."
"Zeyde ooc als zij 't weigerde, waeromme zoud mij niet toelaeten, ghij hebt het den soldaeten wel laeten doen."
"Haer ooc belovende, zoo zij 't toeliete, dat zij bij hem zoude woonen ende hij zoude een meysen van eeren van maecken. Ende alzoo gheschiede het zonder dat zij riep, ende daer was noch meer volcx in de camer."
"... maer tusschen Douvers ende Cantelberghe, zo zij pijne hadde ende den waeghen niet conde volghen..."

Op zondach den 11 aprillis 1585 reageerde Gerart Truyen op de klacht die werd aangebracht door Jan De Backer aangaande hetgeen zijn nicht Janneken Maldron werd aangedaan :
"Ende loochent het alle... ende begheert zeer dat wij de getuygen souden horen die metgereyst hebben op den weech, insonderheit Jan De Backers wijf broeder (ende) Philips Salart (die tot Coolchester woonde), die beyde in camer oock sliepen daar sij te samen lagen."
Bovendien had hij haar slechts "ghedreight (haar achter te laten) omdat zij haer cleeren hadde vercocht ende haer quytgehemaeckt".

Na verder onderzoek werd de zaak zonder veel gevolgen geclasseerd, en beveelden de ouderlingen dat Jan De Backer en Gerart Truyen "bij malcandren sijnde ingeroepen, gaven malcandren tot een teecken van vreede tesamen te houden de hant."

Dit is slechts één verhaal van een vluchtende familie : in groep te voet een wagen volgend waarop alle bezittingen waren gestouwd, van Gent via Oudenaarde naar Doornik, en vandaar wellicht via Lille en één van de Kanaalhavens naar Dover en verder naar Canterbury, een voettocht van 230 km.
Onderweg bloot gesteld aan allerlei gevaren en overnachtend in herbergen, samen met andere reizigers op één kamer.


Tijdens een razzia eind augustus 1567 werden door Karel L'Espinoy en Joos Huusman 65 brieven in beslag genomen die door naar Norwich gevluchte Ieperlingen naar hun in Vlaanderen achtergebleven familieleden werden gestuurd.

Op 21 augustus 1567 schreef Clais van Wervekin, een hoedenmaker die in de vluchtelingengemeenschap in Norwich verbleef, een brief naar zijn vrouw in Ieper : "ghy ne soudt nemermeer gheloove, hoe vriendelick dat tvolk tsaeme es, en oock de Ynghelsche, hoe minsaemich zy tot onser natie valle, zoo, dat ghy hier waert met half ons ghoedt, ghy ne soudt nemermeer peinse om in Vlaedere to come woone".

Leonard Keerlinck schreef op 31 augustus 1567 aan zijn schoonbroer Victor de Vinck : "En soo ghy tuwen rade vyndt dat ghy overcoomen wilt, ick en twijffele niet, ghy en sult met uwe kinderen wel den cost winne : want men hier meer coopt om een stuiver den, soo ick hoore, t'Yper om drie."


klik hier om naar het begin van dit document te gaan